De ethiek in de gereformeerde theologie - pagina 36
Rede bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit te Amsterdam
34 \ \
honestus te ontzeggen, miskent men — en dat is het kenmerkende in de puriteinsche richting — de werking der ,,gemeene gratie", verliest de continuïteit van het ethische leven en komt in strijd met het ook door de Heidenen „van nature de dingen doen die der wet zijn", waarvan de Schrift spreekt ^). Dit „doen" toch wijst er op, dat ook in wat buiten de wedergeboorte staat zedelijke beseften
in het bewustzijn aanwezig"
zijn, die juist door de gemeene gratie voor algeheelc uitslijting
zijn
bewaard. En
verder,
al
kan
ik met AMESIUS en .tegenover KECICERMANN voor
den Calvinist niet anders dan een christelijk „begründete" ethiek wenschen, toch moet ik weer hierin met onzen puriteinschen ethicus verschillen, (lat hij aan de ethiek van het onwedergeboren hart alle waarde ontzegt. Sedert SOCRATES er in de Grieksche wereld den weg toe gebaand heeft tot op onze dagen bestaat er een vóór- en een anti-Christelijke ethiek. Een ethiek gedeeltelijk
opgebouwd uit de ethische beseffen die de gemeene
gratie in de on wedergeboren en l i e t , beseffen, missend het morgenlicht der bijzondere genade, en daarom vaak verduisterd, maar desniettemin, voor zoover er het Goddelijk'e uit spreekt, toch waar, toch goed.
Noem nu,
die ethiek, op de wijze van v. HARTMANN, maar dan juist in omgekeerden zin als hij, de ethiek van ,,das pseudomoralische Bewusstsein" en daartegen die welke theonooni op het ,,Moral-princip des göttlichen Willens" en dezen wil als geopenbaard in de Schrift berust, de ethiek van „das achte sittliche Bewusstsein", ook dan nog blijft de Calvinist in de pseudo-ethiek een element van waarheid zien en wel, dat het ,,zich zelven eene wet zijn", dat hij er zoo duidelijk in herkent, de door God ingeschapen zedewet is, wier blijven in het menschelijk
bewustzijn vrucht is van Gods genade.
Met dat al
is AMESIUS' arbeid voor de theologische ethiek van beteekenis geweest, wijl hij haar onder de academische leervakken ten onzent, althans in Franeker sedert 1622, het eerst een plaats wist te verschaffen. 2^ T o t n o g t o e was dit niet geschied en werd de ethiek voor zoover er van beoefening sprake was en de controvers niet allen tijd in beslag nam, behandeld i bij de exegese of de dogmatiek. Tusschen de dogmatiek door vinden wij
1) Rom. II, u . 2) Men vergelijke ook hiervoor zijn „Parnenesis ad Studiosos Tlieologiae" van 22 ^ag, 1623, afgedrukt achter zijn „De Conscientia",
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 20 oktober 1897
Rectorale redes | 92 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 20 oktober 1897
Rectorale redes | 92 Pagina's