GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

OM HET HART DER REFORMATIE, IX.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OM HET HART DER REFORMATIE, IX.

13 minuten leestijd

Het woord bevat alle beloften Gods, en het geloof neemt ze alle aan. De inhoud van het woord is Christus, de gansche Christus Dr H. Bavinck.

Het duurde na de synode van 1836 niet zoo heel lang of het conflict over de doopsbediening nam grooter omvang aan. De beide rivalen traden namelijk ongeveer een jaar na de eerste kerkvergadering der afgescheidenen óók publiek tegen elkaar in het krijt. Wat ze' reeds lang op kerkelijke vergaderingen, in correspondentie en ter conferentie verdedigd hadden, maakten ze ten slotte in tijdschrift en brochure algemeen bekend.

Het eerste wat over de ons bezighoudende kwestie van de pers kwam is een artikel in , , De Reformatie", het bekende „Maandschrift" der Afgescheidenen. Het werd in hot late voorjaar van 1837 gepubliceerd') en heeft tot opschrift: „Belijdenis van J. A. Smeedes, Ouderling der Gemeente Jesu Christi, te Assen, aangaande den kinderdoop en deszelfs bediening". Deze Smeedes was een zeer bekende figuur in de wereld der Afgescheidenen-). Als jongeman van nog geen dertig jaar was hij reeds lid van hun eerste synode. Hoewel zeer bevriend met De Cock 2) schaarde hij zich ten aanzien van de doopskwestie resoluut aan de zijde van Scholte, En zooals Wel zal blijken: hij weet zijn standpunt helder uiteen te zetten en uitnemend te verdedigen. Wat het genoemde artikel van Smeedes vooral belangrijk maakt is het feit, dat de redactie van „De Reformatie" — dat beteekent practisch: Ds Scholte — in een noot verklaarde, in het stuk niets gevonden te hebben, dat strijdig was met de leer der kerk en dat „de hoofdzaak in dit stukje voorgedragen ook het gevoelen der Redactie is; woorden en uitdrukkingen zijn en blijven echter voor rekening van den Schrijver".

We willen dit artikel van Smeedes nu nauwkeurig bekijken. We doen dat vooral omdat het globaal genomen het gevoelen van Scholte over den doop weergeeft. Het gevoelen dus van dien man, die volgens Prof. P. J. M. de Bruin een ei heeft gelegd, dat „later uitgebroed (werd) aan de Vrije Universiteit tot een door ons niet aanvaard kuiken, dat in de Geref. Kerken nog altijd gekoesterd wordt"*); de man naar

wien, ook volgens Dr Smilde, de Synode van 1837, althans wat de dogmatische kwesties betrof, veel meer heeft geluisterd dan naar. Hendrik de Cock.

Smeedes begint zijn uiteenzetting met de opmerking, dat hij met zijn stuii*rekénschap wil afleggen van zijn geloof ten aanzien van den kinderdoop en „deszelfs bediening". De gemeente van Assen, die het dus blijkbaar met haar' ouderling in dezen goed eens is, heeft zich om haar opvattingen daaromtrent, reeds lang de „hatelijkste sèctenamen" moeten laten welgevallen! Welke die zijn, behoeven we nü niet meer te vragen! Eet blijkt ten'overvloede nog uit de reeds genoemde redactioneele noot onder Smeedes' artikel. Want daarin wordt verklaard, dat de schrijver aantoont, „dat de sèctenamen van Labadist, Mennoniet, Independent, zeer ten onrechte op hem en zijne medebroeders worden toegepast". Bovendien was Smeedes van „onderscheidene zijden" uitgenoodigd, de gronden, waarop zijn gevoelen steunde, op te geven. En zoo greep hij ten slotte naar de pen. „De beide broeders diakeneh" en „verscheidene broeders en zusters in deze gemeente" stemden geheel' met zijn gevoelen in. We willen nu den dtaad van het betoog, dat Smeedes als vertolking van zijn geloof in dezen en als „openlijke belijdenis daarvan in de wereld" gaf, van stuk tot stuk • volgen, hier en daar een enkele gedachte wat scherper aocentueerend en belichtend.

