GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

INGEZONDEN STUKKEN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INGEZONDEN STUKKEN.

6 minuten leestijd

(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie).

HAARLEM, 17 April 1894.

Mijnheer de Redacteur l

Nu de bespreking der vijfde bede van het ïÖnze Vader" ten einde is, zij het mij vergund een plaats te mogen ontvangen voor een paar vragen.

Volgens de verklaring van den Catechismus zou de Heere aan Zijn discipelen met deze bede ook geleerd hebben, dat zij tot hun dood toe vergeving noodig hebben ook voor s de boosheid, die ons altijd aanhangt." Hieronder moeten we toch zeker verstaan, wat de Schrift en ook de Catechismus in zijn laatste afdeeling »het vleesch" noemt. Nu staat het, op grond van het getuigenis der Schrift, vast, dat deze «boosheid" den zondaar schuldig stelt voor God. Immers noemt zij »het bedenken des vleesches" «vijandschap tegen God", (Rom. VIII:7) en in de eerste bekeering, wanneer een zondaar zich naar den eisch van het Werkverbond moet oordeelen, zal hij dit dan ook erkennen. Maar nu leert immers de Schrift, dat een geloovige tot zijn dood toe dit svleesch" moet bij zich houden, _ omdat het aldus Gods wil is. En hieruit zou immers volgen, dat een gebed om reeds in dit leven van de zonde af te komen, strijdig is met Gods geopenbaarden wil. En de reden daarvoor is m. i. deze, dat de Heere Zijn geloovigen hier op aarde houdt ten dienste van Zijn Koningrijk, dat hier op aarde een leven zonder lijden of strijd ondenkbaar is, en dat het strijden zou met Gods gerechtigheid een zondeloos mensch lijden of smart, op wat wijs ook, te doen ervaren. Maar als het nu Gods geopenbaarde wil is, dat Zijn kind tot den dood toe met het vleesch zal behebt blijven, dan kan dit toch niet als schuld hun aangerekend worden, wijl gehoorzaamheid aan Gods geopenbaarden wil nooit zonde kan zijn. B. V. God verbiedt den doodslag, en toch is de Overheid schuldig, die den moordenaar niet met den dood straft. En dit laatste heeft alleen zijn grond in Gods ordinantie, dat jwie des menschen bloed vergiet, zijn bloed door den mensch zal vergoten worden, " dat »de Overheid L L C W H J snKm P ( c t e B R E T k het zwaard draagt, tot straf dergenen die kwaad doen, " en »indien iemand met het zwaard zal dooden, die moet ook zelf met het zwaard gedood worden" (Gen. IX:6, Rom. XIII:4 en Gpenb. XIII : lo) Hetzelfde gebod verbiedt om iemand te slaan, en toch werd ten tijde van Achab een man met den dood gestraft, omdat hij weigerde op Gods last een van de zonen der profeten te slaan ( i Kon. XX:35 en 36) Hieruit blijkt dus, dat onderwerping aan Gods geopenbaarden wil nooit schuldig kan stellen. Ook verdient het onze aandacht, dat de heilige Paulus in Romeinen VII wel bitterlijk ^klaagt over fzijn Verdorvenheid, maar met geen woord te kennen 5 geeft, dat hij zich deswege schuldig voelt voor God'; [omdat hij die verdorvenheid als eene vijandin beschouwt, waar hij naar zijn innerlijkst wezen vlak tegenover staat. En beriep iemand zich hiertegen op Psalm LI, dan zij opgemerkt, dat David spreekt uit het gevoel van een begane dubbele zonde., terwijl Paulus een tegenstrijdigen toestand beschrijft, dien hij in zich zelven waarnam. Tusschen beide bestaat dus een niet [^onbelangrijk [^verschil, waar ook door U op gewezen is, jaren geleden, in een Uwer artikelen over de sVolmaakbaarheid"

