Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 258
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
De structuur der rechtsbeginselen en de methode 246
voegt aan het rechtsverband als zoodanig in zijn gezagsstructuur.
Denkbaar is zoo, dat de gerechtigheid uit 't oogpunt der statelijke
strafvergelding (niet alle rechtsstraf is monopolie van den staat!)
voor een bepaald delict een lichte straf eischt, terwijl datzelfde delict
uit het oogpunt der privaatrechtelijke schadevergoeding tot een
zwaren schade-eisch ex art. HOI B.W. grond geeft. Ook het omge-
keerde is mogelijk.
Een ander voorbeeld zij hier gegeven.
Zinduiding van De H.R. hanteert bij de interpretatie van art. 1401 (en volgende)
oncechfrtwtig" B-W. ten aanzien van de onrechtmatige privaatrechtelijke daad
heidsbegrip, dat sinds het beroemde arrest van 1919 een materieel, ten aanzien van
zien vmion"echt'. '^^ onrechtmatige Overheidsdaad daarentegen ook na 1924 een
matige private en formeel onrechtmatigheidsbegrip.
overheidbda^n Daarbij laat hij zijn jurisprudentie ongetwijfeld leiden door rechts-
hanteert. De beginselen. Maar in juiste intuïtie heeft ons hoogste rechtscollege
^de^Fransche"^" ^^9^^P^^' '^^^ ^et privaatrecht voor de interne publiekrechtelijke
Conseil d' Etat. Structuur van het staatsverband geen beginselen heeft, en dat het
positiveeren van de dynamische publiekrechtelijke beginselen, welke
in de moderne publiekrechtelijke rechtstaatsidee (wel te onderschei-
den van de privaatrechtelijke rechtsstaatsidee i ) ) gepostuleerd zijn,
slechts taak kan zijn van den administratieven rechter 2), die niet oor-
deelt over geschillen tusschen staat als maatschapslid en mede-
maatschapslid, maar over geschillen tusschen Overheid en onder-
daan. Vandaar het formeel onrechtmatigheidsbegrip, dat de jurispru-
dentie trouwens niet alleen ten aanzien van overheidsdaden, maar
^) De privaatrechtelijke rechtstaatsidee eisoht slechts, dat de staat in zijn
externe privaatrechtelijke gedragingen zich schikke onder de horizontale rechts-
maatschapsnornien.
^) Vandaar, dat onderscheiding van zgn. rec/ifsvragen en doelmatigheids-
vragen ter competentiebegrenzing van den administratieven rechter het wezen der
administratieve rechtspraak miskent. Zal bedoelde onderscheiding met haar
wonderlijke terminologie inderdaad jaridischen zin. hebben, dan kan zij geen
andere bedoeling hebben, dan den administratieven rechter te beletten een
materieel onrechtmatigheidsbegrip te hanteeren, m.a.w. hem dezelfde rol te doen
spelen, die de H. R. reeds thans sinds het arrest van 1924 vervult. Gelukkig
heeft bij de incidenteele regeling van verschillende stukken administratieve recht-
spraak deze in wezen privaatrechtelijke opvatting van de beoordeeling van on-
rechtmatige overheidsdaden geen ingang gevonden. Zie b.v. het Wetje op de
Crisisrechtspraak van 26 Juli 1918, S. 494 en art. 58 der Ambtenarenwet 1929.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's