Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 259
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
247 der rechtswetenschap in het licht der Wetsidee
ten aanzien van alle handelingen hanteert, die een intern verbands-
karakter dragen i ) .
Het is nu merkwaardig op dit punt de jurisprudentie te analysee-
ren van den Franschen Conseil d'Etat, die in zijn administratieve
rechtspraak over onrechtmatige overheidsdaden een zelfstandig
publiekrechtelijk beginsel heeft gepositiveerd, dat een geheel andere
zinstructuur bezit dan het schadevergoedingsbeginsel ex artt. 1382—
1386 C.C. (onze artt. 1401—1405 B . W . ) .
P a u 1 D u e z merkt in zijn boek La Responsabilité de la Puissan'
ce Publique (en dehors du contrat) 1927 blz. 60/1 op: „Qu'il s'agisse
de la responsabihté pour faute, qu'il s'agisse de la responsabilité
pour risque, l'inspiration ne vient pas du droit civil; les theories in-
dues dans les arrets sent des theories autonomes reflétant les idees
du droit public."
W a t is dit publiekrechtelijk beginsel? Het is het beginsel van
proportioneele gelijkheid van publieke lasten en rechten der onder-
danen binnen het staatsverband.
Wederom een verbandsbeginsel; nader een verbandsbeginsel voor
de interne staatsstructuur in den rechtskring!
De moderne leer der rechtssouvereiniteit, die in den vorm, waar-
in ze door K r a b b e en D u g u i t is verdedigd, ongetwijfeld een
materieel-natuurrechtelijken zin bezit, negeert, krachtens haar uit-
gangspunt in het individueele rechtsbewustzijn of rechtsgevoel, toto
coelo de kosmische structuur van den rechtskring, negeert het kos-
misch structuurverschil tusschen rechtsverband en rechtsmaatschap,
moet daarom principieel komen tot verwerping van het onderscheid
tusschen publiek- en privaatiecht.
Maar zulk een theorie beteekent in beginsel de negatie van de
^) Zeer belangrijk is in dit verband de beslissing van het Duitsche i?eicfts-
gericht van 20 Dec. 1923, waarbij het zijn constante jurisprudentie, dat de rechter
alleen de formeele zijde van een royeeringsbesluit eener vereeniging mag onder-
zoeken, wijl het onderzoek naar de maiecieele gronden in strijd zou komen met
de autonomie van het interne vereenigingsrecht, in zooverre wijzigde, dat ook
toetsing van de zakelijke (materieele) gronden geoorloofd is in geval het om ver-
banden gaat, waarbij de individueele beroepsgenoot zich wel goedschiks of
kwaadschiks moet aansluiten, wil hij niet broodeloos of in ander opzicht hulpeloos
worden. De beslissing doet aan het algemeen beginsel geen afbreuk, doch trekt
eenvoudig de consequentie uit de ten deele publiekrechtelijke positie, welke in
Duitschland sinds 1918, de vakvereenigingen gekregen hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's