Beginnend bij het begin, belijdt Smeedes, dat God aan zijn kerk twee sacramenten heeft gegeven, n.l. de besnijdenis en hst pascha onder het Oude Testament en de doop en het avondmaal in het Nieuwe^). Deze sacramenten omschrijft hij dan, in aansluiting aan Zondag 25 van den Catechismus als „heilige zigtbare waarteekenen en zegelen van het vejrbond der genade". Dit genadevérbond — zoo gaat het betoog verder — heeft God, d'adelijk na de verbreking van het werkverbond door Adam; reeds in het Paradijs met de geloovigen opgericht. Op dit feit legt Smeedes den vollen nadruk. Want aan deze uitspraak voegt hij de opmerking toe: „en met die (geloovigen) alleen"!'') We willen dit even noteeren. De sacramenten van doop en avondmaal — zoo hooren we vervolgens — aijn „van eene en dezelfde waardigheid. Ze hebben beide dezelfde beteekenis, ze verzegelen beide dezelfde zaak, n.l. „de wassching, reiniging en vergeving aller zonden, door de eenige slagtofferande Christi aan 't kruis geschied"''). Voorts moet goed vastgehouden worden, dat die Sacramenten „niet werken door eene ingezette kracht, waardoor, waarom of waarop de genade gegeven wordt". Neen, zij werken alleen „beteekenender en verzegelender wijze"*'). Wat Smeedes met deze stelling bedoelt is duidelijk. Afwijzend de roomsche sacramentsopvatting, welke de sacramenten ziet werken krachtens de handeling, die voltrokken wordt (ex opere'operate), zet hij in het volle licht de reformatorische opvatting, dat de sacramenten alleen dan_, zaligmakend werken als ze als een door God gesproken, beteekend en verzegeld, belofteewoord door een waar geloof worden ontvangen en gebruikt. Ten slotte betoogt de Asser ouderling, dat alleen de g e-1 o o V i g e n, welke de belofte van het genadeverbond door een geschonken geloof hebben aangenomen, recht op de sacramenten hebben en alleen aan dezen mogen bediend worden. Alleen de geloovigen hebben „regt aan dezelve" en alleen aan. hen mogen, ze bediend worden , , als zij openlijk van dit hun geloof belijdenis doen, en dezelve met een godzaligen wandel bevestigen". Omdat de Kerk over het hart „niet oordeelen kan, of mag, of wil — men lette op deze goed gekozen trits — houdt zij dezulken naar den aard der liefde, voor broeders en zusters in den Heere, en leden der Gemeente Christi"^).

Op bovengenoemde wijze nu zet Smeedes zijn stukken op.

Met spanning vragen we ons af als we deze door hem ingenomen positie goed in ons opgenomen hebben, hoe zijn „spel" zich nu verder zal ontwikkelen.

Want Smeedes moet nu over de kinderen gaan schrijven: over hun positie in het verbond, over hun recht op den doop, den grond van hun doop, over de vooronderstellingen, de beteekenis en de kracht van hun doop.

En hij moet dat doen, nadat hij met alle kracht twee stellingen heeft geponeerd, die z.i. onwrikbaar zijn, n.l.:

a. alleen met de geloovigen is het genadeverbond opgericht;

b. alleen de ge1oovigen hebben recht op den doop.

Was Smeedes nu doopersch, dan zou hij moeten zeggen: de kleine kinderen kunnen niet gelooven en dus kunnen ze niet in het verbond begrepen zijn en dus komt hun de doop niet toe.

Was hij synodocratisch-Gereformeerd, aanvaardde hij dus ook de doopersche .probleemstelling, dat het verbond „naar zijn inwendige — dat wil zeggen: zijn e i g e n 1 ij k e — zijde", dus naar zijn

wezen, alléén voor de geloovigen is en dat ook de doop, de „ware" doop, alleen voor de geloovigen is, dan moest hij betoogen, dat we er nu van moeten uitgaan, dat die kinderen wérkelijk tot dat verbondnaar-zijn-inwendige-zijde behooren en werkelijk geloovigen zijn en dat hun nu onder die veronderstelling, de doop moef worden toebediend.

Maar wat zegt Smeedes, die geestverwant van den, dat booze ei leggenden, Scholte?

Heel nuchter begint hij met op te merken, dat de kinderkens de zoo-even genoemde voorwaarde — n.l. het doen van belijdenis en het vertoonen van een godzaligen wandel — niet kunnen voldoen, maar , , dat de kinderkens der geloovigen (toch) het Sacrament des Doops mogen en moeten ontvangen, op allerkrachtigsté gronden en bewijzen".

En hij zal dan deze gronden en bewijzen zijn lezers voorstellen eerst „ontkennenderwijze" en dan „stellenderwijze".

Als we dat vernemen zijn we weer aanstonds een en al oor.

Vier vermeende gronden voor den doop wijst Smeedes daarna af. We zullen ze één voor één bekijken.

Ie. De doop der kinderen wordt niet bediend op grond van een uitwendig verbond. Zulk een verbond bestaat eenvoudig niet! Want na den val kan God geen verbond oprichten dan in en door den Borg Christus. Maar die is alleen Borg van het G e-nadeverbond. Wie moet er dan borg zijn van dat uitwendig verbond? Bovendien, als er zoq'n uitwendig verbond zou zijn — welke zegelen zou het dan bezitten? De doop en het avondmaal komen daarvoor niet in aanmerking, want die zijn zegelen van het Genade verbond! Een uitwendig verbond zou dus een verbond zijn zónder Middelaar en zónder Sacramenten en dat is dwaasheid.

