Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 263
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
251 der rechtswetenschap in het licht der Wetsidee
staat de vroeger opgeworpen vraag te beantwoorden, of alle rechts-
beginselen een in de historische ontwikkeling gefundeerd dynamisch
karakter dragen, dan wel of er ook constante, statische rechtsprin-
cipia zijn.
Vast staat reeds thans, dat ook voorzoover het bestaan van zulke
constante, statische rechtsprincipia kan worden aangetoond, het
toch immer gaat om tijdelijke beginselen, beginselen in den kosmi-
schen zin-samenhang gegeven.
Er bestaan geen boventijdelijke, „zuiver formeele" recftteprinci-
pia, gelijk de Neo-Kantiaansche natuurrechtsleer van S t a m m l e r
uit de ,,rechtsidee" heeft mecnen te kunnen deduceeren.
Alvorens de vraag, die we hier formuleerden, te beantwoorden, Rechtsbegrip en
moeten wij een oogenblik aandacht wijden aan de verhouding tus- *' ^^'
schen rechtsbegrip en rechtsidee, een onderscheiding, die sinds
S t a m m l e r het rechtswijsgeerig denken beheerscht.
Volgens S t a m m l e r is het rechtsbegrip een bloot-logische
ordeningsmethode onzer bewustzijnsinhouden, een bloot formeele
apriorische voorwaarde, waaraan alle positief recht, hoe verwerpe-
lijk zijn inhoud ook moge zijn, moet voldoen, zal van „recht" sprake
zijn. De „rechtsidee" daarentegen ordent onze rechtservaring naar
den maatstaf, naar „de logische methode" der „Richtigkeit", der
gerechtigheid. Met behulp der formeele rechtsidee beoordeelen wij
dus het positief recht als „gerecht" of „ongerecht".
Deze formalistische beschouwing vat het recht niet als materieele
zin-structuur, maar als abstract-logische categorie, welke in
Kantiaanschen zin den synthetischen vorm geeft aan een in zich
zelf amorphe sociaal-economische materie. Zij overwint het positi-
visme niet in het rechtsbegrip, want zij is onvereenigbaar met de
aanvaarding van een eigen zinvolle goddelijke wetmatigheid van het
stellig recht qua talis, ze is onvereenigbaar met de aanvaarding van
materieele rechtsbeginselen, waarvan alle stellig recht slechts een
mcnschelijke positiveering is.
In 't licht der Calvinistische wetsidee is het lechtsbegrip een door
het rehgieus-bepaald kosmologisch zelfbewustzijn voltrokken zin-
synthesis tusschen den logisch-analytischen zin en den generalen
materieelen rechtszin in „restrictieve functie", waaronder we ver-
staan de nog niet door „anticipeering" (benadering van kosmisch-
latere zinstructuur) verdiepte zinstructuur des rechts.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's