Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

De Vereeniglng van 1892.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Vereeniglng van 1892.

6 minuten leestijd

VII.

(De bronnen. D.)

B. Dr Kuyp©r en de Scheiding. (3)

De derde of laatste grief van Ds Jongeleen bestaat hierin, dat Dr Kuyper ongunstig oordeelde niet alleen over de scheiding, maar ook over de personen, die met de afscheiding waren meegegaan. Om dit te bewijzen geeft hij het volgende citaat van Dr Kuyper: „En als men ons nu in oprechtheid voor het aangezicht des Heeren vraagt, wie er uit onzen levenskring alzoo naar de Kerk der gescheidenen zijn overgegaan en wie terugbleven, metterdaad, dan zouden wij tegen beter in moeten spreken, indien wij zeiden, dat wie uittraden, juist de teederste en best onderleide kinderen Godsi waren. Integendeel juist die vromen en di© dieper leefden bleven terug, en bij hen die gingen, viel niet zelden iets uitwendigs., iets oppervlakkigs, iets min teeders op te merken, waardoor hun uittreden nooit een sprake tot anderer conscientie wierd." i)

Nu vermeldt Ds Jongeleen niet, waar hij dit citaat gevonden heeft. Merkwaardigerwijze" is het precies hetzelfde — zelfs geen woord of letter meer of minder — dat ook Prof. P. J. M. d© Bruin heeft overgenomen 2). Dit wekt het vermoeden, dat Ds Jongeleen het niet rechtstreeks bij Dr Kuyper heeft nageslagen, maar het tweede of derde hands aan anderen ontleend.

Indien hij echter deze woorden in de Hjeraut van 30 November 1884 in hun verband gelezen had, zou hij er wel wat voorzichtiger mee geweest zijn. Dr Kuyper laat n.l. eerst deze verklaring er aan vooraf gaan: „En nu ligt niets verder van ons, dan dat we onze gescheiden broeders geestehjfc zouden willen veroordeelen. Die hen èn ons oar-. deelen zal is de Heer." Voorts maakt Dr Kujper hetzelfde onderscheid tusschen succes en zegen, als onlangs ook in dit blad gedaan werd. En dan heeft Dr Kuyper het niet over de vaders der scbedding, ook niet over de afgescheidenen in 't algemeen, maar — zooals ook al het citaat van Disi Jongeleen zélf duidelijk zegt — over hen di© uit de Hervormde Kerk naar de ChristeMjfce Gereformeerde overgingen, en nog nader — zooals uit het vervolg blijkt — over degenen die in de laatste tien jaren overgingen. „De „bidders", de „vaders in Christus", om het kort te zeggen', zagen wij in de laatste tien jaren niet uitgaan(; en die uitgingen, hoorden, op enkele uitzonderingen na, meer tot de uitwendigen."

En willen wij Dr Kuyp& r hierin gebeel recht doen, dan moeten wij ook hooien^ welken maatstal hij aanlegde, alvorens hij tot dit oordeel kwam. Volgens "hem komt het ook bij het stuk der re^ormatie er vóór alles op aan, oï men recht voor God staat. „En recht voor God wil in deze zaak zeggen, of men het verval van den kerkstaat voelt en belijdt als een oordeel Gods, dat om de zonde van zijn volk over ons kwam. Voorts of men naar beteren kerkstaat dorst, niet uit het ingebeelde besef, dat anderen het mis lieten loopen, en dat wij het nu eens beteren zullen, maar uit den drang der ziele, dat het om Gods wil zoo niet langer mag. En eindelijk, of men inziet en er naar handelt, dat die reformatie komen moet, niet doordien wij er ons voor in het zweet zetten, maar dat ze alleen komen kan en zal, indien het God den Heere belieft, ze ons op onze stille verootmoediging, als gift zijner genade te schenken. En lesggen wij dien zuiveren maatstaf nu aan^, neen, dan mogen wij niet onoprecht zijn, maar dan is het niet waar te maken, dat juist de uitgetredenen uit onzen kring de diepst verootmoedigden waren, dat juist hun de schuld des volks voor God bet zwaarst op de ziele wooig, en dat zij het. rqeer dan anderen om den „Name des Heeren" niet langer konden dragen."

Ook al laten wij op dit oogenblik deze beoordeeling geheel voor rekening van DT Kuype-r, dan kunnen we nochtans uitspreken, dat Ds Jongeleen aan diens woorden een inhoud en een strekkinigi heeft gegeven, die ze bij Dr Kuyper volstrekt niet hadden.

Trouwens, dat deze niet zoo ongunstig over de afgescheidenen oordeelde, blijkt o.a. ook uit dit feit, dat hij al in 1873 hun offervaardigheid aan ^ijn kerkgenooten ten voorbeeld stelde en met breede becijferingen berekende, wat in de Hervormde Kerk al niet tot stand zou kunnen komen^ indien daar met dezelfde milddadigheid als in de Christelijke Gereformeerde Kerk gegeven werd.

„Onderstel dit nu eens, neem aan, dat de offeor-5 vaardigheid, de kracht van het Kerkelijk leven bij ' de Hervormden mee door deze betere kerkinrichting den ijver der Christelijke Gereformeerden hier ter stede kwam te evenaren, zie dan eens, wat we konden doen."*)

Alleen de ironie is, dat wat Ds Jongeleen aan Dr Kuyper in den mond leggen wil, eenmaal door iemand uit zijn eigen kerk is gezegd. De heer J. H]. "Wessels, destijds Christelijk Grereformeerd ouderling te Utrecht, die op last van de Synode der Chr. Geref. Kerk van 1894 een boekje over de kerke»lijk© gebeurtenissen der juist voorbijgegane jaren gaf*), zegt niet slechts van degenen die overgegaan waren, maar van de gansche afgescheiden kerk: „Oïiïkéhd kan het niet worden, dat het volk der scheiding, vooral in de laatste jaren voor 1886 baar legering scheen vergeten te zijn en afgeweken van den weg waarop de vaderen eertijds hadden gewandeld. Van dat volk moest toen waarlijk wel gezegd worden: „Zij deden den lande geen© behoudenis aan en de inwoners vielen niet neder." Hadden zij in alles het pad des rechtvaardigen bewandeld, wie weet of er in 1886 wel een reformatie tegenover hen zou gekoinen zijn."")|

Nu versta men mij goed. Ik laat ook dit oordeel geheel voor rekening van den man, die het heeift geschreven. Maar als Ds Jongeleen bijna een halve eeuw later nog in verzet komt over ©en oordeel van Dr Kuyper, dat slechts een bepaald aantal personen, die tot de afgescheiden kerk overgingen, betrof; dan behoort hij ook zijn protest , t© laten hooren tegen één der vroegere meest-' vooraanstaande Chr. Geref. ouderlingen, die over den geestelijken toestand der gansche afgescheiden kerk een veroordeelend vermis streek.


1) t. a. p. 12. De enkele onnauwkeurigheden, die door Ds Jongeleen bij het overschrijven zijn gemaakt, zijn door mij naar het oorspronkelijke verbeterd.

2) Het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk, 24.

3) Coniidentie 89, en verder 85—90.

4) Deze mededeelingen over den heer Wessels vond ik in de Chr. Geref. Kerkbode voor Groningen etc. van 26 Januari 1932.

5) Eenige beschouwingen omtrent den kerkelijken toestand van en na 1892, 55—56.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 augustus 1933

De Reformatie | 4 Pagina's

De Vereeniglng van 1892.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 augustus 1933

De Reformatie | 4 Pagina's

PDF Bekijken