1944-1945 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 64
60 lijke daden Gods van voorzienigheid en herschepping, doch ook die der schepping. In zijn belangwekkend, van christelijk standpunt geschreven en nog altijd lezen^w^aardig boek The Poot-prints o[ the Creator geek de amateur-geoloog H u g h M i l l e r een gesprek weer, dat hij had met een bevriend predikant van zijn woonplaats toen zij samen eens liepen over een oer-oud fossielhoudend gesteente. Het ging over het wonder der Pinkstergave. „Maar wat zegt gij van de overblijfselen -— zoo merkte M i l l e r op — die zoo duidelijk zich op de rotsen naast ons vertoonen, met betrekking tot hunnen aard als resultaten van een wonder? De te niet gegane gezinnen en geslachten, die zij vertegenwoordigen, zijn alle begonnen te bestaan. Er is geen waarheid welke de wetenschap meer bewijzen kan dan deze, dat zij alle een begin hadden. De ongeloovige, die in dezen tijd beproeven wilde om terug te keeren tot het verzinsel van een ,,oneindige reeks", zou verachtelijk uitgelachen worden. Alle begonnen zij te zijn. Maar hoe? Geen ware geoloog hangt de ontwikkelingshypothese aan; — zij is beperkt geworden tot betweters en halfgeleerden; — en buiten haar bestaat er slechts één alternatief. Zij begonnen te zijn door het wonder der schepping. W a t ons deze rotsen opleveren, noodzaakt ons, om óf te gelooven aan een wonder, óf aan iets, dat oneindig veel moeilijker is om aan te nemen, en dat evenzeer door geen getuigenis ondersteund wordt, als het met de ervaring in strijd is" i ) . Deze woorden schreef M i l l e r vóór 1850. Een eeuw van geologisch en palaeontologisch onderzoek heeft sedertdien zijn inzicht slechts kunnen bevestigen. De erkenning van het wonder der schepping houdt echter niet de voorstelling in alsof de Schepper telkens bovennatuurlijk zou hebben ingegrepen in den gang van het natuurgebeuren, telkens bij de verschijning van een nieuWe klasse van planten of dieren. In zijn bovengenoemd boek verdedigt M i l l e r de opvatting, dat iedere nieuwe dynastie door een directe tusschenkomst Gods in het aanzijn is geroepen. Telkens, na vele eeuwen gedurende welke geen vooruitgang plaatsgreep doch degradatie, zou zich het scheppingswoord weer doen hooren om een hoogere orde van zaken te voorschijn te roepen. Zoo zouden de visschen, zoo de kruipende dieren, zoo de zoogdieren en zoo zou tenslotte de mensch op aarde zijn ontstaan. De auteur beschouwt de ,,dagen" van Genesis I als tijdperken : in zes tijdperken, zegt hij, heeft de Heer den hemel en de aarde gemaakt. God schept nu geen nieuwe dingen meer, want met den zevenden dag is Zijn zedelijk wereldbewind begonnen. Maar, aldus M i l l e r , dat altijd tot een hoogere orde van zaken leidende scheppingswerk, dat hem gedurende millioenen van jaren bezig hield, was van een gewonen weekdaagschen aard 2).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1945
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 128 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1945
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 128 Pagina's