Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 54
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
De Uitzetting van Mr. Willem Bilderdijk 42
Maakte H u e t nog een zeker voorbehoud, en met hem J o n c k
b 1 o e t, die schreef : „hij schijnt zelf zijn uitzetting geprovoceerd
te h e b b e n " ! ) , K o l l e w i j n achtte dit „onbetwistbaar" 2). Deze
uitspraak komt voor in een beoordeeling van T e W i n k e 1' s
bekende, in 1890 verschenen, studie : „Bilderdijk, lotgenoot van
Multatuli", waar de voorstelling gegeven wordt, als zou de dichter
„in een oogenblik van overspanning" zijn verzoekschrift hebben in
gezonden ; hij had er zich toe kunnen bepalen den eed eenvoudig
te weigeren, maar
tartte het jeugdige, nog in den vollen roes der overwinning verkeerend
Staatsbestuur door bij zijne weigering een stuk in te zenden, dat naar den
vorm wel een verzoekschrift, maar naar den inhoud een protest was. Hij,
Bilderdijk, kon toch maar niet zoo ongemerkt aftreden van het st^iatstooneel i
Hij moest het doen op eene in het oog vallende wijze ^).
K 011 e w ij n kon niet toegeven, dat daarin alleen de verklaring
van zijn handelwijze te zoeken zou zijn, en kwam er uitdrukkelijk
tegen op, dat hij zou hebben gehandeld „in een oogenblik van over
spanning." Hij handelde integendeel juist uit berekening. In zijn
biographie van Bilderdijk, die kort daarop het licht zag, heeft hij
deze voorstelling nader uitgewerkt *). Een korte samenvatting ervan
vindt men in de volgende alinea :
Geplaagd door zijn schuldeischers, met eene steeds meer verloopende
praktijk, niet wetende, hoe hij op fatsoenlijke wijze zou kunnen blijven
leven — vóór alles, gekweld en geërgerd door eene ontevreden vrouw, die
hij evenmin liefhaid als achtte, die hem niet begreep en wie hij zijn vertrouwen
niet schonk, moest Willem Bilderdijk wel een uitkomst zien in verbemning.
K o l l e w i j n ' s voorstelling heeft wel ingang gevonden, zoo bij
niemand minder dan T e W i n k e l zelf. W a t deze later in zijn
„Ontwikkelingsgang" over de uitzetting geschreven heeft, is welis
waar minder sterk uitgedrukt, maar komt toch vrijwel op hetzelfde
neer 5). K o l l e w i j n is echter ook bestreden, zoo door J. P o s t
^) Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, 4de druk, VI, p. 23.
2) Gids, 1890, II, p. 91.
' ) P. 19—20.
*) I, p. 224—227.
s) V P , p. 247—8.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's