Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De ethiek in de gereformeerde theologie - pagina 46

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De ethiek in de gereformeerde theologie - pagina 46

Rede bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit te Amsterdam

2 minuten leestijd

44 zich

over

voorzichtig

de determinatie van den wil door het intellect wel zeer uit, — het

is

geen

geloofspunt en er is geen

dogma

over in de Gereformeerde Kerk, vroeger heeft hij zelf voor de cjuaestie gestaan, — maar hij eindigt dan toch met de vraag naar het primaat van het intellect in bevestigenden zin te beantwoorden. Bij hem vindt men dan ook een gansch andere beschouwing over het wezen der Theologie dan bij AMESIUS.

Wel legt hij bijzonderen nadruk

op het practisch karakter der Godgeleerdheid, doch zij is hem toch meer dan

een

,,doctrina

bene vivendi".

Zeker, geen deel der Theologie

komt tot zijn recht, quae non practice tractetur, hoc est applicate ad praxin resipiscentiae, fidei, spei, caritatis.

In dien zin kan de gansche

godgeleerdheid dan ook Theologia practica heeten i).

Maar daarmee

doet hij echter volstrekt niet te kort aan het karakter der Theologie als scientia rerum divinarum.. Deze Theologie toch heeft ook voor hem twee deelen en haar eerste deel handelt ook bij hem de fide, doch deze fides is niet gelijk bij RAMUS en de puriteinsche theologen subjectief bedoeld, want VOETIUS zegt hier: „de fide seu dt dogmatis fidei" en spreekt ten overvloede vier regels verder van loei theologiae qui ,,ad fidem et credenda" pertinent. Hiermee zijn wij dus met de Theologie weer o\) die goede lijn gebracht waarop wij haar vonden bij POLANUS, en is het objectief karakter als ,,fides quae creditur" teruggekeerd.

Uat men in VÜETIUS' school dan

ook voortaan van een Theologia theoretica-practica spreekt -) bedoelt naast het beschouwende of speculatieve karakter der Theologie ook haar practicale zijde te doen uitkomen.

Dit is wat VOETIUS bedoelt met:

Theologia practica late accepta notare potest omnem Theologiam.

In

enger zin meent hij en zijn school dan met Theologia practica de moraal en de ascetiek. Feitelijk dus krijgen wij hier weer de credenda en facienda van PoLANus terug en, wat voor de ethiek in de Gereformeerde Theologie zoo kenmeikend is, deze facienda afgeleid uit den decaloog.

Hiermede

hebben wij dan ook bij VOETIUS de scherpe en juiste afscheiding tusschen dogmatiek en ethiek. Hij toch schrijft: „Theologia ])ractica stricte accepta

1) Disp. Select., III, p. t. 2) B. V. P e t r u s v a n M a s t r i c h t als titel van zijn bekend werlc; zie beueden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 20 oktober 1897

Rectorale redes | 92 Pagina's

De ethiek in de gereformeerde theologie - pagina 46

Bekijk de hele uitgave van woensdag 20 oktober 1897

Rectorale redes | 92 Pagina's