Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 181
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
169 De Leerschool van Lucretia WÜhelmina
Ps. 89 waren er leden, die het voorbijgaan van haar bewerking
niet konden begrijpen. Bij Ps. 21 en 22 was weer de keuze moeilijk,
want het waren bij Laus Deo ,,schoone stukken". Bewondering
spreekt men ook uit bij de aanneming van haar werk: Ps. 2 is „een
fraai dichtstuk, schoon het te hoog vloog en te veel afdwaalde"
(men denke aan de grondbeginselen). Wanneer men de herziening
van de om hun poëtische verdienste gekozen Ps. 42 en 43 zal be
ginnen, erkent men eerst nog eens uitdrukkelijk „de fraaiheid van
het dichtwerk." Bij Ps. 90 beriep men zich op een reeds bestaande
algemeene opinie onder kenners. In Ps. 23 vond een der leden
haar zoo ver boven de anderen, als D a t h e e n er onder stond.
Het gevoel van Gods geduchte Majesteit doet uit haar ziel de
dreunende orgelklanken bruisen: W a t drift beheerscht het woedend
Heidendom — — Maar d'Oppermacht, die haar geduchten stoel —
O p starren sticht en grondvest op de wolken . . . — Vreest, vreest
Gods macht, en dient Z ijn Majesteit... (Ps. 2 ) . V a n haar is ook
de klare toon van betrouwen in Gods Voorzienigheid, die gelijkelijk
gaat over het heelal en over elk Z ijner kinderen (Ps. 24). Men
denkt aan zang II van haar leerdicht. Diezelfde gedachte, in de
veel breedere schildering van de weergalooze natuurhymne Ps. 104,
spreekt de gemeente ook weer den Hebreeuwschen godsman na
door haar mond. V a n aanhalingen onthoud ik mij hier. Maar wie
twijfelen mocht, of die 18deeeuwsche psalmbundel, dien wij nog
altijd gebruiken, wel eenige kunst bevat, behoeft slechts Psalm 104
van V a n M e r k e n te lezen. Wanneer deze niets anders had na
gelaten dan deze berijming eener verheven stof, zou haar wezenlijk
dichterschap voor altijd vaststaan. L e 1 y v e 1 d, die in de Bijdragen
den bundel der Amsterdamsche „voorname dichters" — wist hij,
wie het waren? — een kunststuk noemde, „een kleinood voor de
liefhebbers", om de schoonheid van stijl en verskunst, maar dien,
om theologische redenen, voor de Kerk toch afried ^), schreef als
1) Z ijn propaganda daarbij voor V o e t , met de bijzonderheden hem over diens
berijming, soms „in secretesse", bekend, zouden doen vermoeden, dat hijzelf een der
ruim vijftig medewerkers was. Maar met de vergaderingen, die deze allen tezamen
zouden gehouden hebben tot vaststelling van de lezing van alle psalmen, dunkt hij
ons zeer onwaarschijnlijk te worden, niet door opzet natuurlijk — de brave L e 1 y
v e 1 d —, maar door misverstaan van zijn berichtgever. Het zal wel bij de rond
zending gebleven zijn, zooals bovendien ook nog, met het oog op tekstgetrouwheid
en leer, aan alle classes gebeurde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's