Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

26 minuten leestijd

De oude en de nieuwe „diatheke". (I.)

In onze bespreking van den bekenden telcst uit Hebr. 8 (vgl. Jer. 31) waren we toegekomen, gelijk verleden week gezegd is, aan de weergave van onze eigen opinie. Kort gezegd, komt deze hierop neer, dat we (détails daargelaten) in de hoofdzaken aan den kant van lunlus, en niet aan dien van Dr Thijs staan. Wij gelooven, dat Hebr. 8 niet de twee bedeelingen van het verbond tegenover elkaar stellen wil, het ééne als van een uiterlijk, het andere als van een verinnerlijkt verbond, maar dat dit hoofdstuk handelt over de „omstandigheden", de nadere schikkingen, ot beschikkingen, die in elke phase, of bedeeling van het genadeverbond successief opgetreden zijn.

Om te beginnen hebben wij daarbij de oude gereformeerde belijdenisschriften aan onze zijde. Waarmee we natuurlijk de zaak niet voor afgehandeld willen laten doorgaan; dit zou oneerlijk zijn. Maar het zégt ons toch wel wat, nu het gaat over een punt, waarin de meening,

die Dr Thijs in „De Heraut" verdedigd heeft, nopens de verhouding tusschen Oud- en Nieuw Testament, tusschen de oude en de nieuwe „diatheke" (zooals er in Hebr. 8 staat), ons bezwaarlijk te verbinden schijnt met de doorloopende meening der gereformeerde belijdenisschriften in breed verband.

De eenheid van Oud- en Nieuw Testament voor wat de „substantie" des verbonds betreft, wordt dooi'loopend in de gereformeerde belijdenisschriften geleerd; alleen de „omstandigheden" verschillen, de „circumstanties", de velschillende diatheke's, kan men ook zeggen, d.w.z. de onderscheiden schikkingen, beschikkingen. Dienovereenkomstig zegt de Westminster Confessie (1647), dat met Hebr. 8 te bewijzen valt, dat het oude verbond een andere ADMINISTRATIE had dan het Nieuwe; maar, staande tegenover dit Schriftgedeelte, wordt dan tegelijk, in één adem er aan toegevoegd, dat voor den tijd van het Oude Verbond, die administratie voldoende en ook krachtig was (sufficient and efficacious) om de uitverkorenen te doen gelooven in den beloofden Messias (559). Spreekt Dr Thijs, met bei'oep op Jer. 31, van uitwendig tegenover inwendig (eigenlijk: „verinnerlijkt") verbond, dezelfde Westminster Confessie haalt Jer. 31 juist ten bewijze aan voor wat wij aanvaarden: dat hier n.l. geen contrast van uiterlijk-innerlijk, doch een van minder of meer, minder helder of helderder, in gèdtng is. In het Nieuwe Testament is MEER geestelijke kracht, zoo lezen we; waai-na naar Jer. 31 verwezen wordt.

Dit bewijst evenwel niets: er zijn immers gevallen genoeg, waarin een op zichzelf ware uitspraak van confessioneel karakter wordt verbonden aan een Schriftplaats, die voor die uitspraak zelf nog geen bewijskracht heeft Beter is het daarom, te letten op de beteekenis van het woord „diatheke", gelijk dat in Hebr. 8 voorkomt.

Een reeks van verhandelingen heeft reeds daarover zich uitgesproken; de rij groeit nog altijd. We kunnen er niet aan denken, ook maar de voornaamste vragen, die hier zich voordoen, te noemen, laat staan: te beantv/oorden. Genoeg zij thans, op te merken, dat het woord „diatheke", gelijk het in Hebr. 8 voorkomt (en dus met Inachtneming van het hebreeuwsche woord 'berith', dat immers in het daar aangehaalde 31e hoofdstuk van Jeremia voorkomt) niet zoozeer „verbond" als wel „schikking", „beschikking" aanduidt. Men moet het wel ter dege onderscheiden van het woord „verbond", zooals dat in de theologie in den loop der tijden zijn beteekenis verwierf. Zooals er heel wat verschil is tusschen het bijbelsche spreken van Gods „berouw", en de theologische begrippen omtrent Gods al of niet berouw hebben, en gelijk er heel wat verschil is tusschen de bijbelsche aanwending van het woord „genade", en het theologische genade-begrip, zoo is er ook meer dan één plaats, v/aarin - het woord „berith" of „diatheke" voorkomt in een andere beteekenis, dan de theologie in het woord „verbond" als theologischen vakterm vastgelegd heeft.

