Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 164
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
De Leerschool van Lucretia Wilhelmina 152
zeer nabij, indien niet als lid van het gezin, in alles had meegeleefd
en meegeleden.^)
In 1759 bezweek Moeder S u s a n n a W i l h e l m i n a B r a n d t .
Het hemelsche geluk, zoo lezen we in Ter Uitvaart: dat „haar
sterk geloove op 't veege doodsbed" reeds toestraalde, misgunt de
dochter haar niet. Om de doodzieke zuster, aan wie de moeder, op
haar laatsten levensdag, een spoedige verlossing uit de aardsche
ellende had voorzegd, moet zij zich den troost der tranen ontzeggen;
zij moet nu ook haar tot moeder zijn.") — De voorspelling werd
vervuld: van hetzelfde jaar 1759 is de Rouwklagt over haar afster-
v e n . ' ) L u c r e t i a herdenkt den blijden tijd, dat zij met vader,
moeder, zuster, moei, in vreugde samenwoonde ; thans staat zij
alleen: „van all' mijn bloedverwanten — 't Beklagenswaardig over-
schot". Ofschoon W i l h e l m i n a uit den kerker van onheil en
verdriet inging tot „de zoetheid van een zalig leven", L u c r e t i a
mist toch den steun van haar liefde, lijdzaamheid, wijsheid, en
godvruchtig geloofsvertrouwen. Maar : zij zal „met haar heréénen,
— Indien (zij) leeft en sterft als zij." En wie weet, hoe spoedig.
God moge nu haar geleider, haar raadsman, haar behoeder zijn :
„'k Vind alles in Uw bijstand weer."
Over dezen laatsten tijd van de zes lange lijdensjaren van
L u c r e t i a W i 1 h e 1 m i n a vinden wij nog bijzonderheden in
een Ter Gedachtenisse voor de zuster*) door V a n W i n t e r
(1760), Hij heeft als vriend haar in de laatste uren nog bezocht;
haar teere liefde zocht toen voor L u c r e t i a , die alleen zou achter-
blijven, „bij Vriendschap nog bescherming": „Gij zaagt naar haar,
gij zaagt naar mij nog om". Maar hij had ook L u c r e t i a in dien
bangen tijd haar kruispad zien betreden ,,met kloeke schreên, door
God gesterkt", en ,,onverzet in 't woên der tegenheên." Het strijdt
niet met de voorstelling van haar gedichten, maar stemt er mee
overeen. Zij die „in (haren) rouw bijna van elk vergceten" ),
over de vereenzaming klaagde, en toch eenzaamheid behoefde en
1) Nut d. T.. 326, 327, 329, 331. W. Gelaksbed. 335 (v. W i n t e r).
2) Nat d. T.. 321.
' ) Z.w. 326. Vgl. W. Geluksb., 92. Maar V a n W i n t e r's gedicht op haar
overlijden is van 1760. W. Gelukb., 333.
*) W. Geluksb., 333.
B) Nat d. T., 302 (1758). Vgl. ook het leerdicht zelf, blz. 35.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's