GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERSSCHOUW

12 minuten leestijd

NA DE KABINETSCRISIS.

Na twee niaanden martelende kabinetscrisis Nederland weer een ministerie. heeft

Wie land en volk liefheeft, heeft met grote zorg de ontwikkeling der dingen gade geslagen. De „democratie'' werd immers door wat in en om deze crisis geschiedde op een zware proef gesteld. En zij is er geschonden uit te voorschijn gekomen! Onderlinge machtsstrijd der partijen en persoonlijke gevoeligheden hebben de ontwikkeling der dingen voor een groot deel beheerst.

En wat hebben we nu?

Vanwege de vage richtlijnen, welke Dr Drees als een regeringsprogram heeft opgesteld èn de keus der personen noemt „Trouw" dit kabinet een extraparlementair kabinet. Dr Drees beantwoordde een vraag omtrent de signatuur van zijn ministerie met de ontwijkende opmerking, dat de begrippen „parlementair" en „extra-parlementair" kabinet wel • wat waren uitgehold in de laatste tijd en hij voegde er de veelbetekenende woorden aan toe: „Sommige fracties hebben zich inderdaad erg intensief met deze kabinetsformatie bezig gehouden".

Het Algemeen Handelsblad uit zijn verbazing er over, dat men dit kabinet als extra-parlementair durft aanduiden. En ook de Nieuwe Rott. Courant betwist met klem het extra-parlementaire karakter ervan.

Op een van de belangrijkste posten van het nieuwe kabinet werd de jonge antirevolutionair Prof. Zijlstra geplaatst. Prof. Duynstee noemde in De Maasbode het departement voor economische zaken „het bij uitstek gewichtige departement". En de Telegraaf wijst er met nadruk op, dat in het kabinet „het zwaartepunt ligt op de nieuwe minister van Economische Zaken, de antirevolutionair prof. Zijlstra". En dat blad schrijft omtrent deze departementsbezetting: ., Wij kunnen begrijpen, dat men, na de critiek, die de oude partij van Colijn op de achtereenvolgende na-oorlogse kabinetten heeft uitgeoefend, het in zekere kringen aangenaam vindt, dat het juist iemand van den huize Schouten is, die de kernportefeuiile beheert. Prof. Zijlstra staat voor de moeilijke taak een man op te volgen, wiens beleid algemene waardering heeft gevonden. Nog meer: hij staat voor de taak datgene v/aar te maken, wat de heer Schouten aan critiek in de laatste jaren te berde heeft gebracht. Het lijkt niet makkelijk".

Het is evenwel zeer de vraag of het de bedoeling van Prof. Zijlstra is Sohoutens kritiek op het economische beleid der voorafgaande ministeries waar te maken! Mr Dr A. A. van Rhijn, de bekende christen- P.v.d.A.-man, schreef in zijn brochure: „Waarom als protestants-christen lid van de partij van de arbeid? ": „De geleide economie ontmoet in de christelijke partijen ernstig verzet en wordt ten hoogste als noodmaatregel aanvaard. Maar de hoogleraar aan de Vrije Universiteit, Zijlstra, is er een krachtig voorstander van" (pag. 29). En het hoofdorgaan van de P.v.d.A.

„Het Vrije Volk" betoogt, dat de grondslag van het kabinet, en de bezetting van de voornaamste kabinetten „m et name in de sociaal econom i s c h e sfeer" met vertrouwen kan worden aanvaard. Onder de nieuw opgetreden ministers, omtrent wier beleid men niet in het onzekere verkeert noemt dat blad ook die van economische zaken. Een dergelijke lof is uitermate bedenkelijk!

Wat ons thans vooral moet bezig houden is de vraag of dit kabinet er een is, dat in oorsprong en arbeid leven zal naar de normen, welker eerbiediging een levensvoorwaarde is voor een ware democratische, constitutionele monarchie. Of, anders gezegd: zal dit kabinet zich laten leiden door de Schriftuurlijke visie op het gezag van de Overheid en de v r ij h e d e n van het volk? Dat is boven alle andere kwesties de levensvraag voor de toekomst van ons volk.

In verband met het feit, dat de vier grote partijen feitelijk onmachtig zijn gebleken om een gezond, parlementair kabinet te formeren en tegelijk niet bereid waren, hun onmacht in deze te erkennen, schreef het Handelsblad (28 Aug.) o.a. het volgende:

, , Kort vóór de. kamerverkiezingen verscheen een academisch proefschrift van de hand van mr G. J. Lammers over: , , De Kroon en de Kabinetsformatie". In dit proefschrift ging schr. terecht uit van het dualistische karakter van onze grondwet, in die zin, dat de Regering in ons constitutioneel recht niet is een verlengstuk van de Staten-Generaal en de Staten-Generaal of een deel daarvan niet zijn de gebondenen aan de regering, maar dat beiden — Regering en Staten-Generaal — zelfstandige organen zijn, dragend elk. zijn eigen verantwoordelijkheid. Dat is ook naar onze mening beslissend voor het rechtskarakter van het overleg, dat een door de Koningin aangewezen formateur desgewenst (want van een verplichting is hier geen sprake) met de kamerfracties of haar voorzitters voert. Gaat dit overleg echter zover, dat, zoals mr Ijammers het uitdrukt, practisch het program van de formateur door de partijen wordt gedicteerd en hem de ministers worden opgedrongen, dan is er sprake van een monistisch systeem, waarbij zowel de zelfstandigheid der Regering als die van de Volksvertegenwoordiging teloor gaan.

De gedachten, in dit proefschrift geuit, vonden van alle kanten weerklank. De (in dit geval verkeerde) practijk schijnt echter sterker te zijn dan de (juiste) leer. Bij deze kabinetsformatie is precies gebeurd wat hier werd afgekeurd. Zelfs mr Donker, die nog altijd volhoudt, dat hij een poging heeft gedaan een „extraparlementair kabinet" te vormen, is practisch op dezelfde weg voortgegaan. Het is de vloek van de boze daad, dat een schromelijke verwarring, een toespitsing van de tegenstellingen en een eindeloos lijkende crisis daarvan het gevolg zijn. Wie heeft nog de illusie, dat een kabinet, dat misschien eindelijk toch wel eens uit dit gemodder naar boven komt, nog het krachtige kabinet kan worden, dat wij zozeer behoeven?

Het roer worde eindelijk gewend in de richting, welke wij gisteren aangaven: Het verlenen van de opdracht aan een figuur, die geacht kan worden te staan buiten de wrijvingen, welke tussen de fracties zijn ontstaan, die meer waarde hecht aan een homogene ploeg, welke in staat is een duidelijk program op te stellen en die meer let op de personen en hun capaciteiten dan op de wiskundig uitgebalanceerde verhouding hunner politieke kleur.

En die zelf, als formateur, de leiding in handen houdt en de verantwoordelijkheid voor zijn formatie niet deelt met hen, die daarvoor tenslotte geen verantwoordelijkheid dragen.

Zeer belangwekkend is wat Prof. Gerretson in de Telegraaf van 30 Aug. over de kabinetscrisis opmerkt.

Hij stelt deze vraag:

Beseft men niet welk een verderfelijke indruk de lamentabele historie der laatste weken op de Natie heeft gemaakt? Gevoelt men niet, dat men op deze wijze de eerbied van het Volk voor het parlementaire stelsel aantast en daarmee de diepste grondslag aller constitutionele Instellingen ondergraaft?

-Naar de overtuiging van Prof. G. bestond de moeilijkheid bij de kabinetsformatie vooral hierin, dat de P.v.d.A., voor de aan een Antirevolutionair (Prof. Zijlstra) toevertrouwde portefeuille van Economische zaken aan de K.V.P. een compensatie moest geven. Maar de P.v.d.A. wilde dat alleen zó doen, dat zij de financieel-economisch-sociale sector van het kabinet blééf beheersen. En dat wilde de K.V.P. niet! Eén van de twee grote partijen moest in dezen, zou er een kabinet tot stand komen, voor de ander bukken: „en het resultaat van het beraad van de heren Drees en Beel kan dus, als het slaagt — en het is geslaagd, C. V. — slechts een camoufleren zijn van de werkelijke uitslag van de machtsstrijd, een doekje om het gezicht van de bukkende partij te redden."

Na deze opmerking gelanceerd te hebben gaat Prof. Gerretson als volgt verder:

Wij geloven dat het camoufleren van de splijting van het Blok niet is in 's lands waarachtig belang. Het betreft hier een conflict, dat moet worden uitgevochten. De kern van het conflict blijft, dat de P.v.d.A. de vijf portefeuilles en de meerderheid in de Economische Raad, waarmede zij de Stille Revolutie van onze vrije samenleving voltooien en de stembus beheersen kan, tot elke prijs wil behouden. Zij beweert op het behoud van haar machtspositie recht te hebt)en, omdat zij , , de verkiezing gewonnen heeft" en dus „het volk achter zich heeft".

Het is nuttig, goed duidelijk te maken, dat deze pretentie hoegenaamd geen grond heeft. Reeds ettelijke weken geleden heeft prof. Duynstee de zeer oordeelkimdige opmerking gemaakt, dat de zetelwinst van de P.v.d.A. generlei staatsrechtelijke betekenis heeft en dus bij de kabinetsformatie van geen betekenis kan zijn.

En dan geeft Prof. Gerretson de volgende belangwekkende beschouwing omtrent wat zich thans in ons Vaderland afspeelt:

De Koning kan, volgens de Grondwet, slechts regeren In gemeen overleg met de Staten-Generaal: Hij heeft dus, om geld te krijgen en wetten te maken, altoos voor zijn Regering een meerderheid in beide Kamers nodig. Dat was reeds zo, al meent men vaak anders, In de tijd der z.g. Koninklijke Kabinetten. Om zulk een meerderheid te vinden heeft b.v. Koning Willem I in de grote crisis van 1829 bij de reorganisatie van zijn kabinet niet minder moeten passen en meten, dan een moderne formateur. De vorming van politieke partijen heeft 'sKonings werk echter aanzienlijk verlicht. Hij heeft nu slechts uit te zien, niet naar wat de grootste partij' is, noch naar de partij, die bij de verkiezingen de grootste winst heeft behaald: dat kan hem Siberisch koud laten — maar naar de partij of de combinatie van partijen, die een voldoend homogene meerderheid vormt ter ondersteuning van zijn regering. De P.v.d.A. echter is een minderheid. Zij kan, zelfstandig, de Koning de nodige meerderheid niet leveren. En zij zou dat ook niet kunnen, wanneer zij ook een driemaal grotere winst bij de stembus had behaald. De stembusuitslag geeft haar dus geen enkel recht om met de hand op de vijf belangrqkste portefeuilles, de baas te blijven spelen In het regeringskasteel.-

Het is volkomen juist, zoals van de zijde van de K.V.P. onlangs Is opgemerkt, dat de P.v.d.A. alleen kan regeren met behulp van de K.V.P. of andere partijen. Maar aamgezien er thans geen andere partijen zijn met welke zij een meerderheid zou willen of kunnen vormen, is het noodzakelijk, dat zij, als zij regeren wil, daartoe de redelijke prijs betaalt aan de K.V.P., van welke zij afhankelijk is.

Men praat veel over de schuld aan de mislukklg der formatie en het is gemakkelijk om die elkaar toe te dichten. Maar de vraag waar het om gaat is niet, welke daad de partij heeft gesteld, die de formatie heeft doen mislukken, maar of deze daad is gedaan uit zuiver partijbelang, dan wel of zij uit het oogpunt van 's lands belang gerechtvaardigd is.

En uit dit oogpimt beschouwd, moet het laten mislukken door de K.V.P. van de formatie worden goedgekeurd. De K.V.P. heeft hier in 's lands belang gehandeld. Want het is niet in 's lands belang, dat welke ook der regeringspartijen, en zeker niet de machtige K.V.P., uitgesloten blijft van de financieel-economischsociale sector, die nu eenmaal de donjon, de hoofdtoren, van het regermgskasteel is.

Het uitsluitend bezit dezer portefeuilles betekent practisch de beheersing van onze binnenlandse politiek, en deze komt aan een minderheidspartij als de P.v.d.A. niet toe; de pretentie dezer minderheid om deze' portefeuilles permanent te beheren is een onduldbare revolu- - tonnaire machtsusurpatie, die in een parlementaire monarchie als de onze niet kan worden geduld. Deze usnrpatliie moet gebroken worden, liefst vandaag. Anders morgen. Wij mogen niet onder democratische schijn bukken voor een minderheidstyrannle. Maar of de K.V.P. tot standhouden tegen de P.v.d.A. voldoende karakter bezit, is twijfelachtig.

Prof. Gerretsons conclusie is deze:

Een Zakenkabmet ware, ter afwending van deze gevaren, een uitkomst geweest. De Koning zou, de traditie van zijn huis en art. 79 van de Grondwet betrachtend, zijn in de partijstrijd verdeeld volk tot zijn nationale plicht kunnen terugroepen. Dit schijnt niet te geschieden: en daarom ligt op de nieuwe mannen een • dubbel zware verantwoordelijkheid hun taak te hebben aanvaard.

Het wordt hoog tijd dat de christelijke partijen bloedige ernst gaan maken met het woord van Groen, dat men zich in Nederland met alle macht moet verzetten tegen het streven de Volksvertegenwoordiging te doen ontaarden, door haar in plaats van als VOLKS­ ORGAAN te beschouwen als LEGISLATIEF COL­ LEGE, ja zelfs als REGERINGSINSTRUMENT.

C. V.

DE BOTTEKDAMSE SYNODE.

Nu de generale synode van de gebonden kerken bijeen is en ook over een , , hereniging" zal spreken, is het misschien goed een paar belangrijke gegevens ter beoordelingvan de situatie In herinnering te brengen. Eerst een verklaring welke Ds R. E. Sluiter, Em. pred. van de Chr. Geref. Kerk d.d. 17 October 1945 schriftelijk aan Ds A. P. Lanting, Em. pred. v. d. Geref. Kerken afgaf. Deze verklaring luidde als volgt ;

Ongeveer drie a vier jaren geleden heeft Dr H. H. Kuyper tot mij gezegd bij een samenkomst ten zijnen huize in Den Haag; Als de Chr. Gereformeerden met ons, Gereformeerden, verenigen willen, dan behoeft 1905 geen struikelblok te zijn, want dan nemen wij dat direct terug, aangezien wij daar helemaal geen belang meer bij hebben. Prof. Grosheide, daarbij tegenwoordig, heeft dit toen mede bevestigd.

w. g. Ds R. E. SLUITER,

Em. Pred. Chr. Geref. Kerk.

En het andere is een uitspraak van Dr J. Hoek van Den Haag, vele malen lid vaji het Moderamen ener Generale Synode, thans voorzitter van de commissie welke ook over de „hereniging" heeft te handelen. Deze schreef 2e Febr. 1950 in zijn Kerkblad onder de titel: ..Specifiek Gereformeerd":

Het is beleend, dat het bij den jongsten kerkstrijd, die helaas tot scheuring leidde, ook ging over de vraag, of de sacramenten alleen Gods beloften verzegelen, dan wel ook de inwendige genade. Aan onze Kerken en haar Synode werd dit laatste betwist. In vele bezwaarschriften werd geponeerd dat de sakramenten — en dus ook de Doop, waarover het voornamelijk ging — slechts (!!!) bezegeling waren van de belofte des Heeren. Volgens de bezwaarden mocht niet gezegd worden dat ook inwendige genade innerlijk verzegeld werd. Ook nu nog wordt dit door zeer velen in den kring der kerken onderhoudende art. 31 ontkend.

Naar onze vaste overtuiging is deze opvatting in stryd met Sclirift en belijdenis: Onze Synodes hebben haar daarom moeten afwijzen.

Dit woord is duidelijk. Volgens een man, die het beter dan iemand anders weten kan, is de leer, dat de sacramenten „mwendige genade" verzegelen kerkleer.

We zullen er nauwkeurig acht op moeten geven of de Rotterdamse synode leze leer uitdrukkelijk loslaat of

blijft handhaven.

C. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 september 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 september 1952

De Reformatie | 8 Pagina's