Een tweede moeielijkheid, die hiermede in verband staat, is deze: f Gods eischen in het Genadeverbond aan den geloovige de beloften van dat verbond dekken. M. a. w. of God niets meer eischt., dan Hij geeft. In'Men regel, vergis ik mij niet, krijgen we deze voorstelling, dat 'een geloovige uit dankbaarheid Gods wet volkomen moet gehoorzamen, en toch in dien eisch te kort komt. Het zeggen toch, dat Gods kind de wet volkomen kan doen, als het maar aldoor gelooft.^ neemt de moeielijkheid niet weg, tenzij men de geloofsoefening, echt Pelagiaansch en Arminiaansch, in den macht van den geloovige zelven stelt, in lijnrechten strijd met het woord van den Christus: Zonder-Mij kunt gij niets doen" (Joh. XV : 5). Hieruit zou dus volgen, óf, dat God in Zijn Verbond alle ge nade heeft toegezegd, die tot zulk een volkomen gehoorzaamheid noodig is, óf, dat Hij geen meerdere gehoorzaamheid" eischt., dan waartoe Hij zelf genade schonk., óf datJ^Hij ^fd^olkomene gehoorzaamheid eischt, maar de daarvoor noodige genade onthoudt. Het eerste kan niet, wijl dan de geloovige nooit [zou zondigen, omdat Gods belofte onvoorwaardelijk en Zijne genade onwederstandelijk is. Het tweede wordt gedrukt door het bezwaar, dat dan de geloovige geen 'jchuld zou hebben wijl hij toch niets minder deed dan waartoe de Heere hem genade schonk. De voorstelling toch, alsof God de Heere den Zijnen genoegzame genade schonk om volkomen gC' hoorzaam te zijn, en zij die volkomen gehoorzaamheid niet betoonden, strijdt met de belijdenis van een onwederstandelijke genade, en heeft tegen zich, dat er dan een oorzaak moet zijn, waarom de geloovige in gebreke blijft. En tegen die oorzaak schonk God hem dan geen genade. Want schuldig is de mensch alleen, als hij niet voldoet aan Gods eisch. Het zeggen van den Catechismus, dat sGod den mensch 200 geschapen heeft, dat hij dat kon doen, maar zich door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven heeft beroofd" (Antw. 9), geldt hiertegen niet. Vooreerst wordt daar de staat van den mensch in het werkverbond., niet in het genadeverbond besproken. Ten tweede wordt in de wedergeboorte en bekeering de zonde niet weggenomen uit onze natuur, en staan wij dus in dit opzicht ons leven lang achter bij Adam in den staat der rechtheid. En ten derde kan er van ^moedwillige ongehoorzaamheid" bij den geloovige geen sprake zijn. Ook ons Doopsformulier kent alleen een «uit zwakheid in zonden vallen". En zoo schijnt alleen het derde standpunt over te blijven, nl. dat God van Zijn verlosten wel een volmaakte volbrenging Zijner wet eischt, maar hun niet al de genade schenkt, die zij daarvoor noodig hebben. Toch doet deze voorstelling de bedenking rijzen, dat zij den geloovige, die het ernstig opneemt, moedeloos maakt. Als ik toch vooruit weet: oover kom ik in dit leven nooit., en elk oogenblik wordt mij de eisch voorgehouden: oover moet ge zijn, en dat wel onafgebroken., dan is de verzuchting schier niet te weren, dat het eigenlijk een onbegonnen werk is, dat van ons geëischt wordt. En wijl nu de behandeling van de leer der waarheid m. i. ook medebrengt, dat rtfe/rö: ticale vragen van het leven ook besproken worden, wenschte ik dat deze vragen eenige beantwoording in Uw blad mochten vinden.

U dankzeggende voor de plaatsing van dit schrijven, teeken ik mij

Met achting.

Uw Hooggel. diemtw. dienaar

G. MiLO.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 mei 1894

De Heraut | 4 Pagina's

INGEZONDEN STUKKEN.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 mei 1894

De Heraut | 4 Pagina's