„Diatheke" nu beteekent volgens het nieuwe woordenboek van Kittel (art. Behm) in den brief aan de Hebreeën „beschikking" (van God, die zijn wil bekend maakt), vandaar: ordening, verordening, inzetting, welke dan weer zelf een daarmee parallel loopende ordening der dingen in het licht doet treden. Onlangs las ik van Prof. Hepp de (niet concreet gemaakte) klacht, dat „men" niet rekende met Prof. Lindeboom's advies: wacht u voor de woordenboeken. Ten overvloede wijzen we daarom er op, dat Prof. Grosheide (Korte Verkl. Hebr.) op dat „eenzijdige" der in Hebr. 8 bedoelde Goddelijke diatheke, oftewel beschikking eveneens reeds daardoor wijst, dat hij in zijn vertaling spreekt niet van verbond maar van „testament". Hebr. 8 : 6v. luidt bij hem aldus:

„Maar Hij heeft thans een zooveel hooger ambt verkregen, als het testament beter is, waarvan Hij middelaar werd, (beter) omdat zijn wetten rusten op betere beloften. Want indien dat eerste testament onberispelijk was geweest, zou er geen gelegenheid voor een tweede zijn gezocht. Immers, Hij berispt hen, als Hij zegt:

zie, er zullen dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik... een nieuw testament zal gereed maken, niet als het testament, dat ik voor hun vaderen maakte...

Want zij zijn bij mijn testament niet gebleven, en Ik heb mij niet meer om hen bekommerd... Want dit is het testament, dat ik aan het huis van Israël beschikken zal ...Ik zal...

Wanneer Hij zegt: een nieuw (testament), heeft Hij het eerste oud gemaakt.

lunius' vertaling en die van Prof. Grosheide komen, voor wat de ons interesseerende punten betreft, veelszins met elkaar overeen

Omdat deze week de „Stemmen uit de Kerken" een groote plaats vragen, breken we voor ditmaal hier af. Er hangen met het besprokene interessante kwesties samen, waarop we volgende week hopen te wijzen.

K. S.

Chr. veizorging van krankzinnigen.

Onder „Kerknieuws" vinden onze lezers de „agenda" der algemeene vergadering der Ver. tot Chr. verzorging van krankzinnigen. Wij willen van deze plaats daarop de aandacht vestigen. Bedoelde vereeniging heeft reeds jaren aaneen mooi en noodig werk gedaan en verdient aller steun. ____ ^ .

'^^^^^Ü: .? : «:

Een dringend verscck-

Een dezer dagen 'heeft een jongeman zich als leerling aangemeld bij een der inrichtingen voor middelbaar onderwijs op christelijken grondslag in ons vaderland Deze jongeman is afkomstig uit Argentinië. Het lijkt mü gewenecht, omtrent hem iets naders mee te deelen

In Argentinië zijn enkele kerken die, vereenigd tol de classis Buenos Aires, tezamen vormen de „Ned Gereformeerde Kerken in Zuid-Amerika". In Buenos Aires, een stad van ruim 2000000 inwoners, was het aantal leden in 1936 plm. 135. In Ghubut (Patagonië), waarvan het gebied zevenmaal zoo groot is als Nederland, en waarin het elemient van Zuid-Afrikaansche boeren overweegt, is een kerk van plm. 300 leden. Tres Arroyos 'had er enkele jaren geleden 148 en Garanüiéh-y (Brazilië) 126. Deze kerken worden met moeite onderhouden. Op 't oogenblik zün er drie predikanten: Ds A. G. Sonneveldt, Ds Jerry Pott en Ds W. V. 'MuHer, die aan deze classis Buenos Aires „geleend" werd; en een klein blaadje, dat deels in 't Hollandsc'h, deels in 't Spaansch geschreven wordt, ondertooudt de correspondentie.

Ofschoon deze kerken officieel met de Nederlandsc'he in verband gezet zijn (de classis Rotterdam heeft bizonder contact er mee te onderhouden), iscaat toch te vreezen, dat op den duur de Nederlandsohe invloed verzwakken zal en het kerkelijk leven sobade Hjden zal.

De overweging ivan een en ander deed d« wenschelük'heid gevoelen van de wetenschappelijke en theologiso'he vorming van iemand, die, zelf uit die streek afkomstig, in Nederland zich zou voorbereiden voor het predikambt. In overleg met officiëele instanties en kerkeraden is tenslotte het ooig gevallen op den jongeman bovenbedoeld, wiens vader Nederlandsob spreekt en van Nederlandscbe afkomst is.

Men begrijpt, dat het keel wat geld kosten zal, becl den studiegang van den bedoelden jongeman te bekostigen. Niettemin is de weg daartoe thans ingeslagen, in de hoop dat na eenigen tijd — er is reeds voorbereidende studie geweest — de gang naar bet staatsexamen met succes kan worden ondernomen en daarna de tbeologische studie in Nederland kan worden ter hand genomen.

Omdat —• ook al gezien den leeftijd van den betrokkene — het beter was, geen jaar te verliezen, zijn: al dadelijk de eerste maatregelen getroffen. Uit een fonds, waarvan ondergeteekende mede het beheer voert, ziJn, voorzoover noodig, de koaten in eersten aanleg gedragen. Waar het echter bier een belang geldt van het gereformeerde leven in Zuid-Amerika en bovendien van den invloed ivan den Nederlandsoben stam op de bevolking van Zuid-Amerika, zou bet aanbeveling verdienen, indien bedoeld fonds ondersteuning kreeg ook van andere zijde. Men verstaat dat de studie, die over verscheiden jaren loopen zal, heel veel zal kosten. ••

•Het is• mijzelf een enkeie maal vergund geweest; üit rapporten omtrent den arbeid, in Argentinië verric'ht, een indruk te krijgen van de intense moeilijkbeien, die ginds to overwinnen zijn (men denfce slechts aan de enorme afstanden).

Mijn vraag is. nu, of er niet onder do lezers van dit blad zijn, die voor bet genomen initiatief zóó dankbaar zijn, dat zij de kosten willen helpen dragen. Ik ben zoo vrij, ben daartoe dringend op te wekken. Eventueele bijdragen worden in dit blad verantwoord. Mochten er zün die bij het lezen van dit artikeltje geneigd zijn mee te belpen, laat dit dan spoedig gebeuren, anders speelt het bekende vergeetboek ons parten. Wij; doen zooveel voor Indië, voor Londen en Parijs, en ik vrees, dat de lasten nog iveel te veel op enkele schouders rusten. Het zou mij zeer verblijden, wanneer ze in dit geval over verscheidene broeders en zusters werden verdeeld. Zou ik enkele giro-zendingen mogen tegemoet zien? Mijn giro-nummer is : 127278.

'Ê0M K. Sobilder.

De Groote Catechismus van Zacharias Ursinus. (II.)

53. Wat is het onderscheid tusschen het Oude en Niewwe Testament?

Het is hetzelfde testament of verbond Gods met alle uitverkorenen vanaf de eerste belofte, die in het paradijs bekend gemaakt is, aangaande het zaad der vrouw, die den kop der slang zou verpletteren, tot aan het einde der wereld; maar het wordt het Oude en het Nieuwe genoemd, omdat eenige omstandigheden en de teekenen van het verbond veranderd zijn.

Eerstelijk toch werd in het Oude geloofd in Christus, die nog komen moest; wij gelooven in het Nieuwe in Christus, die gekomen is.

Ten tweede, het Oude (Testament) had de belofte aangaande den Israëlietischen burgerstaat, die bewaard moest worden tot op Christus; in het Nieuwe (Testament) hebben wij alleen de algemeene belofte, dat de Kerk bewaard zal worden onder alle (burgerlijke) regeeringen, welke dan ook.

Ten derde, het Oude (Testament) had de Levietische ceremoniën, voor welke, nadat zij in het Nieuwe (Testament) waren afgeschaft, Christus den Doop en Zijn Avondmaal heeft ingesteld.

Ten vierde, het Oude (Testament) is donkerder, het Nieuwe klaarder.

34. Verder waaruit weten wij, dat God eulk een verhond met de menschen aangaat? Uit het Evangelie.

35. Wat leert het Evangelie?

Wat God ons belooft in het verbond Zijner genade; op welke wijze wij daarin ontvangen worden; en hoe wij weten, dat wij daarin zijn; d.i. hoe wij van de zonde en den dood verlost worden, en (hoe) wij van deze ver- Jossing zekerheid, verkrijgen.

TÜi deze rubriek hebben we daarom reel's r— zoncter eenig polemisch doel — naar voren gebracht wat Dr A. Kuyper over deze matelie heeft geschreven. We willen nu een en ander van wat Prof. Dr H. H. Kuyper over deze aangelegenheid] heeft gepubliceerd weer in de herinnering terug roepen — of — indien men er niet mee bekend is geweest — voor het eerst onder de aandacht van onze lezers brengen.

We doen dit uitsluitend om min of meer vergeten materiaal naar voren te brengen, dat toch, voordat een eindconclusie in dezen wordt gevonnd, zeer zeker ernstig overwogen moet worden.

Om het overzicht te vergemalikelijken, zullen we typeerende „kopjes" erbij voegen en af en toe een zin spatiëeren.

* In de jaai-gangen van „De Heraut" uit het begin dezer eeuw wordt niet veel over deze kwes.tie gesproken. Er was een gemeenschappelijke overtuiging, n.l. die welke de groote leiders der Doleantie, Prof. Rutgers en Dr Kuyper, eir bij de

broederen hadden ingehamerd.

Toch vinden we af en toe wat. Zoo in het nummer van 26 Mei 1907 (No. 1534). Aan Prof. Kuyper was de vraag gesteld, of een emeritus-predlkant, die tijdelijk den dienst dies Woords enz. in een vacante gemeente waarneemt, door den Kerkeraad van die gemeente mag worden afgevaardigd naar de classis als afgevaardigdemet-keurstem. Prof. Kuyper antwoordt zondter eenige reserve, dat dit geheel geoorloofd is en het besluit der classis om genoemden predikant niet

toe te laten keurt Prof. Kuyper zeer beslist af. Prof. Kuyper neemt dan uit die vraag aanleiding om deze afvaardiging ter classis wat meer in het algemeen te zien en schrijft dan

over de afvaardiging naar de meerdere vergaderingen

aldus: Maar ook afgescheiden daarvan kan een classis de toelating met keurstem niet weigeren aan degenen, die de Kerlieraad op wettige wijze lieeft afgezonden. Onze vaderen hebben daarbij nooit geoordeeld, dat de wettigheid van die afvaardiging afhing van de vraag, of zulk een persoon ambtsdrager in die kerk was of niet. Als regel verdient het zeker aanbeveling, dat de Kerkeraad alleen ambtsdragers uit zijn midden afvaardigt en onze Kerkenorde schrijft dit dan ook als regel voor. Maar dat men dezen regel nooit Als een absolute bepaling heeft opgevat, blijkt wel daaruit, dat men meermalen zelfs op synodale vergaderingen personen heeft afgevaardigd, die op dat oogenblik geen ambt hadden, geen lid waren van den Kerkeraad, maar eenvoudig lid waren der gemeente. Zoo .heeft de Overijselsche Synode in 1618 twee personen afgevaardigd naar de Dordtsche Synode, die daar met keurstem hebben gezeten en toch geen ouderling of predikant waren. En de Synode van Dordt heeft er niet aan gedacht hun het stemrecht te weigeren.

Ook Voetius, onze beste Canonicus, oordeelt er niet anders over. In zijn „Pol. Eccl. Pars III", p. 194 handhaaft hij het recht van den Kerkeraad om ieder lid der gemeente, die naar zijn oordeel bekwaam is, naar de classis af te vaardigen, al vervult die geloovige geen enkel ambt in die kerk. De gedachte alsof de predikanten en ouderlingen, omdat ze ambtsdragers zijn, zeker recht zouden hebben om de meerdere vergaderingen met keurstem bij te wonen, wordt door Voetius uitdrukkelijk bestreden. Men komt op de meerdere vergadering niet als ambtsdragers saam, maar als Kerken en de Kerken hebben te beslissen, wie ze als haar afgevaardigden willen zenden. Ze kunnen daartoe ambtsdragers afvaardigen; zelfs zal dit in den regel wenschelijk zijn, maar die afgevaardigde ontleent dan zijn qualiteit niet aan zijn ambt, maar aan de afvaardiging door den Kerkeraad. Niemand kan daarom den Kerkeraad verbieden als zijn representant of vertegenwoordiger naar de meerdere vergaderingen iemand te zenden, die geen ambtsdrager, maar een gewoon lid der gemeente is. En waar een emeritus predikant, die een jaar lang den dienst waarneemt in een andere Kerk, dan toch zeker als lid dier gemeente wordt beschouwd en daarheen ook attestatie overbrengt, daar kan de Kerkeraad hem zelfs als gewoon gemeentelid met keurstem afvaardigen.

Het besluit van de bedoelde Classis schijnt ons daarom met de beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht in strijd te zijn. Hel verwart de ambtelijke qualiteit met de qualiteit van afgevaardigde van den Kerkeraad en zon daardoor, al is dit niet zoo bedoeld, een zekere hiërarchische idee kunnen invoeren. En het randt ook op niet onbedenkelijke wijze de zelfstandigheid der plaatselijke kerk aan, die zelve te bepalen heeft, wie ze afvaardigen zal en in dat recht niet door de Classis mag verkort worden.

In het begin van het jaar 1911 geeft Prof. Kuyper •weer een en ander over de meerdere vergaderingen en dat naar aanleiding van het feit, dat in dat jaar weer een Generale synode gehouden zal worden. Voor alles ontvangen we een beschrijving van

de wijze waarop de kerken in synodale vergadering bijeen beraadslagen en besluiten.

Het nieuwe jaar dat we zijn ingetreden, belooft als synodaal jaar voor onze Kerken van bijzonder gewicht te worden.

Volgens het voorschrift onzer Kerkenorde verga^ deren onze Synodes slechts eens om de drie jaren. Wenschelijk ware het zeker, dat de Generale Synode telken jare saamkwam; maar om de hooge kosten, die elke Synode voor de Kerken meebrengt, en niet minder om den ingespannen arbeid, die ter Synode van de afgevaardigden en adviseurs gevraagd wordt.

is dit niet wel uitvoerbaar. 'En. misschien is het ook voor de rustige ontwikkeling van het kerkelijk leven beter dat de spanning, die een Generale Synode te voorschijn roept, niet te spoedig herhaald worde. Temeer is het echter eisch, wanneer een Generale Synode saamkomt, dat de Kerken zich dan ook rekenschap geven van wat ter Synodale tafel zal gebracht worden.

Niet alsof onze kerkeraden, classioale vergaderingen en particuliere Synodes reeds vóór de Synode beslissingen zouden te nemen hebben over allerlei onderwerpen, die op de Synode zullen behandeld worden. Zoo hebben de Remonstranten het gewild, die het omslachtige en onhandige regeeringsstelsel der Republiek ook op ons kerkelijk leven wilden toepassen. Elk afgevaardigde ter Synode moest een bepaalden lastbrief medebrengen, waarin de Kerken, die hem afvaardigden, voorschreven, hoe hij stemmen moest. Bleek het, dat de meerderheid der Synode een ander besluit wilde nemen, dan moesten de afgevaardigden eerst reces nemen, gelijk men het noemde, tot hunne committenten, d.w.z. ze moesten de Synode opschorten en aan de particuliere Synode toestemming vragen, om tot dit besluit mede te werken. Ook deze particuliere Synode kon dan wederom geen beslissing nemen, zonder dat de Classen vergaderd waren geweest om over de aanhangige zaak een besluit te nemen. Terwijl eindelijk de Classis op haar beurt weer geen beslissing kon nemen, zonder hiertoe door de Kerkeraden te zijti gemachtigd.

Volkomen terecht zijn onze vaderen tegen dit dwaze, tijdroovende en allen arbeid der Synode onmogelijk makende stelsel opgekomen. Praktisch is er geen dwazer stelsel denkbaar, want de Synode zou over niet één gewichtig punt een beslissing kunnen nemen, zonder dat telkens weer alle Kerken waren gehoord. E'n principieel miskent dit stelsel, dat op de Synode de kerken door haar' afgevaardigden vertegenwoordigd zijn en volle macht hebben om onder de leiding des Heiligen Geestes besluiten te nemen. Het voorbeeld van de eerste Synode te Jeruzalem gehouden, leert het dan ook geheel anders. De Kerk van Antiochië zendt de afgevaardigden naar Jeruzalem, om over een gewichtig punt een beslissing te vragen, en de Apostelen met de ouderlingen geven die beslissing, zonder dat vooraf aan de Kerken, wien dit besluit gold, om haar goedvinden was gevraagd. Van een mandaat imperatief kan dus in ons Kerkrecht geen sprake zijn, en de Kerken hebben wel toe te zien, dat ze niet tegen dit grondbeginsel van ons Kerkrecht handelen.

De kerken geven hunne afgevaardigd'en geen bindend mandaat mee. Toch moeten de kerken op andere wijze geheel dten arbeid der synode beheerschen. Want:

de kerken leveren de stof voor den arbeid der Synode.

Maar al is het stellig niet de roeping der Classen en Particuliere Synoden om aan de Generale Synode voor te schrijven, welke beslissing zij nemen moet, toch wil dit daarom zeker niet zeggen, dat de Kerken ten opzichte van de Synode geen roeping zouden te vervullen hebben. Vooreerst toch geldt als regel, waarvan zeker alleen bij hooge uitzondering mag worden afgeweken, dat de Synode bij haar agendum gehouden is aan de punten, die door de particuliere Synoden, Classen of Kerken zijn ingezonden. De Kerken hebben dus door de voorstellen, vragen, wenschen enz., die ze inzenden, de stof voor den ar beid der Synode te leveren. Reeds dit nu is een zeer ernstige en gewichtige zaak. Een Synode, die geen enkel belangrijk onderwerp op haar agenda vond, zou met louter administratieve maatregelen en de afdoening van enkele tuchtzaken zich hebben bezig te houden, maar geen arbeid van blijvende beteekenis kunnen verrichten. Niet de Synode toch heeft te bepalen, welke zaken van algemeen belang door haar aan de orde zullen worden gesteld; maar de Kerken moeten zorgen, dat een welvoorzien en weldoordacht agendum op de synodale tafel worde neergelegd. Hoe rijker het program is, hoe beter het voor den arbeid der Synode wezen zal. In dat opzicht is de invloed der Kerken op den arbeid der Synode dus zeer groot en hangt het welslagen der Synode zelfs voor een goed deel van dezen voorbereidenden arbeid der Kerken, om bijtijds zich rekenschap te geven van de vraagstukken, die ter Generale Synode behooren gebracht te worden. Al scheidt ons nog een half jaar van de Synode, de classicale en provinciale vergaderingen, die voor het agendum der Synode te zorgen hebben, naderen reeds vrij spoedig. En al is het nu volkomen waar, dat de meeste vraagstukken wel vanzelf door de omstandigheden van ons kerkelijk leven, door de publieke besprekingen in de pers of door den invloed van leidende personen op den voorgrond geschoven worden, om dan in den vorm van een bepaald voorstel ter Classis en particuliere Synode te worden gebracht, toch kan men het op deze toevallige factoren niet laten aankomen. De kerken zelf hebben nauwgezet en ernstig te overwegen, of er ook zaken van algemeen belang zijn, waarop de aandacht der Synode behoort gevestigd te worden. En we dienen deze voorstellen juist geformuleerd en in behoorlijken vorm ter meerdere vergadering in te dienen, opdat de Synode wete, wat de bedoeling der kerken is en zij een juiste beslissing kunne nemen.

Behalve deze taak hebben de kerkelijke vergaderingen nog een andere. Ze moeten de onderwerpen bespreken teneinde een definitieve beslissing mogelijk te maken. Een synodale beslissing mag alleen komen als een zaak van alle kanten bekeken is. Hiertoe moet ook. de kerkelijke pers meewerken. En daarom:

de kerkelijke vergaderingen en de kerkelijke pers moeten de onderwerpen, die op de synode behandeld zuUen worden, rijp maken voor een beslissing.

Niet minder noodig is in de tweede plaats, en ook dit behoort tot den voorbereidenden arbeid voor de Synode, dat de Kerken vooraf de onderwerpen bespreken, die op de Synode zullen behandeld worden, opdat er klaarheid en helderheid kome. Al heeft alleen de Synode het recht om een beslissing te nemen, toch sluit dit zeker niet uit, dat in de kerkelijke vergadering en in de kerkelijke pers vooraf over deze onderwerpen niet van gedachte zou kunnen gewisseld worden. Zelfs kon dit aan een juiste beslissing der Synode niet weinig ten goede komen. Men vergete toch niet dat de Synode, die in een paar weken zooveel arbeid heeft af te doen, vaak zeer gehaast beslissen moet en de tijd voor uitvoeriger en grondiger discussies dan niet zelden ontbreekt. Hoe meer daarom zulk een onderwerp van te voren overdacht en bezien is, de voor- en nadeelen in hel licht zijn gesteld, de maatstaf der beginselen is aangelegd en kritiek is geoefend, hoe meer kans men zal hebben, dat, wanneer de Synode ter beslissing saamkomt, de vrucht rijlp zal wezen om geplukt te worden!

O. V.

Euyperlana.

Dr Kuyper Sr over de „Chr. Geref. Kerk".

't Is uit historisch oogpunt zeker de moeite waard na te gaan, hoe een man als Dr Kuyper over het ontstaan der „Chr. Geref. Kerk" van 1893 oordeelde.

Gelijk men weet, hebben enkele broeders zich toen uit de Geref. Kerken, zooals die sinds de vereerdging van Chr. Geref. Kerk en Nedterduitsch Geref. Kerken in 1892 bestonden, afgescheiden en hebbem daarna de tegenwoordig nog bestaande Chr. Geref. Kerk gesticht.

Dr Kuyper schrijft over die scheiming, die, zooals bekend' is, vooral door Ds van Lingen werd tot stand gebracht en doorgezet, betrekkelijk weinig. 't Eerste woord van Dr Kuyper over die droevige geschiedenis vinden we in , , De Heraut" van 11 Sept. 1892.

De Heer Renkema, een der leidende figurem onder hen, die van de vereeniging van 1892 niets wilden weten, had n.l. geschreven, dat reeds ia vroeger eeuw de naam Chr. Geref. Kerk als; officiëeliö naam voor de Geref. Kerk in ons Vaderland voorkwam. In de „Zuid-Hollandsche Kerkbode" neemt Ds Sikkel dit beweren onder de loupe en rafelt het met overvloed van bewijs uiteen. Dr Kuyper neemt dat art. van Ds Sikkel over en plaatst er het volgende bijschrift boven:

In de „Zuid-Hollandsche Kerkbode" heeft Ds Sikkel de fractie-Van Lingen op de vingers getikt op een wijze, die lang niet malsoh, maar dubbel en dwars verdiend is.

Verbeeld u, de heer Renkema van Utrecht, die met Ds Van Lingen in het „Wekkertje" de klok van het sectarisme luidt, had er zich op beroepen, dat in de kerkordening van 1612 toch wel degelijk officieel de naam van Christelijke Gereformeerde kerk voorkomt.

Hiermee nu liep de heer Renkema er deerlijk in, want deze publicist wist blijkbaar niet, dat de Synode van 1612 een Remonstrantsohe Synode was, en het is het voorbeeld van die Remonstrantse h e Synode, dat hiji thans aanprijst.

De Heer Renkema scheen evenwel door Ds Sikkels betoog niet overtuigd te zijn, tenminste üi „De Heraut" van 25 Sept. 1892 (No. 770) verscheen het volgende stukje van Dr Kuypers hand:

De heer Renkema wil zijn verloren zaak goedpraten, en werkt er zich nu hoe langer hoe dieper in.

Hij schreef toch in het „Wekkertje" een lang stuk, om aan te toonen, dat er in de 17e eeuw van overheidswege niet zelden toch gesproken werd van de ware Christelijke Gereformeerde religie.

Nu heeft dat niemand ooit ontkend, maar is lang voor hem door anderen, en ook door ons, opgemerkt. Doch wat baat hem dit?

Hij zou bewijzen, niet dat er door de Overheid van de Christelijke Gereformeerde religie, maar dat er door de kerken, officieel kerkrechtelijk, van de Christelijke Gereformeerde ker-r ken gesproken werd.

En dit juist bewijst hij n i e t.

Zijn verweer maakt dan ook een droeven indruk.

Het is het willen gelijk hebben van iemand die ongelijk heeft, en nu heil zoekt in groote woorden.

Dit spijt ons voor een man, dien we anders steeds hebben hooggeacht.

Maar hoe kan het anders?

Ge ziet hier uitkomen het invretend kwaad van alle schismatieke zonden.

Een volgende opmerking komt pas ia October 1893 (Heraut 827, 29-10-93).

In „De Wekker" der Chr. Gerefo^rmeerden was critiek geoefend op een passage uit de rede van Ds Gispen, gehouden in den bidstond, die aan de Synode van Dordrecht, in 1893 gehouden, voorafging. Ds Gispen had daarin gezegd, dat de leiders der Chr. Geref. niet inzagen, dat zij slachtoffersi waren, wellicht van hun persoonlijke eigenaardigheden, maar vooral van verborgen werkingen van geesten, die hen zoomin als de Gereformeerden beminden, doch die hen gebruikten om beroering te verwekken, onrust, wantrouwen en verdeeldheid te zaaien, om zoo de Geref. Kerken te verzwakken.

, , De Wekker" meende, dat op daemonische geesten, op duivelen werdgedoeld, maar Ds Gispen had alleen het oog op „geesten", die zich uitspraken in het „Algemeen Handelsblad", het „Nieuws van den Dag", de „Gereformeerde Kerk" en andere bladen: geesten, die hvm afkeer van alle separatisme niet onder stoelen of banken staken,

maar het separatisme van Ds Wdss© c.s. goedkeurden om de zegenrijke gevolgen dier getroffen vereeniging aller Gereformeerde Kerken zoo gering mogelijk te maken.

Uitvoerig wordt dit alles in „De Bazuin" rechtgezet. Dr Kuyper, dit Bazuin-artikel overnemende, plaatst eronder:

Dit is ter zake en afdoende.

Och, het is nu eenmaal een feit, dat het Christus toliefd heeft, in Zijn kerk Joden en Grieken, Scythen en Barbaren te doen saamwonen, mits ze Hem als hun Heere en Koning heleden.

Maar voor ons, 't zij we dan van nature Joden of Grieken, Scythen of Barbaren zijn, valt het kerkelijk isaamwerken niet zelden hoogst moeilijk.

Hadden wij het voor het zeggen, we maakten voor de Scythen en voor de Barbaren allemaal afzonderlijke kerken.

Maar het mag niet.

Christus wil het niet.

In Januari 1894 vinden we weer wat. Ook nu weer naar aanleiding van een artikel van Ds Sikkel, dat Dr Kuyper, voorzien van een onderschrift, overneemt. Ds Sikkel antwoordt op een vraag, hem gesteld, om stuiken op te nemen tégen „De Wekker", dat hij dat niet doen zal. Een eerlijke bespreking van die kwesties heeft hij met ernst gezocht. Maar „De Wekker" sdhreef toen zóo oneerlijk, zóo vleeschelij k, zóo beneden peil, dat er z.i. geen naam voor was.

Hij kan nu niet verder gaan. Zijn oonsdentie is vrij. Ds Silckel schreef over den kinderdoop, over den naam „Chr. Geref. Kerk". Hiji heeft getuigd

„tegen de mannen van „De Wekker", dat zij heJ Arminiaansohe collegiale kerkrecht weer invoeren tegen het licht der gereformeerde beginselen in, en zoo op een pauselijke kerk uitloopen.

Dat zij zich in strijd met de belijdenis v a n d e gereformeeirde kerken afscheiden.

Dat zij in dien weg het werk der vaderen van 1834 te schande maken, een magerheid over de zielen brengen en zich bezondigen tegenover Gods kinderen en Zijn verbond.

Wij willen van dit alles rekenschap geven, mits men voor Gods Woord bukken wil en van alle oneerlijk verdachtmaken en spreken tegen het licht in, wil aflaten.

Brenge de Heere deze mannen nog eens in den weg, die naar Gods getuigenis is.

Ons beware Hij, dat wij geen dienaars van menschen worden, maar door genade Hem zonder berekening volgen mogen.

Wie ons daarom verlaat, of veracht, die moge dit voor God verantwoorden.

Zegt tot de kinderen Israels, dat zij voorttrekken. Voorttrekken tot vereeniging der kerken.

Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? "

En dan volgt Dr Kuypers onderschrift aldus:

Dit is niet te sterk geoordeeld.

Met onuitputtelijk geduld, met een Christelijke kalmte die bewondering wekte, en met een bondigheid van logische bbwijskracht, die alle kritiek tartte, heeft Ds Sikkel het beproefd de redactie van „De Wekker" te overtuigen, da, t ze tegen waarheid en recht inging.

, Nu „De Wekker" hiertegenover niets dan continuatie van eigen zin en wil heeft gezet, ware verdere strijd tegen dit blad wat het volk noemt: „boter aan de galg".

Eindelijk in No. 841 van „Da Heraut" (4 Febr. 1894) komt een uitvoerig artikel met als opschrift „De Ontevreden broederen". Het begint aldus:

Tot dusver lieten we ons nog bijna niet uit over de „ontevreden broederen", die hier en daar aan hun kerken den rug toek> , erden, en een nieuw genootschap tegenover onze kerken hébben opgericht. ,

Dit zwijgen moet niet verklaard uit mindere belangstelling. Het werd ons bijna uitsluitend opgelegd door het feit, dat schier al deze broederen tot de vroegere Separatie hadden behoord, ter oorzake waarvan het ons minder kiesch scheen, ons in dit familie-incident ! te mengen.

Hier kwam dan, als tweede beweegreden, nog het niet wel te loochenen feit bij, dat er aan disputeeren uit de beginselen met deze „ontevreden broederen" kwalijk te denken viel. Er was toch niemand onder hen, die van het Gereformeerde kerkrecht behoorlijk op de hoogte was; hoeveel men zelfs in de kennis der Gereformeerde leerstukken te kort schoot, bleek maar al te zeer uit de historisoh-onhoudbare positie, die men innam in zake den kinderdoop.

Hield reeds dit tweetal feiten ons van inmenging terug, ook de ervaring die Ds Sikkel opdeed, was verre van uitlokkend.

Men versta ons wel. We zijn niet van oordeel, dat Ds Sikkel in zijn oordeelvellingen over zekere min juist geregelde aangelegenheden onder de voormalige Separatie altoos de juiste maat heeft gehouden. Soms zelfs maakte hij op ons den indruk van te forsche tinten op zijn palet te mengen.

Maar dit verwijt geldt ganschelijk niet zijn optreden tegen deze „ontevreden broederen". Dezen heeft hij te woord gestaan met een kalmte en een zachtmoedigheid die boven onzen lof waren.

Met name in zake de bijvoeging „Christelijke" voor , ', Gereformeerde" heeft hij zóó onbetwistbaar en overtuigend aangetoond, dat deze bijvoeging, aan onze vaderen geheel vreemd, juist van Oldenbarneveldsche en Remonstrantsohe zijde gebezigd was, dat eerlijkbeid gebood, ongelijk te erkennen.

Dat toen deze „ontevreden broederen" er niet toe zijn kunnen komen, om deze eerlijkheid te betrachten, verried een gemis aan „waarheidsliefde", waarvEin de schuld niet aan hun niet beter weten, maar aan hun eenmaal ingenomen valsche positie lag. i

C. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken