Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 22
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
„Dewelke de Kerk wel lezen kan" 10
Nu was voor de kerkvaders de casuspositie een andere dan voor
C a l v i j n , zij stonden midden in den strijd over bepaalde boeken.
Daarom konden ze niet met evidentie werken en zochten ze meet
tastbare argumenten, C a l v i j n kent dien strijd, maar gaat aan de
daarin gebruikte argumenten voorbij en zegt, het karakter van dit
boek is evident apostolisch. Dat is eigenlijk ook het standpunt van de
Fransche Confessie en van de onze in Art. 5. Maar met het:
quos quidem Ecclessia legere potest komt Art. 6 meer in de lijn
der patres en spreekt van een uiterlijke, liturgische bevoegdheid,
welke de kerk bezit. Het komt dicht bij één der kenmerken, die in de
oude kerk voor canoniciteit werden opgegeven. Men versta ons
wel. W e beweren niet, dat de twee kenmerken van canoniciteit
evidentie of autopistie en lezen in de kerk met elkander in strijd
zijn en in geen enkel opzicht te vereenigen of te verbinden. Men
zou dadelijk kunnen wijzen op Art. 4 der Confessio Gallicana:
non tant par Ie commun accord et consentiment de l'eglisc, que
par Ie tesmoignage et interieure persuasion du sainct esprit, qui
les nous faict discerner d'avec les autres livres Ecclesiastiques,
woorden, waaraan onze Belijdenis in Art. 5 duidelijk herinnert.
W e beweren alleen, dat G u i d o d e B r é s in Art. 6 uitsluitend,
wil men eenzijdig, één lijn der patres volgt. En dat moest hij
ook wel doen. W a n t indien er strijd is, indien de één zegt: deze
boeken behooren in den canon, de ander: ze zijn apocryph, dan
brengt een beroep op de evidentie of het getuigenis des Heiligen
Geestes geen uitkomst, dan moet men tot uitwendige kenteekenen
de toevlucht nemen. Hier ligt de oorzaak, waarom Art. 6 de be-
wuste uitdrukking heeft opgenomen. Een uitdrukking, die zeer
zeker de apocryphen ver onder de canonieke boeken stelt, gelijk
ook, naar verder uit het artikel blijkt, de bedoeling is, maar die
hun toch een zeker gebruik in de kerk toestaat.
Historisch staat nu wel vast, dat G u i d o d e B r é s zijn uit-
drukking in zake de apocryphen aan de kerkvaders ontleende en
er mee bedoelde, dat deze boeken — evenals de canonieke —
in de kerk mogen worden voorgelezen. Zoo blijft nog over de
vraag, is dat de algemeen Gereformeerde opvatting, of oordeelen
de Gereformeerde kerken anders over de apocryphen.
De Zürichsche belijdenis van 1545 heeft uitdrukkingen, die sterk
aan Art. 6 onzer Confessie herinneren: Welchebücheraberussert
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's