GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

POPULAIR-WETEN-SCHAPPELIJKE SCHEISEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

POPULAIR-WETEN-SCHAPPELIJKE SCHEISEN

13 minuten leestijd

Het Staten-Coliegie te Leiden.

III. 'Slot.)

In 1619 werd het toezicht over het Collegium toevertrouwd aan den bekwamen en ijverigen contra-remonsLrantschen predikant Festus Hommius, met last „de bursalen te examineeren of zij gezond in leer en leven waren". Daniël Sinaplus werd sub-regent en Cornelis Boessens schaftmeester. Besloten werd voortaan geen studenten in het coUegie te admitteeren dan zij, die, in tegenwoordigheid himner collatoren, door kerkeddenaars waren geëxamineerd', en verzoeken van remonslrantsche alumnen, om in het college te mogen blijven, af te wijzen.

Van toen af zonden de steden hunne alumnen in steeds toenemend getal, zoodat het aantal „kamerkens" voor bursalen belangrijk vermeerderd moest worden; het college werd „de ware en oprechte kweekhof van jonge Nazireërs", „de arechte oefenschool der welgezinde jeugd, die zich voor den dienst der Kerlie wcnschten te bereiden"u

Hommius werd in 1641 opgevolgd door Jacobus Revius. Het Collegium heeft na de komst van Hommius vele goede leermeesters gehad, onder wellcer opzicht en leiding een groot aantal bursalen bekwaamd werd tot goede leeraren in de Kerk of in de hoogescholen, al bleven de kerkelijke twisten, die telkens weer in een of anderen vorm opdoken, ook hun invloed op' het collegie uitoefenen.

Tusschen 1623 en 1778 werden er meer dan 1400 jongelingen in het Collegium opgenomen; hieronder behoorde ook, om er maar een te noemen, de beroemde geneeskundige Hermannus Boerhave, die eerst in Leiden theologie studeerde en daarna in Harderwijk medicijnen.

Het Collegium bewees niet alleen groole diensten aan ónze Gereformeerde Kerk, maar ook aan buitenlandsche Kerken, wier studenten in de godgeleerdheid er in opgeleid en ondersteund werden. Deze buitenlandsche studenten werden „extraneï" genoemd; ze werden daar op kosten der

Staten onderhouden en onderwezen.

De Staten gaven geregeld blijken van waakzaamheid ovei' hun stichting; de gebouwen werden goed onderhouden; zelfs vonden zij het in 1626 noodig om het Collegium te verfraaien, doo(r de plaatsing aan de Ccllebroers-gracht van een sierlijke hardsteenen poort, die bekroond was met een opengeslagen Bijbel, waarin men las: „SCRUTAMINI SCRIPTA" en daaronder, op een irechthoekig vlak, dat geflankeerd was door de wapens van Holland en Leiden: „COLLEGIUM THEOLOGICUM ILLUSTR. ORD. HOLLANDIAE ET WESTFRISIAE, MDCXXVI". Deze schoone poort bleef gespaard tot omstreeks 1870; toen is ze gesloopt en vervangen door de smakelooze poort, met een paardekop er boven; zeker als aanwijzing, dat daar nu de Universiteits-manege is.

Af en toe moesten de Staten ook nog wel eens kalmeerend optreden tegen de bursalen; zoo werd door hen op 8 November 1686 een nieuwe wet uitgevaardigd „om de buitensporigheden der bursalen te vermijden, en de bijeenwooning in or^de te houden....". In die wet lezen we o.a.:

„Ende alzoo niet als met de grootste ontstigtinge werd vernomen, dat sommige bursalen, volgende de quade exempelen van andere studenten, met een rappier, zijdgeweer, of andere wapenen, de straat gebruiken, waardoor zij in hare profes.sie van andere studenten niet konnen werden onderscheiden, ende daarom het voorschreve gebruik, als strijdende tegen de modesüe en de sedigheid van haar beroep, ten uitersten is opsprakelijk; dal daarom de voorschreve bursalen het gebruik en het dragen van alle zijdgeweer of andere wapenen, absolutelijk werd verboden; werdende de Heren Regens ende Subregens versogt en gelast daaromtrent een nauw en exact onderzoek te doen, ende indien zij iemand van de voorsclireve bursalen daaraan souden mojgen schuldig vinden, dat zij daarvan sonder eenige dissimulatie aan Curateuren ende Burgemeesteren opening en kennisso zullen geven, om alsdan daartegen sodanige ressentimenten geloond te werden, als zoodanig een wederspannigheid ende dissolute actiën zullen meriteren....

„Van gelijke zal ook den Schaftmeester van 't voorschreve Collegium werden gewaarsohouwd, dat hij gansch geen conversatien of familiariteiten van de bursalen in zijne huizinge zal hebben toe te laten, ende goede ordre te schikken, dat ook zulks in zijn afwezen niet en werde ondernomen, ende vooral daarop te letten, dat hij zig laat bedienen van eerlijke, sedige en welgemanierde dienstboden, ende zoo wanneer hij zal bevinden, dat zij met iemand van de bursalen eenigje conversatie of familiariteit komen te houden, dat ij zig daarvan dan aanstonds zal ontslaan, ende de zake voorts bekend maaken aan de Heren Regens en Subregens, teneinde ook de bursalen tot al zulke conversatie en familiariteiten aanleidinge gegeven hebbende, na behoren mogen werden ge oensureerd.'

Het Stalen-Collegie heeft meer dan twee eeuwen bestaan, maar de toestand in ons vaderland is in dit tijdsverloop sterk gewijzigd.

Bij de oprichting was het geheele leven van ons volk als doorweven met godsdienst en kerkschheid. Bij de opening van het Collegie verklaarde Jan van Hout, de secretaris van Leiden en van het curatorium: „De voornaemste bewegende oorsake der sticlitinge der Universiteit was de theoilogie." En de nood der Kerk had de Staten „met een vaderlicke sorge bewogen zijnde over 'tgebreck dezer Universiteit" doen besluiten binnen Leiden het Collegium Theologicum te stichten „omme daerinne, als in eenen queekhof, tot kosten en lasten van 't gemeene landt, seker getal jongelingen souden werden opgevoet ende geoeffent en bequaem gemaekt ten dienste der kercken."

Maar deze mentaliteit was niet blijvend; gaandeweg verminderde de waardeering van den go'dsdienst naar Gereformeerde belijdenis, vooral bij de aanzienlijken, en aan het einde der aehttiendo eeuw was de geest van hen, die de leiding hadden, onder de leuze „vrijheid, gelijkheid en broeder'schap" zoodanig gewijzigd, dat niet weinigen, ook in de Gereformeerde Kerk, uitzagen naar een „christendom boven geloofsverdeeldheid". De Gereformeerde Staat had afgedaan. Het bewind van 1795 had dat van 1618—1619 overwomien.

De laatste regent van het Staten-Coilegie was de professor in de theologie Carolus Boers; de laatste onder-regent Ds Willem te Water. De regent werd in 1795, als Oi-anje-gezinde, door de patriotten uit zijn beide ambten ontzet.

Het Collegium-Theologicum werd in 1797 opgeheven en 28 October 1807 werd het grootste gedeelte er van voor afbraak verkocht. Een gedeelte 'der geDouwen bestaat nog; ze worden gebruikt voor Universiteitsmanege ca. en voor woning van den hortul anus van den academietuin.

Op het oude atrium' der bursalen is in 1933 aangelegd en 18 September van dat j-aar geopend een natuurgetrouwe reconstructie van den medicinalen kruidtuin door Professor Clusius in 1594 aangelegd in den Leidschen hortus, maar later daaruit verdwenen.

J. DE LANGE.

(Bronnen: Tegenwoordige staat der V. N.; F. v. Mieris, beschr. v. Leiden; G. D. J. Schotel, de academie te Leiden; . P. J. Blok, gesch. eener HoU. stad; enz.)

"dlan pleit dit in den regel niet voor het gegeven, boek. Ik hoop dat die commentaar voor dit werk niet nooidig is en dat deze biografie van onzen Minister-President voldoende voor zich spreken zal.

Maar gelukkig liet het verzoek van den Redacteur nog een andere mogelijkheid' open, n.l. om iets te zeggen „naar aanleiding" van dit boek.

En dat doe ik graag.

Hel is dit.

, Wij staan vlak voor de Kameirverldezing en wie zich vorige verldezingen herinnert, heeft gemerkt, dat nog nooit de geheele verkiezingsactie zich zóó geconcentreerd heeft om den persoon van den leider der antirevolutionaire partij als dit jaar.

AUe partijen bemoeien zich met hem en zien zich genoodzaakt hun verkiezingsactie te voeren met de hoog oprijzende figuur van Dr Colijn op den achtergrond.

Het is soms op het ridicule af.

Verleden week vond ik een propagandablad van de Liberale Partij in mijn busi, dat aanving met de hoogst merkwaardige woorden: „Van Lidt de Jeude heeft een korter Regeeringsdienst dan Colijn. MAAR HIJ IS EEN MAN VAN HET FORMAAT VAN COLIJN"!! En even verder staat te lezen: „Evenals Colijn OOGST HIJ DEN LOF VAN ALLE PARTIJEN..." Het is letterlijk geciteerd tot de kapitale letters toe.

Thorbecke zou zich in zijn graf omkeeren als hij weten kon, dat de eenmaal oppermachUge Liberale Staatspartij zich genoodzaakt ziet, haar candidaat te meten m.et de maat, 'die aaai den leider van de antirevolutionaire partij ontleend is.

„Die Weltgeschichte ist das Wieltgericht", sprak Schiller eenmaal. Maar deze opmerking is terloops.

Wat ik wilde opmerken is dit. Wij mogpn blij zijn met de waardeering, die Dr Colijn van niet; antirevohitionaire zijde ontvangt. Maar er dreigt gevaar.

Dat men Dr Colijn waardeert is ondanks zijn levensprincipe. Dat neemt men op' den koop toe: •Men ziet in hem de krachtige figuur, de sterke persoonlijkheid, die weet wat hij wil en die' de kwaUteiten heeft om te regeeren. Regeeren is niet alleen vooruitzien, regeeren is ook weerstand bieden, den moed hebben impopulair te zijn. Dien moed heeft Dr, Colijn in hachelijke crisisdagen gehad en achteraf stelt men hem in het gelijk, ofschoon men hem in de iCrisisdagen zelf met steenen wierp.

Maar dat men Colijn achteraf de eere geeft, die hem toekomt, vindt niet hierin zijn oorzaak, dat hij in dat alles zijn beginsel beleden en beleefd heeft. Nogmaals: men heeft dat beginsel op den koop toe genomen. Het zelfde verldezingsblad der Liberale partij, zegt op de binnenpagina: „Pieter: IK STEM COLIJN. Hij is 'een vent. Hij houdt het roer flink in handen. Al die politiek laat me ijskoud, dat moeten ze in Den Haag maar uitmaken". Vv'aarop de Liberale partij antwoordt: „Dan is u zeker antirevolutionair. Dan is u voor de Zondagsrust tot het uiterste. U is voor de bijzondere school boven de openbare. En u is waarschijnlijk goed kerksch? "

Vooral dat laatste is kostelijk! .

Het antwoord is, dat de kiezer natuurlijk zegt: , , Och nee man, 'ik ben, wat ze in de wandeling noemen vrijzinnig...."

Natuurlijk stemt hij dus niet op Colijn.

Verkiezingslectuur kan leerzaam zijn.

Wij leeren er dit uit, , dat de lof, dien Colijn van lüet-antirevolutionaire zijde oogst, hem wordt toegezwaaid om zijn persoon, ondanks zijn beginsel.

Maar er is reden te waarscliuwen vo^or liet gevaar, dat w ij het levenswerk van Dr Colijn óók los gaait zien van zijn beginsel.

En dat zou fataal zijn.

Wij mogen het onzen poUtieken tegenstanders vergeven, dat zij den persoon van Dr Colijn los zien van zijn belijdenis — 'het is nu eenmaal voor een niet-Calvinist moeilijk, zoo niet onmogelijk, om het wezen en de kracht van het Calvinisme te peilen — maar het zou in èns onvergeeflijk zijn, wanneer wij dit uit het oog gingen verliezen. Al wat Dr Colijn gedaan beeft, is niet anders dan zijn Calvinistische beginselen beleven. Al de arbeid, die hij in dienst van zijn land godaan heeft, was vrucht van het beginsel, waaruit hij leeft.

Hel zou verkeerd zijn in Dr Colijn een man van groot formaat te zien, die gelukkig bovendien óók nog Calvinist is.

Wie ingedrongen is in het leven van deze groote nationale figuur, heeft gezien, dat Colijn groot werd door zijn beginsel. Natuurlijk komen daai' 2ijn persoonlijke eigenschappen bij, maar zij zijn niet het criterium van zijn levenswea-k.

Dr Colijn heeft heel veel voor ons land en volk kunnen doen — méér dan menigeen onder ons vandaag nog vermoedt — maar hij heeft het kunnen doen, omdat hij Calvinist was. Evenals Kuyper yóór hem en vóór dezen Groen van Prinsterer, , IS hij ons volk tot zegen geweest omdat hij leeft Uit het beginsel, waarin de grondtoon van ons volkskarakter spreekt.

Onder dit licht heb ik Dr Colijn ook in mijn boek willen plaatsen. En daarom heb ik met groote Wijdschap aan dit werk kunnen arbeiden.

Want wie in Dr Colijn de drager ziet van het t-alvinisüsch beginsel, en dit- als uitgangspunt bij zijn biografische studie aanvaardt, krijgt ook nog iets anders te zien.

En dit wil ik als tweede opmerking, naar aamleiding van mijn boek, hier zeggen.

Dr Colijn is volbloed kind der Scheiding van '34. Men leert nooit het leven van een groot man verstaan, wanneer men niet teruggrijpt naar zijn voorgeslacht. Deze waarheid heeft mij' er toe genoopt iets meer te weten te komen van het geslacht der Colijns. Ik heb er de reizen naar de Haarlemmermeer en het land van Heusden en Altena voor over gehad. En hoe zijn 'die tochten beloond!

De vader van Dr Colijn werd geboren in 1833, het jaar vóór de Afscheiding. Merkwaardig jaartal.

En hij groeide op in het land^ waar de vervolgingen tegen de Afgescheidenen zwaar gewoed hebben. Gezelle Moerburg, de pastor loei van Almkerk, heeft het inderdaad zwaar te veir'duren gejhad en zijn geloofsgenooten met hem.

De jaren na '34 hebben bet geslacht van de Colijns jgestempeld. Persoonlijk heb ik vader An- •thonie Colijn nooit gekend, maar hoe lief is mij •deze gave figuur geworden, door alles wat ils van menschen, die hem wel gekend hebben, gehoord heb. Geworsteld heeft deze eenvoudige landbouwer met zijn God om mannen, die in Staat en Kerk en Wetenschap weer vragen zouden naar het Reformatorische beginsel.

En nu laat God de vrucht van, die worsteling] rijpen in zijn - eigen gezin. Vader Colijn zelf heeft het eerst niet eens gemerkt. Hoe heeft hij zijn oudsten jongen langen tijd belet iden gang te gaan, dien hij naar Gods verborgen Raad gaan moest. Maar straks wordt hem geopenbaard, dat Gods wegen hooger zijn dan onze wegen en dan is het goed.

En zie nu Gods wondervoUen gang door de eeuwen.

In Utreclit wordt het feit herdadht, dat voor honderd jaar de Afscheiding plaats had.

Niemand minder dan de Minister-President Dr Colijn leidt deze samenkomst. En ter vergadering wordt een telegram voorgelezen dat afkomstig is van den doodzieken Professor Hoekstra. Hij laat seinen: „Wij zijn in den geest in uw midden. Dit zou De Cock nooit hebben kunnen vermoeden, dat in de vergadering na 100 jaren ter berdenkmg van de Afscheiding, de Minister-President van Nederland de voorzitter zou zijn. Dit is van den Hecre geschied en het is een wo'nder in onze oogen...."

Professor Hoekstra moet gevoeld hebben, of- Ischoon hij van het voorgeslacht van de Colijns waarschijnlijk niets af wist, dat God hier bezig was de „zaaksgerechtigheid" zooals onze vaderen het vroeger noemden, van Zijn volk, dat Hij reeds tot zich genomen had, op aarde te gedenken en te volvoeren.

Wie niet aangestoken werd door de dialectische theologie, en dus nog leeft uit de verbinding van „Schrift en Historie" en waarde hecht aan de lessen van hetgeen ons het „daar staat geschreven en daar is geschied" te openbaren geven, ziet de figuur van onzen Minister-President onder verrassend licht. Of heeft het ons niets te zeggen, dat hiet hakroost van hen, die uit kracht van| hun „liberale beginselen" de spelbrekers van 1834, als „munt in Nederland niet gangbaar" het land uitgebamien 'hebben, zich nu graag om dezen zoon der Scheiding scharen, en jin een verborgen hoekje van hun hart hopen, dat hij toch maar Minister-Presiident blijven zal, omdat, zonder dat zij' het zelf zien, hij het Reformatorisch beginsel der Afsaheiiding weer tot gelding bracht en alleen hierdoor in bange crisisdagen, dagen van geestelijken en stoffelijken nood, ook dit liberale nakroost behoedt voor de stormen, welke het buitenland rondom ons verteerd hebben?

Mijn boek is een poging hiervan iets te laten zien.

Nooit is het leven van eenig mensch, dien Goid met de leiding van een volk of volksgroep belast, te verklaren uit zijn subjectieve verhouding tot God.

God verkiest in genade over Zijn volk. Hij grijpt, naar dialectisch begrip, gelukkig maar rdet als een bliksemschicht zoo nu en dan in den gang van het wereldleven in. Neen, Hij houdt de •draden van het bestuur van wereld' en volkenleven in Zijn almachtige Hand en volvoert in deze bedeeling Zijn Raad. Wij zien en aanbidden Gods heiligen gang door den loop der historie en belijden, dat Hij het is, die de spanning der leeuwen draagt en volksgeschiedenis tot volksgericht maakt.

Wie dit verstaat, begrijpt ook den dieperen achtergrond van het motto, dat op de titelpagina van mijn boek leen plaats vond:

„Het beste wat een groot man ons kan nalaten, is het voorbeeld hoe hij is geworden."

Hoe hij is geworden, niet in eigen kracht en persoonlijke kwaliteiten, maar onder de leiding Gods, als instrument in Zijn hand.

RUDOLF VAN REEST.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

POPULAIR-WETEN-SCHAPPELIJKE SCHEISEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1937

De Reformatie | 8 Pagina's