2e. De doop der kinderen wordt óók niet bediend op grond van inklevende heiligheid, betoogt : Smeedes vervolgens. Als we dat lezen, spitsen we onze ooren nog eens extra goed. Want ten aanzien van de heiligheid der bondskinderen hebben onze synodocratische broederen een zeer diep verankerde overtuiging. De heiligheid van die kinderen — het in-Christus-geheiligd-zijn is naar zij steeds betoogen „inwendige heiligheid".

Wat zegt nu Smeedes hieromtrent?

De doop der kinderen wordt niet bediend op grond l van een inklevende heiligheid, om twéé redenen niet!

a. De grond voor den doop — „ik zegge de ; grond" — kan niet in onszelve liggen. Die ! grond ligt alleen „in de verbondsbelofte". — Daar gaat Kuyper's veronderstelde wedergeboorte!

b. Deze grond zou een zeer onzekere grond zijn, „want al mogt het al eens waar zijn (dat deze grond) in sommige (kinderen aanwezig is) wat ik echter niet ; kan gelooven, zoo is dat' het geval toch niet met alle . te doopene kinderen, gelijk uit de ervaring blijkt, zoodat dit de grond ook niet kan zijn van kinderen te ; doopen".

3e. Grond voor den kinderdoop is ook niet de verkiezing. Wij mogen immers over den wil Gods niet h '. uit zijn verkiezing giaar alleen uit zijn woord oordeelen. Bovendien zou de verkiezing „een geheel onzekere grond zijn, steunende op een bloot m i s - s c h i e n". Ik kan immers ten opzichte van de kinderen nooit verder komen dan het vermoeden: mis­ t schien is dit kind, zijn deze kinderen wedergeboren! Bovendien valt dit misschien „geheel in duigen", 1 wanneer ik er een ander misschien, dat van het: misschien zijn ze verworpen, tegenover plaats"). Zou aan een uitspraak als deze later Ds Kok ztjn i bekende typeering van de veronderstelde wedergeboorte 3 als een „misschien" van een „misschien" hebben ontleend?

4e. Ook „de uitwendige roeping" of „het leven onder de bediening van het verbond" kan geen grond voor den doop zijn. Er zijn, zoo betoogt Smeedes, inderdaad vele „uitwendige vocftrechten", die een mensch door die uitwendige roeping in het leven onder de bediening van het verbond ten deel vallen. Maar daardoor heeft hij, evenmin als een blinde heiden recht op de verbondsbelofte^i). En deze alleen is de grond voor den doop.

Wie dit alles nauwkeurig overleest, ontdekt reeds een paar zeer belangrijke gegevens.

Vooreerst dit: Smeedes gelooft zélfs niet, dat „in sommige gevallen", kinderen des verbonds , , inwendige heiligheid" bezitten. Zou deze man dan al de kinderen willen beschouwen en behandelen als kinderen, welke die inwendige heiligheid ontvingen?

Vervolgens: Smeedes kan alleen als grond voor den doop iets erkennen, dat inderdaad , , in" of liever „onder" eiken toebedienden doop aanwezig is. Een constructie van een „grond" voor den doop, welke niet bij eiken wettig bedienden doop in volle werkelijkheid voorhanden is, wijst hij resoluut af. Hij duldt geen „misschien" ten aanzien van dit fundamenteele moment van den doop. Per consequentie wijst hij aldus óók af de opvatting, dat de verbondsbelofte — opgevat als een alleen aan de uitverkorenen toekomende heilstoezegging — de grond voor den doop zou zijn. Want ook deze is geen voor élken toebedienden doop aanwezigen „grond". Als zij bestaat — wat we ontkennen — is ze alleen in den aan uitverkorenen toebedienden doop aanwezig.

Volgende week nog meer over dit artikel van Smeedes—Scholte. • CV.


