GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De doorbraak van de „doorbraak" II (slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De doorbraak van de „doorbraak" II (slot)

12 minuten leestijd

Voor nog één wil ik ditmaal de aandacht vragen. Want ze is van een man, die steeds met waarlijk profetische visie het gehele menselijke leven bezag, beoordeelde en leidde. Ik bedoel Ds J. C. Sikkel.

Gedurende heel zijn publieke. werkzaamheid leefde hij fel mee in de politieke strijd. Hij was antirevolutionair van top tot teen en in hart en nieren. En juist hij zag de toekomst reeds in zijn dagen zo somber in.

Reeds in 1909 liet hij een doordringende alarmkreet horen over de ontwikkeling in de antirevolutionaire partij.

Hij sprak toen van een , , tweeling" welke steeds meer voor de dag kwam. daarin

„Die komt — aldus Sikkel — voor den dag bepaald ook in de vraag, of de taak van een christelijke regeering enkel bestaat in het bevredigen; in het opkomen voor de rechten van het Christenvolk inzake Onderwijs; in het gelijkstellen van Christelijk Onderwijs met Neutraal, of onchristelijk, of anti-christelijk Onderwijs voor de Wet. Het Ministerie-Kuyper sprak reeds van Christel ij ke g r o n d s l a g e n van ons Staats- en Volksleven waarvoor een Christelijke regeering heeft op te komen. Het tegenwoordige Ministerie spreekt van Christel ij ke rechtsbeginselen, waarnaar de regeering heeft te handelen. De vraag dringt ten principale naar den voorgrond, of een Christelijke regeering als zoodanig n e u t r a a l staat tegenover de geestelijke stroomingen en geroepen is om in dezen de quasi-Liberale praktijk door de zuivere Liberale praktijk te vervangen, — of wel, dat zij geroepen is inderdaad positief Christel ij k te zijn, en daarom ook te belijden, Christus te belijden, en dienovereenkomstig positief Christelijk te regeeren."

Men voelt hoe scherp Sikkel hier de kwestie stelt. Moet een Christelijke regering als z o d a n i g n e u t r a a l staan tegenover alle, ook anti-christelijke, ja, atheïstische stromingen en dan alleen bedacht zijn op „gelijk recht voor allen" ?

Of moet een Christelijke regering, ook als zodanig, de Christus bel ij den, aan Christus gehoorzamen en, binnen de grens van haar bevoegdheden, positief meewerken aan de komst van Christus' r ij k ?

Sikkel kiest met volle overtuiging en hartstochtelijk vóór het laatste.

Met grote zorg constateert hij, dat er „niet weinigen zijn, die meenen, dat één van de tweelingen reeds en voor goed dood is, en dat voor de andere zonder weerspraak is de volle erfenis, namelijk: de zuiver-Liberale praktijk der politieke rechtsgelijkheid van de geestelijke groepen in het volksleven, zonder een positief Christelijk belijden of regeeren der regeering, ja met de roeping der regeering om neutraal te zijn. Die „eerlijkheid" of „oprechte neutraliteit" — dat zal dan zijn voor eens en voor goed de oplossing van het probleem; dat zal dan wezen het geheim van Christelijk regeeren."

Voor deze „neutraliteitspolitiek" van een Christelijke regering waarschuwt Sikkel rusteloos.

Hij signaleert haar ate de minister van Koloniën in het ministerie-Heemskerk (de Waal Malefijt) oijder „de bravo's van Links in de Tweede Kamer" verklaart, „dat in Koloniën de Christelijke roeping der regeering tegenover de Zending ALLEEN meebrengt de sociale werking van het Christendom te steunen"! Hier, zo verzekert Sikkel, is de tegenhanger van de verwerping van Minister Keuchenius! ^)

Op bizonder duidelijke wijze bracht Sikkel deze principieel zeer belangrijke kwestie naar voren na een Kamerdebat over de preken die 's Zondags op de oorlogsschepen door de Commandant aan de matrozen moesten worden voorgelezen!

