Gewoon of tóch bijzonder. EMGO-instituut 1987-1997. - pagina 38
36
prof.dr. G. Elzinga, berustten de reacties van de hoogleraren Huisarts-
geneeskunde en de naar aanleiding daarvan gestelde kamervragen op 'een
eenzijdige voorlichting over de gang van zaken'. Volgens hem bestaat er al bijna
2 jaar overeenstemming over de besteding van het geld: het versterken van
epidemiologie, huisartsgeneeskunde en gerontologie.
Een verdere weerslag van de landelijke discussie kan worden teruggevonden
in de jaargang 1986 van Medisch Contact. De directe aanleiding tot de aldaar
gevoerde publieke briefwisseling was een artikel dat, op verzoek van de redactie
van Medisch Contact, door prof.dr. G. Elzinga, de voorzitter van de BAC-
STOEG, was geschreven en dat verscheen in het nummer van 21 februari
(Elzinga G. Extramuraal geneeskundig onderzoek aan de Vrije Universiteit: de
ontwikkeling van een onderontwikkeld wetenschapsgebied. Medisch Contact
1986;41:229-232). In dit artikel wordt, naast een beschrijving van de wijze waarop
de VU invulling wil gaan geven aan het versterken van het wetenschappelijk
onderzoek in de extramurale geneeskunde, benadrukt dat ook in het extramuraal
geneeskundig onderzoek de uitgangspunten van het zogenaamde zuiver
wetenschappelijk onderzoek ('de wetenschap omwille van de wetenschap') een
plaats moeten hebben. Volgens Elzinga zou een beperking tot alleen
toepassingsgericht onderzoek uiteindelijk tot ongewenste verschraling leiden. Het
was vooral dit pleidooi, en het ontbreken van de termen 'huisarts' en
'huisartsgeneeskunde' (Elzinga gebruikte 'extramuraal' en 'eerste lijn'), dat
aanleiding gaf tot geïrriteerde reacties. Men kreeg de indruk dat aan de VU te
weinig waarde werd gehecht aan onderzoeksvragen die afkomstig zijn uit de
huisartspraktijk zelf, en dat de specifieke problemen bij het opzetten en
uitvoeren van onderzoek in de huisartspraktijk onvoldoende onderkend werden
(zie Medisch Contact van 28 maart 1986, pagina's 390 en 399-402: reacties van
onder andere prof.dr. H.F.J.M. Crebolder, toen overigens nog geen hoogleraar,
en prof.dr. W. Brouwer).
Uit een brief van de minister van Onderwijs en Wetenschappen aan het
College van bestuur van de VU, gedateerd 8 september 1986, blijkt dat men zich
ook in Den Haag enige zorgen ging maken:
'Uw plan om te komen tot een facultair centrum voor extramuraal
geneeskundig onderzoek heeft mijn instemming. Dit centrum kan naar
mijn mening een belangrijke bijdrage leveren aan een verdere profilering
van uw medische faculteit als zwaartepunt voor extramurale gezondheids-
zorg. Ook de door u voorgesteld accentuering van zogenaamd interventie-
onderzoek, gericht op het ontwikkelen van protocollen voor medisch
handelen, lijkt mij een goede zaak, hoewel ik hierbij meteen opmerk dat
extramuraal geneeskundig onderzoek meer omvat dan het door u beoogde
type onderzoek. Ik denk dan vooral aan huisartsgeneeskundig,
epidemiologisch en sociaal-geneeskundig onderzoek. Dit laatste brengt mij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 270 Pagina's