Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 277
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
265 der rechtswetenschap in het licht der Wetsidee
tieven wetmatigen grondslag in de kosmische, door God gestelde
ordening onzer tijdelijke wereld.
W a r e dit niet het geval, was het recht in zijn zoozeer gediffe-
rentieerde zin-structuur een schepping van menschelijke willekeur,
dan ware geen rechtswetenschap mogelijk. Dan trof inderdaad het
requisitoir van v o n K i r c h m a n n : „Drei berichtigende W o r t e
des Gesetzgebers und Bibliotheken werden Makulatur" doel!
Dat wij een chaos geen rechtsorde noemen, zal ieder moeten
billijken, voor wien het begrip ,,stellig recht" niet allen rechtszin
verloren heeft en die nog zin-verschil aanvaardt tusschen de bevelen
van een rooversbende en de normen van het recht!
De bcoordeeling óf menschelijke voorschriften inderdaad positief
recht zijn, staat niet aan den keur van het subjectief individueel
verstand (dat ware veeleer de consequentie van het individualistisch
humanistisch natuurrecht, zoowel als van het z.g.n. kritisch positi-
visme !), doch aan den grooten rechter over alle grauwe theorie, het
rechtsleven in zijn kosmisch wetmatige zin-structuur en in zijn in
materieelen zin competente organen i-).
Zonder een wezenlijke positieve rechtsorde kan geen menschelijke
samenleving bestaan en het is niet mogelijk zulk een rechtsorde te vor-
men met terzijdestelling der goddelijke rechtsbeginselen in hun kos-
misch-organische zin-structuur. „Revolutionaire wetgeverswillekeur"
heeft blijkens het getuigenis der reëele rechtsontwikkehng nog nim-
mer recht kunnen vormen, doch bleek voorzoover het den oogenblik-
^) Deze gedachte voert tot definitieve verwerping van de zgn. KompetenZ'
Kompetenztheorie ten aanzien van den statelijken rechtsvormer. Overal, waar
„souvereiniteit in eigen kring" in een intern structuurrecht gegeven is, hebben de
wettige organen, aan welke het rechtsgez;ag binnen dien kring toekomt (dus niet
willekeurige individuen), voor handhaving dier „souvereiniteit in eigen kring" te
waken, voorzoover ze daartoe de middelen bezitten. Zoo hebben ook de Gerefor-
meerde kerken en de Roomsche kerk hare verhouding tegenover den staat
verstaan. Het practisch-juridisch belang dezer opvatting blijkt b.v. bij de vraag
inzake de verhouding der collectieve arbeidscontracten tot hun verbindendvet'
klaring ingevolge de wet van 24 Dec. 1927. Uit het door mij verdedigd standpunt
vloeit voort, dat de verbindendverklaring afhankelijk is van de collectieve over-
eenkomst, als bevattend een stuk intern bedrijfsrecht, niet omgekeerd. Zoodat die
verbindendverklaring geen gelding meer kan hebben, wanneer de interne bedrijfs-
organen zelve het intern bedrijfsrecht veranderen (cf. D r . M e i s s n e r en
ten deele O e r t m a n n , contra de zgn. Gesetzestheorie van K a s k e l c.s.).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's