Dit preek-lezen moest geschieden uit preekbundels welke door de Regering waren voorgeschreven! De commandant was in de keuze van de te lezen preken niet vrij.

Voor Sikkel over deze kwestie schreef waren deze preekbundels geheel modern. En natuurlijk rees toen de vraag of een Christelijke overheid nu niet moest zorgen voor preken, die naar Gods woord zijn.

„Een zeer ernstige vraag, en een vraag van zeer verre strekking", verklaarde Sikkel.

, , We hebben hier 'n hoogst interessante en moeilijke

kwestie, die ons midden in 't vraagstuk van Artikel 36 onzer Nederlandsche Geloofsbelijdenis brengt, in de Christelijke belijdenis van het ambt der Overheid als Gods dienaresse."

Het deed hem daarom groot verdriet, dat in het Kamerdebat over deze kwestie de „roeping der Overheid tegenover God", de kwestie die hier alles beslist, niet genoemd was. Het negeren van deze vraag deed z.i. , , de Achilleshiel van het Christelijk getuigenis in de Kamer" duidelijk uitkomen. Wat de Overheid in dezen, en stééds, moest doen omschrijft Sikkel dan aldus:

„Wie den Naam des Heeren belijdt, moet God dienen naar zijn Woord, in elk ambt des levens, ook in het Overheidsambt.

Dat is onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Dat ia Gereformeerd, Dat is eenvoudig naar het Woord van God. Wie God naar zijn Woord erkent, moet hem ook alzoo dienen. Dit betaamt alle menschen. Dit betaamt ook de Overheid.

Alle pogen om in het gedrang van toestanden en omstandigheden met allerlei redeneeringen aan den eisch des Heeren zich te ontwringen, neemt onze Christelijke vrijmoedigheid voor God weg, rooft ons den zegen des Heeren, en voert ons op doolpaden.

Indien er voor het léven in Gods vreeze en dienst; voor het leven naar zijn Woord; geen andere weg ons overblijft dan in de woestijn, — dan moeten we willig zijn om de woestijn te bewonen.

Onafwendbaar dunkt het oris, dat zoo de Overheid God vreest, en zij den dag des Heeren wil eeren door predicatie, zij zorgen moet voor de reine predicatie van Gods Woord.

Kan de Overheid hierin de Kerk tot haar recht laten komen, dan is dit zooveel te beter en dan is dit haar goddelijken plicht.

Maar moet de Overheid hierin zonder de Kerk handelen, dan heeft zij niettemin, gelijk ieder mensch in zijn ambt, de roeping, om zelf God naar zijn Woord te dienen. Geen menschelijke stelsels beslissen hier voor haar, maar alleen het Woord van God.

Zoo zegt het nog Artikel 36 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis, gelijk deze nog steeds, ook na de noodig geachte revisie, in onze Gereformeerde Kerken geldt.

En zoo is het ook alleen naar Gods Woord.

Stellig geldt het hier ook voor een Christelijke Overheid, een zwaar en moeilijk werk, maar toch niet zwaarder dan voor ieder in het publieke leven in zijn goddelijk ambt en roeping; zooals onze Catechismus verklaart hij de derde bede van het „Onze Vader":

„Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde", dat is: Geef, dat wij en alle menschen onzen eigen wil verzaken, en Uw wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en beroep zoo gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren als de engelen in den hemel doen.

Moge de Heere door zijn Woord en Geest onze Christelijke Regeering leeren haar roeping naar zijn heiligen en goddelijken wil recht doen kennen en uitvoeren."

Het spreekt vanzelf, dat, als men de roeping der Overheid zó ziet, zó gelooft, en dus ook zó predikt, óók het door de Overheid gegeven onderwijs in het gezichtsveld komt. ' '

Het is immers een ontzaglijk ernstig ding, dat het onderwijs op de openbare scholen — lagere, middelbare en hogere — het onderwijs dus, dat millioenen van de Christus en van het geloof in God heeft vervreemd, gegeven werd en gegeven wordt in opdracht van de Overheid en dus onder haar volle verantwoordelijkheid.

