Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 158
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
D e Leerschool van Lucretia Wilhelmina 146
in rijke mate genoot. Een kunsteloos jaardicht op haar vader, van
1751 — zij was toen 30 jaar —, doet ons een bhk slaan in de
zonnige sfeer van het gezinsleven der V a n M e r k e n s : liefde,
eendracht, gezondheid, welvaart, vreugde, dankbaarheid, gebed. ^)
Haar vader, zei V a n W i n t e r later, was ,,haar boezemvriend,
naast God haar toeverlaat"^); haar moeder teekende zij ons zelf
als vroom en vriendelijk, wijs en zelfopofferend, de toevlucht van
elk die raad, de weldoenster van elk, die hulp noodig had. ^)
Maar reeds had L u c r e t i a iets leeren kennen van de rampen,
die het leven van enkeling, gezin, familie, en volk teisteren kunnen.
In 1746 moest zij een Rouwklagt dichten over haar ouden vriend
D a v i d v a n M o l l e m , aan al zijn weelde ontvallen, de schaar
zijner welverzorgde arbeiders in onzekerheid van hun brood achter-
latend. *) Kort daarop dicht zij een gevoeligen lierzang D e Ver-
gankelijkheid des Levens (1747), „des menschen stand op 's levens
wonderpaên" bespiegelend: „een bron van vreugd, een poel van
jammerklagten; Een ruime stof voor peinzende gedachten een
f o n d a m e n t . . . Zoo driftig als het zand der zee." Maar de rechte
kennis van het aardsche leven, met de beproeving door ramp en
ongeval, is een scherpe spoor om het vleien van de zonden te
vlieden en „zich 't naast aan Jezus vast te houden". God beware
ons in voorspoed voor verleiding, in tegenspoed voor moedeloos-
heid, en doe ons altijd in stilheid Zijn gunst zoeken.) — D e
eerste ervaring.
V a n M o 11 e m's erfgenamen, L u c r e t i a's vrienden S ij d e r-
V e 1 t - O o s t e r w ij k, met hun jonge kinderen door haar in 1749
nog met blijde wenschen gevierd ), sterven plotseling, vlak n a
elkaar. Eerst ontvalt de moeder aan de schreiende kinderen, en aan
het beweldadigde Stichtsche landvolk; aan de treurende dichteres
ook, „zoo nauw, zoo teer, Aan haar verknocht door vriendschap»
groot vermogen'"'). Dat zij, die ,,in haar Heiland al haar lust'*
1) Nufd. r., 251.
2) W. Geluksb.. 334 (1760).
3) Nat d. T., 324 (1759).
4) Z.w. 145 vlgg.
5) Z.w. 157.
8) Z.w. 205.
T) Z.w. 221.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's