Wetenschappelijke bijdragen aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan - pagina 135
Aangeboden door hoogleraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan (20 oktober 1930)
123 Besluit
der afzonderlijkheid van elk verenkeld equivalent niet alleen nooit
kan worden gevonden, maar — wat weinig anders is — dat het ook
zinloos is, daarnaar te vragen, omdat er naast de synthetische kennis
niet nog een aparte kennis van het afzonderlijke bestaat. Het afzon-
derlijke bleek, op zichzelf genomen, het puur onbepaalde te zijn.
Misschien kan volstaan worden met het zeggen, dat in de menigte
der equivalenten met de eenheid het eigenlijke doel der kennis, het
begrijpelijke, bereikt is, terwijl de menigte en de afzonderlijkheid het
onbegrijpelijke zouden zijn. Dit hangt er van af, of er een antwoord
bestaat op de scheidende, a-synthetische vraag: waarom heeft
zekere eenheid dit aantal equivalenten en waarom juist deze ? Deze
vraag wil het dat der eenheid gegrond zien; hierop is geen ander
antwoord dan het dat zelf. V a n hieruit gezien is het eenig begrijpe-
lijke en het eenige, waarnaar gevraagd kan worden met kans op
antwoord : de eenheid zelf van het menigvuldige; de grond van die
eenheid kan niet als iets daar buiten liggends worden aangegeven.
Eenheid van het menigvuldige is haar eigen grond; redelijke kennis
is bereikt, waar zij aanwezig is ; grond der eenheid is een tautologie.
Equivalentie omspant met haar eenheid méér dan de identiteiten,
die taalvergelijking en taalgeschiedenis zoeken. Deze stellen ook wel
het verscheidene gelijk, bijv. genus = yév o ?; neiêai :=^ ftdo; maar
bedoelen daarmee identiteit in historischen oorsprong. Alleen talen,
waarvan is aangetoond, dat ze historisch één geweest zijn, hebben
déze identiteit. De identiteit der equivalentie echter omvat ook dat-
gene, waarvan historische eenheid niet kan worden aangetoond. De
identiteit der comparatie steunt op een verondersteld empirisch feit;
die der equivalentie niet: zij is ontmoeting van het empirische in het
wezenlijke ; het empirische behoeft vóór dien niet één geweest te zijn.
Is deze equivalentie niet willekeurig samenvoegen ? Niemand kan
immers weten, welk vele één is ? Hierop is te antwoorden : het ééne
vele wordt niet door ons tot stand gebracht, slechts gewijzigd. Wille-
keur is er in het vele ééne evenmin als het onderscheidene willekeur
i s : aan geen van beide kan worden toegedaan of afgedaan.
Het zooveel-zijn van het tot eenheid gebrachte menigvuldige is
niet slechts het genegeerde, maar ook het negatieve, on-begrijpelijke.
W a t L o b e c k ergens over den rijkdom van varianten van het
Grieksch zegt, beteekent meer dan beeldspraak, die voor exacter be-
grijpen zou moeten plaats maken: ,,als wij vragen, met welke bedoe-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1930
Publicaties VU-geschiedenis | 310 Pagina's