Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 64

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 64

Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)

2 minuten leestijd

De Uitzetting van Mr. Willem Bilderdijk 52

op aem ; dan hebben we te doen met de voorstelling, die hij er zich

van maakte. Al was, blijkens de waarschijnlijk wel betrouwbare

mededeelingen van zijn vrouw i ) , de toestand ook nog zoo weinig

rooskleurig, ja al toont zijn brief aan Uylenbroek van 11 Februari 2),

dat hij daar ook zelf wel eenig besef van had, niettemin meent hij

zijn „welvaart" aan zijn geweten te hebben opgeofferd 3), en zegt

hij, tot God sprekend:

Gij riept me, uit aanzien en vermogen,

In 't ondoorzienbaarst van de ellend. 4)

Ook wanneer hij zich, op het einde van 1797, tot den Erf prins

wendt, zegt hij te zijn, „gedreeven uit een staat van welvaren, waarin

ik begon voor mijn kinderen en mij de vruchten in te zamelen, welke

een vijftienjarige onvermoeide en mooglijk voorbeeldelooze arbeid

mij in den praktijk der advocaten voorbereid hadde" 5). In een brief

uit April 1795 schatte hij hetgeen hij in zijn praktijk had uitstaan

op ƒ 40.000 en meende hij zelfs, dat, al kwam daar geen penning

van in, hij niemand te kort behoefde te doen komen, als hij de

handen maar weer ruim kreeg, en een vrede gesloten werd, die

hem veroorloven zou schikkingen te maken over goederen en in-

komsten, die zich toen in vijandelijke handen bevonden 6). Ook in

1806 Iaat hij zich in denzelfden geest uit: hij kon bewijzen, dat zijU'

pretensiën zijn schulden „meer dan dubbeld te boven gingen" ; had

men hem slechts de gelegenheid gelaten, hij zou, wat anderen niet

mogelijk was, ze wel ingevorderd en zijn schulden voldaan

hebben 7).

In het midden latende, hoe vele van de duizenden, die hij uit had

staan, alleen in zijn verbeelding bestonden, kan men toch wel aan-

1) Ib. p. 171, 176, 212.

») Brieven I, p. 200—203.

3) Ib. I. p. 204.

*) Dichtwerken, XII. p. 15.

s) Brief van 14 November 1797, minuut, Codex 873, f. 58—59; in den brief

van denzelfden datum aan den Erfstadhouder (ib. f. 54—57) spreekt hij vein:

rijkelijk in te zamelen.

") Brieven I, p. 205 ; naar hij meende, zou dat niet lang meer duren : „En

die tijd is ongetwijfeld nabij."

•f) Brieven II, p. 56—57.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930

Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's

Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 64

Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930

Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's