Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

KUYPER-BIBLIOGRAFIE.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KUYPER-BIBLIOGRAFIE.

8 minuten leestijd

door J. C. RULLMANN.

XIX.

19. „Het Beroep op het Volksgeweten". Rede lier opening van dé Algemeene Vergadering der „Veresniging voor Christelijk Nationaal Schoolcnderwijs", gehouden te Utreöht, den ISden Moi 1869. Anisterdam, B. H. Blankenijelrg Jr, , 1869.

Dr Kuyp'er heeft zich Mj het opgeven van datums meeJ^alen vergist. Maar één dagcijfer heelt hij steeds goed onthouden. Het was 18 Mei 1869, de datum, waarop hij in de Domkerk te Utrecht deze opwekkende rede hield.

En waarom bleef die avond hem zoo onvergetelijk?

Hoor hem zelf. „Dit duurde tot 18 Mei 1869, toen ik in de oonsistorieikamer van de Domkerk te Utrecht, op leen mij onvergetelijlkien avond, voor het eeTst den m^an ontmoette, die door zijn vasten blik, door zijn ernstig woord mij' terstond zóó machtig aangreep en imponeerde, dat ik van die ure af zijn geestverwant, neen meer, zijn geesteskind ben geworden." (Gedenkboek, 1897, bl. 71. Zie ook: Bedoeld noch gezegd, bl. 25.)

Groen van Prinsterér was toen reeds een grijsaard, en zijn gezondheid wankelende. Eerevoorzilter der vereeniging voor C.N. S., had hij het vorig jaar de Algemiéene Vergadering te Arnhem niet kunnen bijwonen. Maar ditm'aal had hij toegegeven aan den welvrtllenden aandrang der leden van de Hoofdcommissie, om: heit voorzitterschap' der vergadering op zich te nemen; wamt deze bijleenkcimst droog dit jaar een geheel exceptioneel karakter, aangezien m'en samenkwam; even vóór de verkiezingen, w, aarbij de kwestie van het onderwijs op' den voorgrond stond.

De Hoofdcommissie, wenschende, in dit ernstig tijdsgewricht, .aan het eonstateeren van eensgezindheid bevorderlijk te zijn, stelde aan de algemeene vergadering voor, te verklaren: vocxreerst, dat, ter eerlijke nalevkijg van de wet van 1857, in den zin en geest waarin ze tot stand kwam, wijziging van art. 23, 24 en 33 vereischt werd, en ten anderen, dat aan eiken meer afdoenden waarborg van gewetensvrijheid, wijziging van art. 194 der Grondwet zou moeten voora%aan.

Dit praeadvies der Hoofdcommissie was de wederopneming van een, sedert Juni 1866, bijkans in vergetelheid geraakt prograni.

Achtereenvolgens verschenen nu van Groens hand een tiental vlugschriften onder den titel: Zelfstandigheid herwonnen of P.arlemeutair Cijfer i& n Zedelijke V.olkskrach"-I--X. Februari—Juli 1869.

De hoiofdstrekking dezer geschriften was het herwinnen van de zelfstandigheid der Antirevolutionaire partij uit de doodelijke omarming van het conservatisme, door, ditmaal althans, bij de stemibus van 1869, de schoolkwiestle uit het slijk der politieke combi natiën., en speculatiën wederom op te heöen tot levensvraag, tot c O' n s c i e n t i e - vraag van het Nederlandsche volk.

Reeds op 30 November 1855 had Groen Van Prinsterér in de Tweede Kamer weerstand geboden tegen het hoofdbeginsel der onderwijswet: „Volksopvoeding waarbij de Christelijke waarheid als kerkelijk leerbegrip ter zijde gesteld wordt". , Hieritegicnponeerde Groen toen de stelling: „Het Christendom uit de volksopvoeding te weren, strijdt tegen .het verlangen der N, atie". En aan het einde van zijn betoog verklaarde hij': „Hetgeen wij hier gewetenshalve belijden, vindt weerIdank, niet in de driften der bevolkirig, niet in eene voorbijgaande opgewondeAeid, maar in 'de zelfljewustheid, in de ooms oientie, in het Christelijk geweten van het Nederlandsche Volk". (Adviezen, Tweede Deel, 1857, bldz. 133.)

Eindelijk, ook toen elke kans op' overwinnen was" weggevallen, op 9 en 10 Juli 1857, sprajc hij nog: „Uwe organisatie van het openbare schoolwezen is met de Schriften en het recht van alle gezindten, met het geloof der natie, met het volksgewelen, in strijd. Uwe. Volksschool neemt, met het Kruis, het Christendom weg. Vereenig Jood en Christen op ééne vO'Iksschool, zoodat gij ter wegneming van het kenmerkend-christelijke verplicht zijt, en geef dan aan die onchristelijke schoolgemeenschap den Christeüjken titel, dit noem ik heiligschennis. Uwe Christelijke lens is een onzedelijk woordenspel, dat ontheiliging door heiligschennis verbloemt". (Open Brief, 1857, blz. 6.)

De Minister van Justitie, Mr Van der Brugghen, daarop repliceerende, zeide tOien: „En nu vraag ik aan den heer Groen, of dit alles, wat ik opgenoemd heb, heiligschennis is: ol dit all'es is verloochening van 'hel kruis v: an Christus? Ik Iaat het ov^r aan zijir geweten, en aan het gewetten van het N e der 1 and s oh ie volk, om op die vraag hel antwoord te geven". (Adviezen, Tweede Deel, 1857, bl. 276*.)

Hiertegen schreef Groen: „De 'kleine minderheid zal, naarmate natuur en stxefcking der Wet duidelijker wo'rdt, met des te meer vrucht zich beroepen op de Chris'telijike conscientie, zC'Owel van den Minisier van Justitie als van het Nederlandsche Volk. Een beroep op de Christelijke conscientie van het Volk. Het zal blijken, dat 'een wet, zonder Bijbel en bepaald

teerbegrip, waar de naam van Christus, öf niet •èf althans niet als de eenige Naam, waardoor wij .zalig moeten worden, mag worden genoemd, geen wei is waarbij de Natie, indien het v O' 1 k s g e - •weten ontwaakt, rust heeft-(Over het. Ontwerp van wet op het L.O. bldz. 206—208.)

Sedert zag Groen verlangend naar de ontwaking van het geweten der Christelijke bevolking uit.

En nu, in 1869, vlak voor de Kamerverkiezingeir, was er onder zijn vlugschriften ook een, getiteld: Ons School wet-program, gericht aan de Halpversenigingen van C. N. S., en gedateerd 5 April 1869, waarin hij op hldz. 29 vroeg: ., Zal dan een beroep op rechitsgevoel en w.aaxh€i.dszin, zal dan het ontwakend volksgleweten, O'mdat , het zich, m'et plicïhtmatige nauwgezetheid, van pi. wat naar dreigement zweemt, onthoudt, nooit Icrachsig genoieg zijn om' de wegneminig te verkrijgen van een {tegen de Christelijke opvoeding van het meeren-•deel der Natie gelegden slagboom! .-... Vergeet niel, dat er nog een Christelijk geweten leeft in uw volk."

En mei instemming nam hij uit De Hoiop des Vaderlands van 3 Maa^t 1869 de woorden over: „Velen verkeeren in den waan, dat er i van onze zijde nog niets hoegenaamd ter schooiwetsherziening is geformuleerd, ja, dat we zeker • aietwicten wat we willen. Hieraan moet een eind^i komen: e^en eerste stap daartoe zal zijn, dat alle Christelijke bladen en op' hun voetspoor alle Hulpveneenigingen het drieledig voorstel, ook als voorbereiding ter herziening van art. 194, aan de orde ; stellen, 't allen belangstellenden ter bestudeering en iter populariseering aanbevelen. We hebben dan •een punt, waarom wij alle krachten kunnen ver-•eenigen, ook een steunpunt voor eene co.nt].'.a-•ilemonslratie tegen het Nut. Vooral de Hulpverciemgingen kunnen hier onberekenbaar veel goeds doen, zij moeten de zaak onder 't volk, kiezers en niet-kiezers, brengen. Niet op ministers moe­ . ten we onze verwachting bouwen, Oiuze kracht ligt in den volksgeest, in 't volksgeweten".

Dit citaat ontleende Groen aan hetzelfde nummer van De Hoop' des Vadterlands, waarin Dr Kuyper z'n artikel „Aan dèn interpellant in het Voiksblad" had geschrieven. En ook uit dat artikel van Dt K'. citeerde Groen in Ons Schoolwetprogram, bl. 35, de ons reeds bekende woorden: „Verwonderlijk üs 't niet, dat er onzerzijds zoo kra.clrtig, maar dat er niet nog veel krachtiger tegen de openbare school, gelijk ze thans is, wordt te velde getrokken. En daarover schaam' ik mij; niet over on^en s t r ij d tegen de s o h o o 1 w e t, maar over de zondige lauwheid des go-; l-oofs, die ook daarin weör openbaar werd."

Groen beaamt deize „zielekreet" van Dr Kuyper, en schrijft dan: „Wanneer bij ons, evangelie-be-' lijders, ook bij' de ijverigsten, dit schuldbesef algemeen, Avanneer het populair wordt, 'Omdat men zelf, in dje gemoedssteniming, met Dr Kuyper [zie de voorrede op, zijn Nutsbeweging] „niet aan toevallige cjorabinatiën, maar alleen aan de onverwinbare kracht van het volksgeweten, de zegepnaal vraagt der zaak, die men op : het hart draaigt", dan zal , m!en ervaren, dat de ; Christelijk-Historisehe riohtang, mleer dan ; het ongeloof onderstelt, vermag. Siomtijds is onz< ; richting sterk. Omdat ook met deti geringste, de-. zelfde grondslag van zieleVrede en dezelfde idrijf-' veer van plichtsbetrachting oins verbindt. Onadat halg«en wij gewetenshalve belijden, weeirklank vindt, niet in de driften der bevolking, niet in een voorbijgaande opgewondenheid, maar in de zelfbewustheid, in de conscientie, in het Ch'ristelij'k geweten van het Nederlandsche volk." 1

Hier herhaalde Groen zijn eigen woorden uit de Tweede Kamer in 1855, doch nu toegelicht met citaten uit geschriften van Dr Kuyper.

Deze was dan nu o.ok wel de aangewezen predikant om als pastor loei te Utrecht dö Openingsrede voor de Algerriieene Vergadering te houden.

Maar ook kon hij wel geien rede houden, die nu m.eer up to date, en meer in den geest van Groen was, dan eene over „het beroep op het V o 1 k s g e w e t e n ".

En het is ons, als zagen we 'de tinteling in Groens oog, aanstonds reeds toen Dr Kuyper zijn rede begon 'miet deze woorden: „Zichtbaar wint bij de miamien onzer richling de overtuiging veld, dat in het berojep op het volksgeweten de kracht van ons streven ligt."

Deze rede was als 't ware de echioi pp Groens voeljarig'roepen.

Hier zag Groen nu op den kansel den m^an S'taan, die, beter dan hij zelf dit vermioöht, het klavier der volksoons cientie zou bespelen.

En wij kunnen ons voorstellen en indenken, welke blikkten, en welke woiorden, er straks in de consistoriekamer van de Domkerk, tusschen die twee gewisseld zijn.

Gelijk Da Coista, na jaren, op zijn hoofd de zegenende hand van Bilderdijk nog voelde als een zalving, een wijding, een roeping; als de zalving v, ; mden jeugdigen David door den Gods'mia.n Samuel tot koning — zóó bleef de indruk van dez'e eerste kennismaking mei Groen van Prin&amp; terer in de ziel van Dr Kuyper onuilwischbaar.

En Groien zelf zinspeelde, fco^nt na deze ontm, '> -3ting, in de Nederlandsche Gedachten van 1 September, 1869, voor h!et eerst openlijk op Dr Kuyper als den toe^!^m|i|igeji i.ei.der der Antirevolutionaire partij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1922

De Reformatie | 8 Pagina's

KUYPER-BIBLIOGRAFIE.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1922

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken