Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 163
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
151 De Leerschool van Lucretia Wilhelmina
't eeuwig waakend Oog alleen." Uit die eenzame donkerheid stijgt
haar gebed tot den Alziende. „ W a t zag ons huis al bange
nachten . . . Hoe heeft het U vermoeid met klagten! — En, och! U w
goedheid luistert niet" „ W a t zeg ik onbezonnen?" zij is reeds
„voor ons opgedaagd": „Zij-zelf leert ons uw hefdeslagen, —
Schoon 't aarslend vleesch daar tegen wrijt, — Gelaaten, ja ge-
willig draagen Uw hand slaat tijdelijke wonden — Die gij
in d'eeuwigheid geneest" Gij hebt onze tranen geteld; Uw
Geest zelf bidt voor ons; de eindpaal van onzen weg, met doornen
overspreid, is de zaligheid. Schenk slechts kracht naar kruis. —
L u c r e t i a belijdt het: „Wij zijn dit leed en grooter waardig
ó God! gij zijt, gij blijft rechtvaardig; — W e erkennen, knielende,
onze schuld." — Ik mag niet meer aanhalen of samenvatten uit het,
zeker „rhetorische", maar zeker schoone gedicht, dat zoo zeer den
psalmklank heeft, dat ook zoo diepen blik geeft op L u c r e t i a's
geloofsinhoud, geloofsvoorwerp: „het Lam, dat zich voor ons liet
slagten. Maar ook voor ons is opgestaan . . . "
Nachtgepeinzen'^), dat B e t j e W o l f f zoo vaak voor haar
man reciteerde ^), zal uit denzelfden tijd zijn (1758); is er ook wel
een schoonere elegie in onze letterkunde? Met haar beschrijving
van een liefelijken maan-en-sterren-nacht, waarin alle arbeid neer-
ligt, alle geluid zwijgt, alle beweging rust, alle tegenstelling ver-
vaagt, alle strijd uitdooft, herinnert ze aan L u y k e n en P o o t ,
De overgangen naar eigen toestanden, gevoelens, wenschen, ge-
bed zijn meesterlijk. Omdat ik alles zou moeten citeeren, citeer ik
niets. Maar waarom moest ook dit gedicht geheel vergeten worden?
Het lofdicht, dat B. d c B o s c h i n dezen tijd nog van haar heeft
gevergd^), is gedwongen. V a n M e r k e n onwaardig, maak-
werk. Hoe kon het anders ? Maar de aanhef is geboren uit de
diepte: „Nog dekt de nacht der tegenspoeden — Mijn ziel als
met een donker kleed ; — Elk uur verzwaart mijn harteleed ; —
De stormen houden aan met woeden, — En feller stormen staan
gereed."
In dezen tijd zal ook de geliefde ,,moei" gestorven zijn, die van
^) ISlut d. T.. 313.
2) J.W.A. N a b e r a . w . 113.
3) IJut d. T., 318; en vóór Dichtl. Verlusft. II (1758).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's