Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 93
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
81 Substantief + substantief
nutten zij echter de mogelijkheid van keuze om in verbondenheid
tegen elkander af te steken. Ontvangt 't eene substantief zijn naam-
val als noodzakelijke keus uit het voorhanden naamvalssysteem, dan
kiest het daarmee verbonden andere een anderen naamval, in het
Grieksch bij voorkeur den genitief. Deze genitief, die een zeer uit-
gebreid aantal substantiefverbindingen kenmerkt, is te moeilijker
met een vaste beteekenis omschrijf baar, naarmate menigte en ver-
scheidenheid der gevallen grooter zijn. Men kan hem noch uit'
sluitend als aanduiding van bezit, noch als objectivus, noch als een
der andere bekende soorten interpreteeren. Beurtelings het een en
het ander uitdrukkend, beteekent hij telkens iets anders en er is
geen omschrijving, die op alle voorkomende gevallen toepasselijk is,
dan die van : betrekking-aanduidend; maar deze zegt niets speci-
fieks meer over den genitivus: zij is een pleonasme voor verbinding,
die verbindt. Dat substantief en substantief, gehoorzamend aan de
wet der breking, zich verbindend onderscheid bewaren, wordt door
de verbinding via den genitief bevestigd. Uitzondering maakt hierop
zeker gebruik van Grieksche dichters, die ook daar, waar zakelijk
in de verbinding van substantieven de breking via den genitief ge-
boden schijnt, het toegevoegde substantief denzelfden naamval
geven als dat waarvan het in den genitief moest afhangen. Dit
gebruik kan als doortrekking van boven besproken verbindingen
van substantieven in gelijken naamval worden beschouwd, (type
aXoxog èkanoiva) van uit de logica van het proza gezien is het
echter een dichterlijke vrijheid, die zakelijke verhoudingen in de
taal gebroken, onadaequaat weergeeft. Van uit den grondvorm be-
zien is deze dichterlijke vrijheid evenwel van strengere logica,
dan die, welke uitsluitend twee-eenheden van verschillendsoortige
elementen erkent. De aanschouwing, waaraan dit dichterlijk ge-
bruik uitdrukking geeft, is dieper, dan die waarin de drang naar
relief in het gelijksoortige verbondene het wint. De dichterlijke aan-
schouwing ziet hier de verhouding van wat anders bepalend en
afhankelijk substantief heet, aan in een vorm, die nog niets anders
dan eenheid van twee is. Een afgeleide breking van dezen grond-
vorm is het, wanneer het tweede substantief als van, in, tot
het andere wordt gepreciseerd. De dichterlijke vrijheid is hier vrij-
making van de begrenzende preciseering, waarin prozaïsche taal de
grondverhouding uitdrukt en al preciseerend verbergt. De andere
W.B. 6
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's