Van een deftig orgel, fraaye muziek, ende diverse loffelicke saecken.
Het „deftige orgel", waarvan sprake is in de titel, staat in de Ned. Hervormde Kerk te Maassluis. Niet lang geleden is de tweehonderdste verjaardag van dat prachtinstrument gevierd.
Op zichzelf zou er al reden genoeg zijn om in een muzikale kroniek dit feit te memoreeren, maar nu de geschiedenis van dit orgel, èn van de „kloeke orgelisten" die en voorzoover ze het bespeeld hebben, is bestudeerd, en vastgelegd in druk, nu is het een extra genoegen terug te komen op de herdenking van Govert van Wijns kostbare schenking.
Sedert 4 December 1732, de datum van de eerste godsdienstoefening met begeleiding van het nieuwe orgel, hebben heel wat organistenhanden en - voeten de drie manualen en het pedaal bespeeld. Het volledige lijstje van de officiëele functionarissen is opgenomen in de merkwaardige uitgave die de kennis betreffende dit instrument en zijn bespelers ook in de toekomst kan bevorderen, en dat de titel draagt: „Van een deftig orgel".
Toen ik de interessante beschrijving las, dacht ik met dankbaarheid aan de vriendelijke uitnoodiging van den tegenwoordigen bespeler, den heer Wi. Oranje, bekend door zijn „Twintig Koraalvoorspelen", om hem „op" zijn orgel een bezoek te brengen.
Nog aardiger werd de lectuur van het door Jan Zwart geschreven boekje, nu ik het Maassluissche werk niet slechts kende „van hooren zeggen", doch eveneens „van hooren spelen".
De eeuwenoude geschiedenis van zoo'n antiek orgelwerk geeft een zekere sfeer, zoodat men bij het bespelen als vanzelf moet denken aan hetgeen er zich wel met en bij het orgel moet „afgespeeld" hebben.
Het merkwaardige in het door de Maassluissche Boekhandel uitgegeven boekje „Van een deftig Orgel" is nu, dat de schrijver tegelijk mèt de plaatselijke orgelhistorie verschillende aardige dingen memoreert die van groot belang zijn voor de kennis van het orgelspel in vroeger tijd.
Daarom raad ik alle orgel-liefhebbers aan, de gezellig geschreven historie van dit instrument en zijn bespelers, te lezen, en zoo hun kennis te verrijken met meer dan Maassluissche orgelgeschiedenis.
Daar „orgel"-geschiedenis tevens een stuk „muziek"-gescuiedenis is, en het orgel steeds een bijzondere plaats ingenomen heeft, vinden alle lezers van de muzikale kroniek in „Van een deftig Orgel" iets van hun gading.
Enkele weken geleden hoorde ik door de radio den heer W^ Oranje dit tweehonderdjarig instrument bespelen na een kerkdienst. De luisteraars konden toen meteen hooren, hoe de componist zijn „20 Koraalvoorspelen" wil uitgevoerd hebben; de ruime keuze die hij er uit deed, gaf tenminste wel een indruk daarvan. Nu ik toch de lof van het Maassluissche orgel en zijn beschrijving zing, wil ik van de gelegenheid gebruik maken op deze composities (uitgave Lichtenauer, Rotterdam) te wijzen. Minder geschikt in 't algemeen als voorspelen in de dienst, zijn ze voor programma's, waar plaats is voor wat „kleingoed" zeer bruikbaar ... mits niet per dozijn geleverd.
We leven in een tijd, waarin de belangstelling voor degelijk orgelspel groeit, en die belangstelling blijkt reeds op allerlei wijze uit daden. Een ervan is de spontane huldiging van Jan Zwart bij zijn 40-jarig jubileum, waarover in deze rubriek reeds geschreven werd. Bij een zóó uit drang van geestverwantschap gevierde herdenking van levenswerk mag ter onderscheiding van de ontelbare volgens eenheidspatroon gefabriceerde jubilea waarmee gecoquetteerd wordt, wel een streepje aan de balk! Onder de bezoekers van Jan Zwarts concerten, en onder zijn leerlingen hebben zich de Gereformeerden niet onbetuigd gelaten. Hoe zou het ook kunnen? Over het artistieke gehalte van Jan Zwai'ts produceerende en reproduceerende prestaties is het mogelijk verschillend te oordeelen, maar zonder uitzondering zal ieder moeten toestemmen, dat hij de belangstelling voor koraal en geestelijk lied heeft weten te her-wekken en te boeien. Ook heeft Jan Zwart in zijn propaganda door klavier en pen zich niet geschaamd, het Calvinisme in zijn beteekenis voor het muziekleven recht te doen wedervaren, 't Is een verblijdend teeken, dat op grond van zijn principieel • geluid, zijn accentueeren van eigen karakter der kerkelijke muziek, hem zooveel goede wenschen uit Gereformeerde kring zijn toegestroomd. Juist déze kant van zijn werkzaamheid herdenken we met dankbaarheid in een blad ter ontwikkeling van het Gereformeerde leven.
Die dankbaarheid voor het goede voorbeeld dat Jan Zwart in veel dingen geeft, doet mij in deze rubriek één goede wensch aan de vele reeds geuite, toevoegen, en ik weet, dat velen zich met deze wensch vereenigen zullen, n.l. dat Jan Zwart zijn taak, gereformeerd reformeerende, nog eens mag voortzetten in die kerk der Reformatie waarin we hem krachtens zijn persoonlijke en onze nationale geschiedenis gaarne zouden zien, opdat hij ook in dit opzicht bewonderende Gereformeerde volgelingen op de goede weg mag voorgaan.
Heel begrijpelijk is het, dat juist Jan Zwart, on-
tevreden over het spelen van de trenrmarsch van Chopin als stemmingsmuziek bij het herdenken onzer dooden, naar iets anders gezocht heeft, en in „Sombere Muziek over den lOSden Psalm, vers 8" uitdrukking vond in eigen koraalkunst.
Door zijn vele muziekvrienden werd de componist nu, bij en door zijn jubileum, in staat gesteld, dit eerste stuk van zijn „Musyck over de Voysen der Psalmen Davids" in druk te geven. Blijkens het woord ter inleiding bewaart deze fantasie over „Grelijk het gras is ons kortstondig leven" nog de herinnering aan het sterven van Dr A. Kuyper.
Het is geen muziek waaruit ik Jan Zwart onmiddellijk zou herkennen; niettemin muzikaal belangrijk genoeg om aan de vergetelheid te worden ontrukt, en voor het doel: vervanging van transcripties door echte orgelcompositie, zeer geschikt. Het Bureau van Uitgave Nederlandsche Orgelmuziek, Zaandam, zorgde in samenwerking met de firma G. Alsbach & Co te Amsterdam voor een stemmige, passende vorm.
Indien deze psalmfantasie haar weg vindt — en, ik twijfel daaraan geen oogenblik —, dan komt dat niet louter door bewondering van een kloek orgelist, doch omdat de tijd rijp blijkt te zijn voor het genieten van orgel-en koraalkunst, omdat de vraag naar de beteekenis van muziek in de Nieuwtestamentische eeredienst velen bezig houdt. De groole waardeering van Jan Zwarts werk is geen op zichzelfstaand feit, doch een duidelijk symptoom van in ruime kring herleefde interesse, zooals er verschillende zijn aan te wijzen.
Ik wijs b.v. op de stichting en voor deze tijd verbazingwekkende gi'oei van de Vereeniging van Organisten bij de Gereformeerde Kerken en haar orgaan „Organist en Eeredienst".
Mede gedragen door deze gunstige strooming kon W'. Zorgman, te Velp, in zee gaan met zijn serie „Protestantsche Kerkmuziek", waarin om de 14 dagen orgelmuziek met pedaal ad libitum verschijnt, en met zijn „Nederlandsche Orgel werken", inaandelijksche moeilijker orgelcomposities met verplichte pedaalpartij.
De laatste serie is verreweg de belangrijkste. De laatstverschencn toonstukken van Groothengel uit Hilversum (Elegie, Twee Lijdenskoralen, Fuga, Psalm 42, Cantilene), van George Stam uit Leeuwarden (Koraalfuga Ev. Gezang 198), van C. de [Wolf uit Arnhem (Finale Ps. 72:11) en van den uitgever (Fantasie Ps. 118:12) kunnen uitstekend öp het reportoire van degelijke organisten geplaatst worden.
De parallelreeks „Protestantsche Kerkmuziek" is gemakkelijker speelbaar, doch staat gemiddeld op lager muziekpeil. Evenwel schijnt de uitgever de laatste tijd minder te „experimenteeren", zoodat het Voorspel voor Ps. 119 van George Stam (No. 89), dat voor Gez. 298 van Zorgman (No. 90), voor Ps. 19 van Groothengel (No. 92) en de fantasie over Ps. 38 van denzelfden de gemiddelde kwaliteit met een ruk omhoog brengen. Indien we in aanmerking nemen dat de composities voor organisten van allerlei slag bruikbaar moeten zijn, en ook mindere krachten door te groote moeilijkheid niet gehandicapt mogen worden — last not least dat er in de geregelde verschijning om de veertien dagen een pressie zit, die de kwaliteit licht in ongunstige zin kan beïnvloeden — dan kan ik niet anders zeggen dan dat men van deze uitgave niet meer mag verwachten dan ze geeft, en dat ze zelfs nu en dan voor gelukkige verrassingen stelt.
Aan de serie met pedaal worden natuurlijk hooge eischen gesteld, maar uit bovenstaande aanbeveling blijkt voldoende, dat ik de wijze waarop Zorgman redigeert, doeltreffend acht.
't Zal den lezers opvallen, dat ook in deze beide uitgaven het koraal en de bewerking daarvan een belangrijke plaats inneemt, ik mag wel zeggen: in het centrum staat.
Een ander symptoom van belangstelling voor koraalspel: Cor Kee, van Amsterdam (Ronde Luthersche Kerk) geeft gelegenheid, een schriftelijke cursus te volgen, waardoor men zich kan oefenen in het componeeren van eenvoudige, systematischgebouwde koraalvoorspelen.
Ten slotte wijs ik op De Harp, die voortgaat aan kerkelijke orgelmuziek aandacht te wijden. De heer Pijlman geeft geregeld overzicht van de belangrijke feiten op algemeen muzikaal gebied, maar in dit verband noem ik afzonderlijk het overzicht van de uitbreiding der Eenige Gezangen achter de Psalmen in Mei, het artikel van F. P. over de bedoelde uitbreiding in het volgend nummer; op het Octobemummer, dat vrijwel een orgelnummer is geworden, en op de artikelen van J. Z(wart) wiens „sprekende stem" dan meer dan tuinder helder, doch steeds domineerend in de verschillende nummers klinkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1933
De Reformatie | 8 Pagina's