1) Algemeen wordt gesclireven dat het art. van Smeedes in „De Reformatie" van 15 Maart 1837 is verschenen. Zie: Dr G. H. Wagenaar, a.w. p. 216; Dr H. Bouwman, „De Crisis der Jeugd" p. 14; J. Bosch „Om Waarheid en Recht", Kampen, 1933, p. 57. Dit is niet juist. Smeedes art. is gedateerd 15 Maart 1837. Maar het is later verschenen. In het nummer, waarin het bewuste opstel verscheen komt o.a. een bericht voor, dat aldus begint: -..^ Op Zondag den 16den April 1.1. En Ds Bosch maakt op de genoemde pag. van zijn werk, melding van een brief van A. M. C. van Hall, gedateerd 28Aprill83 7, waarin deze aan De Cock bericht, dat het artikel van Smeedes in De Ref. moet worden opgenomen, omdat het tijdschrift geen twistschrift mag worden. De Cock had dus blijkbaar verzocht het niet op te nemen. Hij wist derhalve dat Smeedes geschreven had en wat diens schrijven inhield. Toen - op 28 April - was het stuk dus nog niet „uit". Merkwaardig is ook dat Van Hall De Cock geruststelt met de opmerking, - dat het artikel van Smeedes niet „over gereformeerd" is. Zoo dacht men dus in De Cock's omgeving over Scholte en zijn ideeën: ze zijn „over gereformeer d". Het art. van Smeedes is te vinden in deel I der Ret. p. 323 v.v.

2) Jan Arens Smeedes werd 3 April 1807 in Emden (Oost-Friesland) geboren. Ook zijn vrouw Margaretha Carssen kwam daar vandaan. In, Assen is S. boekhouder op den zaagmolen van den heer Westra van Holthe. Reeds vroeg leidde S. gezelschappen. Vóór 1830 met Luitsen Jochema Dykstra, de bekende veenarbeider uit Smilfle, het gezelschap aan de Norgervaart. Vlak voor de Afscheiding een in Assen. Nog voor diens afscheiding was De Cock reeds met Smeedes bekend. Als De Cock na zijn schorsing door het Prov. Kerkbestuur in Groningen in April 1834 naar Den Haag reist om bij den koning op audiëntie te gaan, logeert hij bij Smeedes. Met Jan Jans. Koetsier werd Smeedes als de eerste ouderling van de Afgescheiden kerk gekozen. Hij heeft vaak in haar „geoefend". Als ouderling van Assen bezocht hij de eerste vergadering der Atgesclieidenen in Groningen en Drente gehouden te Groningen op 8 April 1835. Ook was hij lid van de eerste afgescheiden Synode van 1836. Met een Roelf Jans Veeninga schreef hij een paar brochures tegen de beruchte „Gedachten" van Hofstede de Groot, het geschrift waarin deze Groninger professor verkondigde, dat de Herv. predikanten niet gebonden waren aan hun belofte om in overeenstemming met de belijdenis te leeren. Smeedes wordt ons geteekend als • een man van groote gaven, teere Godsvrucht en een innig gebedsleven. Voor en na den maaltijd werd er in zijn huis steeds knielendgebeden en gedankt. Jarenlang is hij ouderling geweest. Toen de kerk wat meer geconsolideerd werd heeft hij het door allerlei conflicten zeer moeilijk gekregen. Typeerend voor hem is, dat men bij zijn dood een zakje vond met 1% cent erin, - met het bijschrift, dat hij niet wist of ze hem dan wel de kerk toekwamen. Smeedes was ee: i prachtig voorbeeld van die zuivere vroomheid, welke onder de echte Afgescheidenen bloeide.

Zijn naam moet met twee é's gespeld worden. Zie hiervoor de facsimile's in het mooie: „Wat God heeft gedaan", de geschiedenis der Geref. Kerk van Assen, door Ds B. A. Bos, Assen 1934, p. 40 en 48, aan welk geschrift ik deze bijzonderheden grootendeels ontleende. Ds Bos schrijft den naam ook meestal niet correct.

3) In het artikel dat we gaan bespreken noemt hij De Cock „den waardigen Herder en Leeraar Ds H. de Cock".

4) Zie; „Gedenkboek der Afscheiding", p. 41.

5) Smeedes verwijst hierbij naar: om. IV : 11; Exod. XII : 27; Matth. XXVIII il9; Matth. XXVI ; 26—28; Geloofsbel. art. 33; Cath. vr. 68,

6) Verwijzing naar: en. III ; 15; Rom. IV : 11; Ca tech. vr. 66.

7) Verwijzing naar: om. IV : 11; Matth. XXVI : 27, 28; Catech. vr. 66 en 67; Geloofsbel. art, 33, 34, 35.

8) Verwijzing naar:1 Joh. 1 : 7; 1 Cor. X ; 1, 4; Joh. VI : 51, 55; Catech. vr. 72, 73, 78 en 79.

9) Verwijzing naar: and. VIII : 36, 37; 1 Cor. XI : 28, 29; Formulier voor den Doop der bejaarden, en Catech. vr. 81 en 82. 229,

10) Hierbij verwijst Smeedes naar de Canones van 1 Dordt, I, 17.

11) Verwijzing naar: Gen. XXI110, 11, ia; RoH». IX 16, 7, 8j Gal. IV, 126—31.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 april 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

OM HET HART DER REFORMATIE, IX.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 april 1947

De Reformatie | 8 Pagina's