Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KERKELIJKLEVEN

21 minuten leestijd

Open briei aan Prof. Dr H. H. Kuyper.

Den Hooggeleerden Heer Prof. Dr H. H. Kuj'per, redacteur „De Heraut", Bloemendaal.

Hooggeachte Professor Kuyper,

In het jongste nummer van „De Heraut" komt een artikel voor van Uw hand. Ik neem het in zijn geheel over onder „Persschouw"; en veroorloof mij, niet om te roemen, maar wel om onbillijke klachten over mijn polemiek af te wijzen, de opmerking, dat dit weer de zooveelste maal is._ waarin ik letterlijk citeer wat anderen zeggen, helaas zonder dat altijd die anderen hunnerzijds mij cileeren, of zelfs maar op klachten van onjuiste weergave van mijn gevoelen rcageeren. De groote eerlried, dien ik voor U heb, verhindert mij niet, te conslateeren, dat ook Uwerzijds meer dan éénmaal zulk een reactie ten aanzien van mij ontbrak. Reeds om die reden wijs ik Uw klacht over mijn „zoo polemisceren", op welke klacht Uw artikel nog wel uilLoopt, op dit punt af. Indien eens, alle bladen zoo trouw den tegenstander citeerden als „Be Reformatie" het deed lot nu toe, zou ons ^gereformeerde leven, dat tot mijn stomme verbazing onlangs ergens nog „kerngezond" is genoemd, minder ziek zijn.

Uw artikel toornt. Maar is Uw toorn in alles billijk onlsloken? Vergun in een Ihans niet te ontloopen discussie een jongere deze liever aari , U niet gestelde, thans echter onvermijdelijke vraag.

Vergun dien jongere tevens, zijn vraag ontkennend Ic beantwoorden, en dat te doen in een, „Open brief', ter wille van den meer gemoedetlijken loon, die in zulk een „Open brief' altijd doorblinkt.

Laat mij beginnen met — een and'er. U spreekt over wat Dr J. van Lonkhuyzen „z i c h n i e t o n t- zag te schrijven'. Mij is niet duidelijk, op welke passage het qualificeerende „zich niet ontzien" hier slaan wil. Vermoedelijk niet op wat geschreven is door Dr Beets, overigens ook voor „De Rotterdammer' [welk blad dadelijk Uw artikel doorgeeft, ten deele) een welkom getuige der waarheid (nog pas verzekerd!). Dr van ï^onkhuyzen zondigt toch niet, als hij Dr Beets, nog wel een verdediger van het bekende congres, op zijn woord gelooft'? En — is dit geloof hechten aan Dr Beets verdachtmaking? Is het verdachtmaking, als men 'de critiek van een verdedijger van dat congres gelooft? Geldt Uw vonnis Dr Beets niet, waarom dan wèl Dr van Lonkhuyzen, waarom wèl (den door U niet met name, genoemden) Marnix, wiens stem in onze kerkelijke en politieke pers (De Standaard') zulk een gaaf geluid geeft, waarom dan wèl mij ?

Mogelijk ziet Uw veroordeelend vonnis ojj Dr van Lonkhuyzens mededeeling, dat Prof. Wencelius behoort tot een „vrijzinnig" college. Ik kan thans niet nagaan, wat Dr Beets letterlijk schreef; wel kan ik opslaan het artikel, dal in „Die Religion in 'Geschichte und Gegenwart" geschreven is over de Quakers. Het is van de hand van D(r) Sippel. Deze schrijft daar uitvoerig over de Quakers; van wie wel niemand beweren zal^ dat men hen voor calvinisten te houden heeft. Hij zegt, dat men in Amerika drie groepen van Quakers onderscheidt: a) de orthodoxen, b) de Hicksites, aldus genoemd naar Elias Hicks, c) de Wilburiles-Quakcrs. Nu behoort Swarthmore-College, waaraan Prof. VS'^encelius werkt, tot de nietorthodoxe groep dor Hicksites. Hicks was tegenstander van de leer, dat Christus bestaan had' vóór Zijn geboorte, ontkende Zijn Godheid, de vleeschwording, de plaatsbekleeding. Is dal soms niet „vrijzinnig", als men naar oen nederlandschen naam zoekt? Wij merken er dadelijk bij op, dat de schrijver in zijn artikel over Hicks opmerkt, dat tegenwoordig de tegenstellingen tusschen de Quakers zijn verzacht; wij kennen trouwens dit verschijnsel ook van elders.... Maar dit neemt niet weg, dat wij toch blijven onder.... Quakers, en te maken hebben met een College, dat opgericht is in een tegen de orthodoxe Quakers zich richtende, de calvinistische grond, waarheden loochenende groep. M, ag nu Dr Reets — die een docent aan een school beoordeelt naar het publieke karakter van die school, en die bovendien mild is in hel oordeelen, jen als Amerika-kenner wel aan wal wonderlijks gewend is — mag nu Dr Beets niet schrijven, wat hij schreef? Is dit verdachtmaking? Of is het aanvaarding van een publiek persoon naar diens publieke gemeenschapsverband? „De Rotterdammer" is er vlug bij, ik herhaal het, om Uw woorden te cileeren. Heeft het blad „De (amerikaansche) Wachter" van 20 Maart 1935 gelezen? Daar merkt Dr van Lonkhuyzen op, dat de verklaring van Dr Beets, waarop in Nederland te goeder trouw verder doorgeredeneerd werd^ de bezwaarden op dit punt in het gelijk sbelde. En het orgaan verklaarde onlangs, Dr Beets gaarne te citoeren, om den band aan Amerika te doen spreken. Jammer, dat dit dan zoo eenzijdig gebeurt!

Dwaal ik hier af? Het lijkt zoo, m, aar het is zoo niet. Want m.i. is hier een sjmptoom van dat .^, s te m m i n g make n" (het is voor mijn besef natuurlijk geen doel, maar wel degelijk gevolg), waarvan ik op mijn beurt zeg: ik betreur het, dat men zóó polemiseert. Gelijk ik het ook betreur, dat in Uw artikel niet de namen van Dr Beets, en van Mamix worden bezwaard met het odium van verdachtmaking, en wel die van Dr van Lonkhuyzen en van mij. En als Uw artikel opmerkt, dat „de critiek" „zich bedient" van het „wapen" der verdachtmaking, dan — U moogt het mij vergeven — zie ik daarin^ o neen, geen keus van een „wapen", maar wel een ondoordachte bewering, welke, alweer onbedoeld, in haar gevolgen zelf verdacht maakt. Wiant a) er is inzake Prof. Wencelius door Dr Beets e.a. niet op vertrouwelijke correspondentie, maar op diens oificiëele onderwijs-positie gelet, welke naar wetenschappelijke gegevens door Dr Beets gekenschetst is; b) met verdachtmaking heeft dit niets te maken, omdat lo, het iemands karakter niet aantast, als men zegt, dat hij geen calvinist is, 2o, in de Parijsche herdenking zelf voorbeelden van zulke niet-calvinislen te vinden waren, 3o, ondergeteekende niets anders deed dan voortredeneeren in de lijn van U zelf, hooggeachte Professor Kuyper. Niet in het geval van Prof. Wencelius, maar in de algemeene karakteristiek van Calvijn-herdenkingen als thans in discussie zijn.

Want, wat dit laatste betreft: kunt U het woord „kleinzielig" nu niet inhouden? Het zou — dit Vooreerst — pas op zijn plaats kunnen zijn, als eerst nagegaan werd, wat de theoretische Begründung is van veler bezwaren tegen de huidige Calvijn-herdenkingen. Dat voorts een roomsch en een liberaal minister bij de Afscheidingsherdenking tegenwoordig waren, lijkt mij toch wel iets anders dan wat te Parijs geschiedde: hebben die ministers soms zich uitgelaten over De Cocks theologie? Neen. Maar — in de derde plaats —: men moet zich afvragen: waaróm hebben sommigen — en hun getal neemt toe — er bezwaar tegen, dat in Parijs b.v. een man als Choisy — tegenstander, in sterke woorden, van Calvijns praedestinatieleer — vooraanzil bij de Calvijnhuldiging? Waarom? Omdat zij, hooggeachte Prof. Kuyper, door U zelf in vroeger jaren ia die richting z ij n opgevoed.

Vergeef mij, dat ik weer grijp naar vroegere Heraut-arlikelen: ook nu wil ik komen tot de hoognoodige eenparigheid van gevoelen. Of, tenminste lot helderheid van gevoelen.

Weet U nog, wat door U, Prof. Kuyper, geschreven is ter gelegenheid' van een andere Calvijn-herdenking? Het was het vierde eeuwfeest van Calvijns geboorte. De parallel tusschen toen en nu is dus niet kunstmatig; de vergelijking tusschen Uw artikelen van toen, en Uw thans gegeven beschuldiging van „verdachtmaking" en „kleinzieligheid" (inzalce het kerkbegrip heb ik Ü ook al eens het woord „exclusivisme" hooren bezigen) heeft dus niets gewrongens. Welnu, in „De Herauf' van 31 Januari 1909, no. 1622, spraakl U rondweg over Uw „ernstige bezwaren, om deel te nemen aan de stichting van een monumentaal gedenkteeken voor Calvijn te Geneve". We lezen o.m. het volgende, dat toen uit Uw pen vloeide:

„Zeker, indien de 'beginselen, door Calvijn beleden, nog er'kend en hoog werden gehouden in de lande n, waarvan deze actie uitgaat; indien de mannen, die dit plan op hebben gezet, zelf warme en bezielde tolken waren van de denkbeelden, door Calvijn uit Gods Woord ontleend, dan zou een spontane uiting van dankbaarheid, om naast het Lutihergedenkteeken te Worms oofc een monument voor den Galvinistischen reformator te 'Geneve op te richten, op onze sympathie allicht aanspraak kunnen ma'ken. Maar ieder weet, dat d i t n i e t z o o i s. Er mag hi dit huldebetoon een algemeene erkenning liggen van de verdiensten van Calvijn als historische persoonlijkheid, die machtigen invloed heeft geoefend op den gang der geschiedenis — een liulde, die we dankbaar aanvaarden —; zelfs geven we 'toe, dat, dank zij de uitnemende studie van Doumergue, het zoo vaak miskende 'karakter van Calvijn ook voor de buitenwereld in een geheel ander licht is komen te staan, en de vroegere afkeer voor 'bewondering en eerbied plaats maakte; maar als ge aan deze bewonderaars van Calvijn V raagt, of zijn beginselen — neem slechts als voorbeeld de belijdenis der eeuwige uitverkiezing — ook door hen beleden worden, dan staan ze lijnrecht tegenover Calvijn. Liefst laten ze dio 'beginselen dan ook stil rusten en verklaren, dat deze •beginselen uit een verouderde wereldbeschouwing voortkwamen, die 'bij het licht der nieuwere wetenschap voor goed heeft afgedaan. Om Calvijn te waardeeren, zoo roepen zij; u toe, moet ge hem eerst ontdoen van al datgene, wat voor Calvijn juist het hoogsitie en het innerlijkste doel van zijn leven was, zijn belijdenis van de absolute souvereiniteit Gods en wat ge dan overhoudt is, dat Calvijn de groote profeet zou geweest zijn van he't individualisme, van de vrijheid van het menschelij'k geweten, de wegbereider van de emancipatie van den mensoh, die door de Fransche Revolutie is tot stand gebracht."

Hier is de kwestie der uitverkiezing toch wel van meer gewicht geacht dan U thans doet in het geval van Choisy, in Uw laatste Heraut-artikel. Als Marnix over Choisy spreekt, zóó als hij het deed, en als Dr van L. en ik daarnaar luisteren, m, aken wij dan verdacht? Neen, wij zijn slechts Uw leerlingen. U waart het zelf, die^ Uw leerlingen waarschuwende, een parallel trokt tusschen de Calvijn- en de Luther-herdenking. En U schreeft in het zelfde Heraut-nummer 1622 ook nog dit:

„Maar de echte volgelingen van Luther, de weinigen, die aan zfjn beginsel nog waren trouw gebleven, 'hebben openlijk het uitgesproken, dat men de graven der profe'ten bouwde, maar zonder den geest der profeten te 'bezitten. Men eerde Luther als nationalen held, maar voor de heerlijke belijdenis van Luther, VELU de rechtvaardigmaking door het geloof alleen, voelde men niets meer. En waarlijk niet ten onrechte is 'het opgemerkt, dat indien Luther uit zijn graf ware opgestaan en beluisterd had wat het geloof van zijn bewonderaars was, hij steUingen, honderdmaal scherper nog dan tegen Tetzel's aflaathandel, tegen hun afwij'king van Gods Woord zou hebben aangeplakt.

Maar al overvalt ook ons, die G a 1 vijn om zijn beginsel liefhebben, datzelfde weemoedige g e v o e 1, en al kunnen we daarom aan geen huldebetoon deelnemen, dat door Calvtin uit die handen zeker nooit zou gewild 'ziin, tooh blijft het een pijnlijk gevoel, 'dat bij dit herdenkingsfeest van onzen groeten Reformator door ons in stilzwijgen alleen 'kracht zou worden gezocht."

En na dez, 2 woorden hebt U dan vervolgens gepleit voor een eigen Calvijn-herdenking, — welke bestaan zou in het bekend maken van Calvij ns d e"n k b e e 1 d e n.

Zie, dat is een houding, welke precies overeenkomt met wat nog heden verreweg de meeste gereformeerden willen. De meeste gereformeerden, — want laat ons niet denken, dat de geest, die in- Amsterdam een congres, en in Parijs een

herde, akiug begeerde, ia de kerken leeft. Dat bewees de spontane reactie tegen den Calvinistenbond (in eersten aanloop, toen m, en nog geen personen zag) wei anders. Én die reactie kwam uit den door U gekweekten geest. Ze vertolkte U w meening, die van eertijds.

Het was — nóg een herinnering zij mij vergund — in die dagen — de voorlaatste Calvijnherdenking, — dat U nadrukkelijk deputaten, die een uitnoodiging tot bijwoning der Calvijn-herdenking lef kennis van de kerken gebracht hadden, deswege hebt berispt. Bij die deputaten was een brief ingekomen, houdende de invitatie om mee te doen in de Calvijn-huldiging. De brief eerde Calvijn in ook ons vertrouwde klanken:

„Door zijn Institutie van den Ohristelijken Godsdienst, door de Ordonnantiën, die hij heeft nagelaten als onze 'keAenorde, door zijn school, waarvan hij een internationale haard van christelijk licht heeft gemaakt, en door zijne Commentaren over bijna aUe Heilige Boeken, heeft Jan Calvijn onvergankelijk recht verkregen op de erkentelijkheid der protestantsohe kerken van alle talen en alle landen."

Het was dus irenisch genoeg. En de namen waren alleszins klinltend; de dragers dier namear zouden allen een brief aan U hebben kunnen schrijven, vol met passages, die „De Rotterdammer" zóó maar over kon nemen (zie boven). Want zóó luidde de onderteekening:

In naam van den Raad der Nationale Protestantsche Kerk te Geneve, Eduard Bordier, voorzitter.

In naam van de Unie van Predikanten. HenrY Berguer, besitnurder.

In naam van den Raad der Vrije Evangelische Kerk, Eugene Mercier—'Glardon, voorzitter.

Niettemin, — de uitnoodiging kon U toen niet behagen. Den deputaten verweet U informeele handelingen. Deze doen hier niet ter zake. Wel i? hier van boteekenis, dat U toen aan hun adres geschreven hebt („ü© Heraut", 4 April 1909):

„M en weet, welke ernstige bedenkingen bij verschillende broedere bestaan tegen de wijze, waarop de gedachtenis van Calvijn te 'Geneve wordt gevierd. Stel dat deze brief bij de Synode was ingekomen, dan hadden de Kerken gemeenschappelij'k kunnen beraadslagen, of deelneming aan deze feestviering geoorloofd (! K. iS.) was of niet, en de Synode had een beslissing kunnen nemen. De uitnoodiging was dan ook aan de Synode gericht. Thans zal, indien het advies van Deputalten wordt opgevolgd, door Kerkeraden of meerdere vergaderingen een beslissing genomen worden over een zaak, die de kerten in het gemeen raalkt. Gesteld, dat de Geldersche Synode besloot een afgevaardigde naar dit feest te zenden, dan zou deze afgevaardigde wel alleen de Geldersche Kerken vertegenwoordigen, maar te Geneve zou dit toch den indruk maten, alsof de Kerken in Nederland tegen deze feestviering minder bezwaar hadden, en in elk geval zou hier een particuliere Synode gehandeld hebben in een zaak van gemeen belang zonder ruggespraak met de andere particuliere Synodes."

Opzettelijk geef ik het volle citaat. Want inderdaad — m.an zou in bet door U gestelde geval te Geneve natuurlijk net zoo geredeneerd hebben als Dr Beets en anderen hebben gedaan in het geval van Prof. WeneeKus (iemand beoordeelen naar zijn publieke positie). En voorts — verlangde U niet, dat de „er n s t i ge b e z w a r e n" van „verschillende broeders" geëerbiedigd zouden worden?

Zie, hooggeachte Professor Kuyper, nu zijn er velen, onder wie ook ilc, die met geen mogelijkheid kunnen inzien, waarom degenen, die in 1909 aan „De Heraut" zich hebben gelaafd, zich op grond daarvan in 1935 door den Heraut-redacteur Id'ednzielig moeten laten noemen. Zijn zij tegen U? Neen, zij zijn vóór ü; vóór den Professor Kuyper van 1909. Zij zijn gedwongen te kiezen, willen ze U niet voorbijgaan.

Ook ik heb gekozen. En ik kies al' beslisteir. Ik kies vóór „De Heraut" van 1909, en dus dwingt U mij te kiezen tegen „De Heraut" van 1935. Ik kies mèt Marnix vóór Uw zienswijze van 1909, en düs tegen Uw Heraut-artikel van 1935.

Uw correspondent, Prof. Wencelius, kan dan voorts dit geval als een z iels ges chiedeinisje opvatten (de nederigheid!), en hij kan meenen, dat wij hier zitten uit te meten in hoeverre iemand al of niet een bolleboos is (het geheele denkterrein overzien I), en U kunt dat dan wel zonder kommentaar doorgeven, en „De Rotterdammer" ook, maar wij houden U aan 1909; we betwisten dat hier een zielsgeschiedenis zich afspeelt, ontzeggen ieder, zelfs U, het recht, over ons hart te oordeel'en (wat willen wij anders dan kiezerL tusschen U en. U? ) en verzekeren voor de zooveelste maal, dat het ons niet om boUeboozenbullen-uitreiking te doen is, doch om b e g i n s e - 1 e u. In het geval-Wencelius bezagen we een docent van de links-geboren Quakerschool als zoodanig; twas positie-verkenning. In het geval-Choisy deden we desgelijks.

En nu we weer het debat hebben uitgebracht uit den engpas, waarin Uw slotzinnen het — we nemen aan: onbedoeld — hebben gedreven, nu komen we nog eens oj3 het geval-Chodsy terug, ^s de zaak zóó onsohuMig? Behelst ook deze naam geen program'? We gaan nog eens terug naar „Die Religion in Gesohichte und Gegenwart", en lezen het artikel van wijlen Prof. Hadorh over de „Gerefonneerde Kerk". Dieze auteur móet Uw Heraut-artikelen van 1909 — stel, hij had ze gekend — wel even „kleinzielig" gevonden hebben, als thans U dat van üw broeders. Vond Hadorn de door U veroordeelde Calvijn-herdenking van 1909 niet „glanzend"? Ja, — en hij zei ook, waarom. Die feesten van 1909 brachten immers de verschillenide Gereformeerde Kerken weer bij elkaar? Gevolg: Stockholm 1925 en Lausanne 1927! „Einigkeitsbestrebungen"! En als voornaamste vertegenwoordigers van dit eenlieidsstreven traden sinds op: Choisy (Genève)(l), Ad. Keiler, Gen, ève, Monot, Gouvelle, Merle d'Aubi^né, Lang, Prof. Cramer (Holland!!!), e.a..

En nu worden wij nóg voorzichtiger. Was het kleinzielig van Prof. Hepp dat hij Prot. Cramer den Calvinistennaam ontzegde? Was dat soms-óók verdachtmaking? Neen — het was zijn roeping. Is het, nu Gij in 1935 inmiddels zelf aan een in 1909 niet begeerde herdenking geliolpen hebt, is het nu van Marnix, v. Lonkhuyzen, Schilder ineens Ideinzielig, als zij C h o i s y, en K e lier controleeren? Neen, — zij zijn Uw leerlingen, al verloochent Ge lien hierin ditmaal.

En wij weten, wat wij doen. Want we zien, dat de kloof tussohen de kerken en enkele vooraanstaande figuren in het gereformeerde leven al grooter wordt. De kerken zijn tegen Lausanne. En tegen Stockholm. En omdat ze er tegen zijn, zetten ze b.v. Dr Dijk in den synodalen voorzittersstoel, en mij in Kampen. En daarin volgen ze den geest o.m. van „Do Heraut" van 1909. En zoodra die geest weer het woord neemt, b.v. in de ettelijke Kerkbode-artiketen ter propaganda van de V.U., of b.v. in mijn radio- of andere propaganda-redenen voor de V.U., komt er weer zoo'n ouwerwetswarm gevoel naar boven in de kerken. Iets van AToeger gaat dan weer leven. Het'veert energisch op zoovaak Jan Schouten — vergun me den populairen naam voor den populairen man — spreekt. Of zoovaak anderen, die het algemeen vertrouwen hebben, eveneens propaganda doen. En het volk HOORT in al die redevoeringen den toon van: „uniert ist ruiniert". Het hoort dien ondertoon a priori. Het is er op „ingesteld".

Tot dien toon zeg ik „ja". Ik wil met ieder praten, ook in La, usanne. Maar ik wil alleen praten als de begrippen en de namen in eere blijven. En als ik zou veranderen van meening, dan zou ik het zeggen. Maar ik zou niet mijn leerlingen afdoen met enkele bijvoeglijke woorden. Wiant dat zou mij niet geheel billijk lijken, geloof ik.

Hooggeachte Prof. Kuj^per — voor mijn gevoel staan we Q, p een tweesprong. Laat ons niet ©en kloof helpen graven tusschen den geest, die een synode-moderamen exponent van 'tkerlcelijk leven maakt (vanwege de houding inzake Lausanne- Stockholm—Keiler—Choisy) ter eener, en het, geen verantwoording van zijn laatste overwegingen doendö „umherlreiben" van andere leiders anderzijds. Ik beweer niet, dat met Uw Herautarlikelcn van 1909 het laatste woord gesproken is. Maaj' ik beweer wel, dat^ als UW houding gewijzigd is, U daarvan mededeeling zoudt kunnen doen, om ook in dezen ons te blijven leiden. Dan heetten Uw leerlingen misschien ook niet „kleinzielig" meer. Is de geest der kerken niet goed, liaddein we wèl naar Geneve mogen gaan in 1909 ter eere van Calvijn, laat ons het d'an zeer duidelijk zeggen. Maar laat ons niet menschen, die nog de bekende Idanken van Uw Vader en van U zelf spreken, met ziele-metende woorden in een zekeren walm plaatsen (ook niet onbedoeld), omdat ze nu eenmaal niet tusschen het „j a" van Heraut-1935 en het „neen" van Heraut-1909 heen en weer geworpen verkiezen te worden. ^

Deze week las ik wat Uw Vader schreef in zijn Encyclopaedie over de vraag, wie separatistisch is. Separatistisch is, zegt hij, ieder, die ZIJN symbool niet meer vasthecht aan het oudste christelijke symbool. Separatistisch ook, wie om het leggen van zulk een verbintenis tusschen ZIJN symbool en de oude christelijke kerk niet maalt. Wie dat w è 1 doet, die is niet separatistisclr. Zie, deze klanken hoor ik liever dan die van „De Heraut"-1935. Als Prof. Choisy de uitverkiezing zoo ziet, als Marnix aangaf, en hij is voorts een scherp denker, dan geeft mij dat juist in ZIJN geval — het geval van den scherpen studiekop — te denken. Dan moet ik vragen: hoe staat deze man tegenover zijn belijdenis, tegenover de almeer met haar symbolen het slop in-gewerkte kerk? En ik ben daarin volgens Dr A. Kuyper(!), geen separatist. Niet voor niets trouwens ben ik gewaarschuwd oor Keilers sympathie voor Barth, en door Barths oproep (te Cardiff) tot een nieuwe „gereformeerde" belijdenis. In Geneve zitten de separatisten. En in P ar ij s.

Als Barth „neen!" zegt, juist tot zijn vrienen, en als 'U het „kleinzielig" vindt, als wij (óók) de Barlhianen in Parijs „met reserve" gadeslaan, waarom wordt dan in Nederland' óns j „neen "-zeggen van het principle e Ie debats- i niveau teruggedrongen naar een in zijn gevolgen stemming-makend heen-en-weer van ziel s-contact, en wat dies meer zij?

Laat mij eindigen met een herinnering aan den Almanach de Calvin, 1934. U zoudt van de dragers van al de op 'de voorste pagina gemelde namen van „calvinisten" — Kral'fl, Slotemaker de Bruine^ Haitjema — voorzeker ook wel een brief kunnen krijgen, , en publioeeren, die in hoofdzaak gelijk is aan dien van Prof. Wencelius. Maar U zult zulke brieven niet vragen. U zult veel te .goed weten, dat niet alles Calvinist i s, wat op dezen Calvijnalmanak Calvinist heet. Maar daarom is met het breed uitmeten van dit ééne geval-Wencelius de vraag, waarom h e t g a a t, niet beantwoord, ze is niet eens aangeraakt. Het gaat immers niet over de vraag, wat iemand probeert te zijn, doch over de andere, als hoedanig hij blijkens zijn publieke acta et gesta thans reeds gelden moet. Iemand moet, zegt Dr A. Kuyper, in zijn gememoreerd Encyclopaedie-fragment, zelf bet SYMBOOL (de BELIJDENIS) zijner eigen kerk tot levensparool hebben, en er voor „staan", zal hij b.v. een symboliek kunnen schrijven. Hoeveel 'hedendaagsclie Calvijn-huldigers zouden IN STAAT zijn. een gereformeerde symboliek te schrijven, volgens Dr A. Ku^^per Sr? Hoevelen STAAN voor HUN belijdenis? Hoevelen zijn er in dezen zin — dezen oud-Kuyperiaanschen, fabiaanschen zin — niet separatistisch ?

Ach — het woord (kleine w) beteekent in de kerk al minder. Ook het woord der belijdenis. En daarom schrijven ze de hoofdletter in den term: „het Woord (Gods)" ook zoo heel erg groot. Zoo schrijven de troubadours zoo graag over de Liefde; er is een stukje los aan hun liefde.

Ik eindig. Amsterdam en Parijs, — ik zie het onderscheid nóg niet. Ik was student, toen „De Heraut" in 1909 schreef. Wij, opgi-oeiende generatie van toen, hebben op dit punt den geest van „De Heraut" 1909 ingedronken. De dronk was zóo stevig, en heeft óok mij zóo gesterkt, bij 'tonder worden, dat ik, hooggeachte Professor Kuyper, thans dat „drankje" van Heraut-1933 voorloopig op zij zet. Voorloopig, — totdat U het geval van Parijs uit den al te nauwen engpas van dien éénen particulieren brief zult hebben gehaald, zult hebben aangewezen waarom U in 1909 theologen mocht beoordeelen naar hun „land" (zie Uw citaat) en Dr Beets hen niet beoordeelen mag naar hun school, en me voorts overtuigd zult hebben, dat op de Calvijn-herdenkingen van 1933 NIET passen Uw oordeelvellingen van 1909.

Inmiddels blijf ik met hernieuwde bede om, door scherp de kwestie (niet van al of uietnederige „zielen", doch van het klare belijdeniswoord) te stellen, te mogen blijven in de eenheid, met de meeste hoogachting.

Uw dw.

K, SCHILDER.

Postscriptum. Mijn kopje „Vrijzinnig en Calvinistisch" werd aangevallen. Maar in „Het Ouderlingenblad" schrijft Prof. Aalders, dat zij, die de Pa, rijsche herdenking organiseerden, hun modernisme allerminst onder stoelen of banken geschoven hebben, getuige het feit, dat ze daarbij enkele buitenlandsche geleerden van beslist mo­

derne beginselen lieten optreden.

K. S.

Aan de lezexs.

De door Prof. Kuyper aan de orde gestelde kwestie leek mij voor het kennen der verhoudingen zóó belangrijk, dat ik gaarne de vervolgartikelen van deze week laat liggen voor bovenstaanden Open brief. De lezers mogen het verontschuldigen.

K. S.

VerkiezingsmateriaaL

Kerk en politiek hebben bizonder veel met elkaar te maken. Daarom wijs ik vlak vóór de verkiezingen op een bij de N.V. J. H. Kok te Kampen verschenen vlugschrift van Ds P. Prinsj Deventer: Wat wil de C. D. U.? Zeer geschikc voor verspreiding. Van denzelfden schrijver vei"scheen: Wat wil Mussert? Men lette eens op deze kern-achtige korte geschriften.

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken