De ethiek in de gereformeerde theologie - pagina 43
Rede bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit te Amsterdam
41 In de tweede plaats heeft VOETIUS, na dus aan de ethiek eens en voorgoed een plaats in het academisch onderwijs als afzonderlijk leervak te hebben verzekerd, haar, zooals èn uit de D i s p u t a t i o n e s
S e l e c t a e voor de
Theologia moralis èn uit de E x e r c i t i a Pietat-is voor de Theologia ascetica blijkt, ook materieel op een wijze behandeld als na hem nooit is geschied. Men behoeft met name het 3de en 4de deel der Disputationes slechts in té • zien, om te leeren hoe op schier alle quaesties uit zijn dagen van practische ethiek daar een antwoord is te vinden, en alle bewering, dat de decaloog zich niet leent als schema eener plichtenleer, wordt daardoor dan ook volkomen gelogenstraft.
En wat zijn E x e r c i t i a
P i e t a t i s betreft, deze ascetiek
beantwoordt aan den eisch dit leervak ook thans weer gesteld, om ,,het kind van God te leeren zich te beter tegen Satan, tegen de wereld en zijn eigen vleesch te wapenen en meer in de Tente des Heeren te verkeeren" i). In de derde en laatste
plaats acht ik daarom met VOETIUS het
hoogtepunt der ethiek in de Gereformeerde Theologie bereikt, omdat hij, hoe ook verwant aan de Puriteinen, toch de gevaren die in hun richting staken heeft doorzien en overwonnen en daardoor juist de beoefening der ethiek weer in zuiverder banen heeft geleid. Die gevaren heb ik u straks genoemd. Zij zijn: hun nomisme; hun niet genoeg onderscheiden tusschen het voorbijgaand nationale en het blijvend menschelijke in Israels wetgeving en eindelijk hun stellen van het primaat van den wil op het voetspoor van RAMUS.
dit
Wat nu het eerste betreft, het nomisme, dan heeft ook VOETIUS
wel doorzien.
De tegenstanders noemden dit de „precijsheyt" der
Puriteinen, men verweet dit ten onzent reeds aan TEELLINCK.
Welnu,
VOETIUS heeft dit verwijt onder de oogen gezien en er een afzonderlijke disputatie „de praecisitate" aan gewijd '-), terwijl hij hetzelfde onderwerp in een meditatie en ook in zijn praefatie voor TEELLINCK'S werken, twaalf jaar vroeger had behandeld.
Vergun mij het desbetreffende stuk uit de
praefatie, in het kort, mede te deelen. „Soo men een Pharisaische, vleeschelyke ende superstitieuse strengichheyt of precijsheyt verstaet, die wil ick in niemand ter wereld verschoonen, gelijck ick mijn gevoelen van soodanighe vijsheyt ende precijsheyt rondelick verklaert hebbe in seecker miditatie over Jacobi 2 : 12 (Spreekt alzooen
1) Enoyclop. der Heilige Godg., Ill, p. 43ö. 2) Disp. Select., III, p. 59.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 20 oktober 1897
Rectorale redes | 92 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 20 oktober 1897
Rectorale redes | 92 Pagina's