Gewoon of tóch bijzonder. EMGO-instituut 1987-1997. - pagina 167
163
Toen ontstond het begin van de discussie over wat onderzoek in de eerste lijn
dan was. Hoewel op bestuurlijke en intellectuele gronden wel kon worden
ingestemd met het beleid van de minister, ontstond bij de specialisten van de
medische faculteit een gevoel van bedreiging. Eerst wordt de kwaliteit van ons
wetenschappelijk onderzoek te gering geacht en nu worden we nog dieper in de
kuil gegooid, want de eerste lijn stelt qua onderzoekspotentieel niets voor. Dit
zorgde voor een grote spanning binnenshuis. Als er geen kwaliteit mogelijk is
dan ben je helemaal in de aap gelogeerd.
Ook de medische wereld stond met open mond te kijken, een onderzoeks-
programma opbouwen binnen de eerste lijn, als de VU dit ging doen binnen de
huisartsgeneeskunde stelde dat toch helemaal niets voor! Men lachte zich rot.
Was dit beeld conform de werkelijkheid? Als bestuurder was dit voor Brinkman
de vraag.
Een twistgesprek op het departement:
wat is extramurale geneeskunde?
Door gesprekken links en rechts probeert Brinkman zich een beeld te vormen
van de huisartsgeneeskundige identiteit. Twee zaken zijn hem daarbij opgevallen.
Allereerst vond Brinkman de identiteit van de medische faculteit weten-
schappelijk gezien zeer merkwaardig. Specialismen, vakgroepen en disciplines
hebben hun wortel in delen van het menselijk lichaam. Dat delen van het
menselijk lichaam de structuur van het zorgsysteem bepalen, is erg logisch, maar
dat de structuur van het kennissysteem hierdoor wordt bepaald, vindt Brinkman
niet erg plausibel. Als vervolgens binnen dit systeem geanalyseerd wordt wat de
identiteit van de huisarts is, dan blijkt deze wel een eigen identiteit te hebben in
het zorgsysteem, maar niet in het kennissysteem. Ze hebben geen 'eigen
lichaamsdeel'. Als Brinkman vervolgens aan personen binnen de huisarts-
geneeskunde de vraag voorlegde: 'Hoe moet men de huisartsgeneeskunde
wetenschapsfilosofisch en methodologisch typeren?', dan kreeg hij een
eenvoudig, maar verrassend antwoord. Brinkman veert op bij de gedachte aan
het antwoord dat hij toen kreeg: 'Wij zijn er nog niet, wij moeten er nog komen.
Maar je hebt je ervaringen als medicus en die registreer je met zorg, daar denk
je over na, en zo kom je aan wetenschap'.
'Toen viel ik van mijn stoel, zo komt niemand aan wetenschap'
Er is kennelijk sprake van een methodologisch nul-niveau, was de conclusie
van Brinkman, en hij zag ook duidelijk dat de valkuil die de medische faculteit
vreesde zeer reëel aanwezig was. Ondertussen waren Feenstra en Elzinga inter-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 270 Pagina's