Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 157
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
145 De Leerschool van Lucretia Withelmina
„Dichteres van den Godsdienst" heeft L u c r e t i a van begin
af willen zijn; dichteres van het Vaderland is zij daarbij spoedig
geworden. Dat zij van de studie der geschiedenis hield, blijkt ons
uit de verscheidenheid van haar stoffen, en de moeite, die zij zich
gaf bij de voorbereiding van haar werk. En zoo goed als altijd,
hetzij ze vaderlandsche of vreemde historie bestudeert en verhaalt,
zoekt zij er de werking van den christelijken godsdienst. Zij heeft
daarin iets van B o s b o o m-T o u s s a i n t. Den ernst van haar
studie toont zij in het Voorbericht van haar Beleg en Ontzet van
Leiden^): bij allerlei lands- en stadsgeschiedenis en -beschrijving
raadpleegde zij ook de Latijnsche gedichten van D o u z a en
manuscripten van Leidsche families. In een reeks heldinne- (en
helden-) brieven, die zonder tijdsaanwijzing in den bundel van 1762
verschenen ^) maar heel goed een tien jaar vroeger ontstaan kun-
nen zijn, houden alle op die van Claudius Civilis en van Maria de
Medicis na het nauwste verband met den welstand der christelijke
kerk; en behalve bij den oud-Scandinavischen Leife met dien der
Hervormde Kerk, in Engeland, Frankrijk en Nederland (Johanna
Gray, Elisabeth aan Hendrik IV, Charlotte van Bourbon, Louise
de Coligny).
Aan haar vroegste bijbeldichten, door D e H a e s vermeld, zouden
wij misschien kunnen denken bij een eveneens niet met jaaraan-
wijzing voorzien Beurtgezang der Herderen, als de merkwaardige
vorm daarvan niet drong, het veeleer op 1760 of 1761 te stellen.
W a n t het is duidelijk een cantate, zooals ze bij ons heeten inge-
voerd te zijn door V a n A l p h e n in 1783, op het Duitsche voor-
beeld inzonderheid van R a m 1 e r van 1760. ^) Maar het genre
was ouder, en niet van Duitschen oorsprong.
„La Vertu pour Guide", die leus had zij in de plaats van haar
naam op haar eersteling gezet. En in de opdracht van haar tweede
werk aan H a s s e l a a r zinspeelde zij er weer duidelijk op.
„Deugd" in den ruimen zin van „vroomheid", traditie in het ouder-
lijk huis, had zij zich bewust tot levensregel gesteld. Met die ge-
dachte van deugd verbond zich nauw die van geluk, zooals zij het
'^j Tooneelpoëzy I (1774).
2) Nai d. T., 51—128.
^) T e W i n k e 1 a.w. VI, 45; en V a n A 1 p h e n zelf in Mengelingen in pt.
en p. — In 1782 vinden we nog eens een dergelijk stuk. W. Geluksb. 185—194.
W. B. 10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's