Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 37
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
25 Cyrus in Jes. 40—66
dan ook beter indien bij niN3n IN het nieuwe vers begon '). In-
dien wij nu VS. 25 zouden moeten verstaan van wat in het heden
geschiedt, dus als een voorbeeld van de verwerkelijking eener
vroegere profetie, dan zou J h v h tegenover de afgoden het bewijs
zijner waarachtige Godheid uitsluitend ontleencn aan het eerstge-
noemde geval; en het is dan niet wel in te zien waarom daar-
nevens het tweede geval ook nog genoemd wordt. Nemen we
daarentegen vs. 25 als een voorzegging, dan bewijst J h v h zijn
Godheid met het tweede geval; het niet-noemen van eenig voor-
beeld van het eerste geval is dan gemakkelijk te verklaren door-
dat ervan wordt uitgegaan dat zulke voorbeelden bekend genoeg
zijn. Het ligt dus ook uit dit oogpunt geheel in de lijn van het
tekstverband om vs. 25 futuraal op te vatten.
W e komen tot een derde plaats, waar op Cyrus gedoeld wordt.
Het is Jes. 4 3 : 1 4 . De vermelding van den Perzen-koning geschiedt
hier evenwel slechts zeer indirect, namelijk in de woorden
De naar Babel gezondene is Cyrus. Het Perfectum is hier in
ieder geval profetisch, daar Babel nog niet is ingenomen. Overi-
gens kan uit deze plaats voor de vraag die ons bezig houdt niets
worden afgeleid, zoodat we onmiddellijk tot een andere kunnen
overgaan.
Dit is dan de bekende passage waarin ook de naam Cyrus
(E^nis) wordt genoemd : Jes. 4 4 : 24 — 45 : 8. Dat noemen van
zijn naam geschiedt tweemaal, 4 4 : 2 8 en 45 : 1. Velen zien daarin
op zichzelf reeds een genoegzame aanwijzing dat Cyrus hier als
een reeds bestaand en bekend persoon wordt geïntroduceerd. Z o o
zegt b.v. C o r n i l l : „Cyrus wird 4428451-8 xa.it Namen genannt,
nicht als eine wunderbare geheimnisvolle Enthüllung, sondern als
eine allbekannte zeitgeschichdiche Persönlichkeit" ^). Toch valt het
moeilijk aan den ernst van dit argument te gelooven wanneer
men leest hoe over de profetie in 1 Kon. 1 3 : 2 geoordeeld wordt,
waarin de naam van den koning Josia wordt genoemd. Daar
wordt diens naam niet zonder nadere inleiding vermeld; integen-
') Zie ook R i d d e r b o s a. w. bldz. 26 v.v.
^) Einleitung in die kanonischen Bücher des A. T.', Tubingen 1913. bldz. 165.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's