Wie dit ongewoon ernstige feit — wie denkt er tegenwoordig nog aan? — overweegt, moet toch wel eens de vraag bij zich voelen opkomen: hoe kan een Christel ij ke overheid deze verantwoordelijkheid dragen? Hoe kan zij er mee klaar komen, dat onder haar verantwoordelijkheid in talloos vele gevallen God en zijn Christus worden genegeerd, ja, zelfs g e- h o o n d ! Hoe kan zij het aandeel, dat zij op deze wijze in de positieve en radicale ontkerstening van het nederlandse volk krijgt, een aandeel, waarvoor zij ten volle aansprakelijkheid blijft dragen voor G o d en zijn heilig gericht, met een goede conscientie voor haar rekening nemen?

Als Sikkel zich met deze vraag bezig houdt, vsrijst hij er op, dat de roeping der overheid als Gods dienares nog geheel onvoldoende in het licht werd gesteld.

, , Speciaal ook de roeping der_pverheid met betrekking tot de Christelijke Kerk. Ï!n de vraag van de houding der Overheidsschool tegenover de openbaring Gods in zijn Woord blijft een puzzle, waarmee allen verlegen zitten.

De Liberale oplossing is bekend. Zij vordert een neutrale School. En die neutrale School wordt dan noodzakelijk een Liberale School, een Socialistische School, een Anarchistische School, een Atheïstische School.

Indien de Christelijke Politiek ook de neutrale Over-

heidsschool vordert, zoo neemt ze hierin feitelijk het Liberale stelsel over. En ze neemt dan het stelsel over ook in den wortel. Ze vordert dan een neutrale Overheid. Ze ontzegt dan aan de Overheid het recht op het innemen van een positief Christelijk standpunt. Ze gaat dan principieel op de lijn van het Liberale beginsel over en ontkent, dat een Christelijke Overheid mogelijk is. En ze geeft hiermee haar eigen bestaansrecht als Christelijke Overheid prijs.

Zoo is in Nederland de overlegging van steeds meerderen. Zij zijn het er over eens, dat de Overheid Scholen en Kerken vrij moet laten. Maar hoe de Overheid als Gods dienaresse zelf Christelijk moet handelen tegenover de Kerken, en hoe zij zelf onderwijs en opvoeding geeft in Overheidsscholen, daarover verkeren de meesten onder ons, ondanks alles wat er over geschreven is, in duistere nevelen. En ze vragen zich af of we hierin Liberaal moeten zijn na alle protest van hart en geweten tegen de zielverwoestende en volkverwoestende neutraliteit der neutrale Scholen."

Hoe Sikkel over deze zaak denkt is vanzelfsprekend duidelijk.

Hij heeft in dezen geen moment geaarzeld.

„De grondstelling van het Calvinisme" — aldus klonk zijn klaar en krachtig woord — is deze, „dat ieder in zijn ambt en roeping, en zeer bepaald ook de Overheid, den eenigen en waarachtigen God heeft te dienen, gelijk Hij ons in zijn Woord geleerd heeft, en dienovereenkomstig naar zijn Woord heeft te belijden en te eeren". Deze „grondstelling van het Calvinisme en van Calvijn" is zelf zo fundamenteel, dat het al of niet aanvaarden daarvan en leven daarnaar beslist over het recht op den naam Calvinisme en Calvinisten!

Maar als zó de roeping der Overheid is, dan mag de Overheid ook geen , , neutraal", dat wil zeggen „praktisch-atheïstisch" onderwijs laten geven!

„Deze toestand is onverantwoordelijk. En ze is schromelijk onrecht. De Overheid zelf voedt daardoor een belangrijk deel van ons volk zonder God en zijn Wet op. De Overheid mag dit niet doen. En voor een Christelijke Overheid is zulk een toestand daarom even onhoudbaar als voor een Christelijk volk.

Daar komt nog bij, dat de Onderwijzers, door de Overheid opgeleid, niet alleen niet weten willen van godsdienst, maar ook niet van gezag, van vaderlandsliefde, van eerbied voor de Koningin en voor het Oranjehuis, en van een nationaal leven van ons volk! Zij willen „het kind" geestelijk-anarchistisch laten opgroeien, en daarmee ook zedelijk-anarchistisch, zonder God en wet, zonder vaderland en volk.

Onhoudbaar! Rusteloos moet herhaald worden, dat deze toestaijd onhoudbaar is. Ondragelijk voor een Christelijk volk en voor een Christelijke Regeering."

En daarom — ALS de Overheid, de Christelijke Overheid, opvoedt, dan kan, dan mag zij „de Christelijke vordering" om , , Christelijk op te voeden" en om „nationaal" op te voeden niet afwijzen!

De nood, neen, Gods wet is naar opgelegd'

Natuurlijk, Sikkel ziet de moeilijkheden die zich daarbij zouden voordoen ten volle. Op geestelijk terrein gaan ook in Nederland de geesten uiteen „en daarom kan de Overheid geen Scholen oprichten zonder de gelijkheid van recht te schenden.

Maar er is een oplossing van deze moeilijkheden! Sikkel wijst die met deze woorden aan:

„De Overheid moet zich dan ook uit de School terugtrekken, al blijft zij tegenover de School een roe­ ping hebben, die ze ook door haar wetgeving vervullen moet.

De Overheidsschool moet Volksschool worden. Door vrije groepen uit het volk moet zij overgenomen worden. En deze groepen moeten dan, wat de opvoeding aangaat, vrijgelaten worden, terwijl ze overigens onder Overheidscontrole staan.

Een andere oplossing die de gelijkheid van recht eerbiedigt, schijnt ons niet mogelijk.

Moge het geroep om een goede oplossing door wijziging der wetgeving krachtig opgaan!"")

Zo worstelde Sikkel reeds voor een veertig jaren tegen de dominerende stroom in om waarachtig Christel ij ke politiek. Zo zwoegde hij om het Christen-volk te doen verstaan wat het zeggen wil. dat Overheden dienaressen van Jezus Christus zijn. Die Hem moeten, en mógen, gehoorzamen ook en juist bij de vervulling van haar regeringstaak.

En als we ons in deze strijd inleven vragen we ons af: wat is er van .dat alles geworden? Zijn we niet verder dan ooit van deze christelijke politiek af. Wie is er nog serieus mee bezig? Al meer, al verder is de „christelijke politiek" wereldse politiek geworden. Een beetje anders. Niet zo vooruitstrevend. En met een paar teksten er bij! En met een aantal „christelijke gedachten en ideeën" er bij. Maar voorts?

Zie, dat alles is de langzame, grondige voorbereiding van de „doorbraak" geworden.

Ze is niets anders dan de rijpe vrucht van een reeds sinds jaren voortvretend proces van de ontchristelij-

king der „christelijke politiek".


2) De begroting van Keuchenius was, 17 Februari 1890, door de Eerste Kamer afgestemd, waarna Keuchenius als minister aftrad. Kuyper schrijft in verband met dit afstemmen: , , Zoo ooit, dan was hier weerzin tegen het persoonlijk optreden van den Minister, die den evenaar deed doorzwikken, en die weerzin had zijn diepsten grond in Keuchenius' wijze van uit te komen voor de belijdenis van den Cliristus". (Zie: Mr L. W. C. Keuchenius, door Dr A. Kuyper, Haarlem 1895, p. 227). Ontroerend was de reactie van het antirevolutionaire volk op dit ontslag. Men voelde het: hier wordt een Staatsman vanwege zijn trouw belijden van den Christus ten val gebracht!

3) „Hollandia”, No. 1106, 14 Mei 1910.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 september 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

De doorbraak van de „doorbraak

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 september 1952

De Reformatie | 8 Pagina's