GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van ’s Heeren Ordinantiën.

19 minuten leestijd Arcering uitzetten

XCI.

DERDE REEKS.

's Heeren ordinantiën in de natuur.

DERDE DEEL.

XVI.

Het hart ke t zijn eigene bittere droefheid. Spreuken 14 : 10.

Zoo vonden wij dan in ons vorig artikel, dat de Schrift door de hoogere werkingen der ziel in verband te brengen niet met het hoofd, maar met het hart, ons voor kennen, gevoelen en ook willen, heenwijst naar een nog dieperen grond, dan het aan de hersenen gebonden, bewuste zieleleven.

Heenwijst naar wat nog achter of onder het bewust-zijn ligt, naar het oorspronkelijke en diepere leven onzer ziel, dat gebonden is aan het hart, waaruit zijn „de uitgangen des levens."

Met dat hart brengt dan niet alleen de Schrift, maar ook onze ervaring, heel die wereld van het gevoel en de gemoedsbewegmgen in verband, waarvoor wij thans de vaste ordeningen, de van God gestelde natuur-ordinantiën, willen naspeuren.

Wat is gevoel?

Om hier op antwoord te geven moet men wel onderscheiden en eerst goed inzien wat gevoel niet is.

Het woord „gevoel" toch, wordt vaak gebruikt in een zin, dien wij er hier, waar wij van gevoel en gemoedsbewegingen handelen, niet aan hechten.

Zegt men, dat de mensch vijf zintuigen heeft en dat één van die vijf het „gevoel" is, men neemt dan het woord gevoel in een zin, dien het hier juist niet heeft. Men bedoelt dan met het „gevoel, " of den „gevoelszin, " wat wij vroeger leerden kennen als den tastzin.

Over dien tastzin, welks orgaan de tastlichaampjes in de huid zijn, en daar de uiteinden vormen van de gevoelszenuwen, en die ons helpt bij het vormen onzer kennis van de buitenwereld, hebben wij het hier nu niet.

Toch is het merkwaardig, dat voor een zoo innig en, naar wij straks zullen zien, zuiver geestelijk zielsverschijnsel als het „gevoel" is, men den naam juist ontleend heeft aan den tastzin. Denkers, aan wie zeker geen scherpzinnigheid valt te ontzeggen, hebben hier de onderstelling gewaagd, dat dit zijn oorzaak zou hebben in de zekerheid, die wij menschen zoowel aan ons „tasten" als aan ons „gevoelen" hechten.

Verder moet het „gevoel" evenniin verward worden met gewaarwording.

De „gewaarwordingen" toch, die wij vroeger hebben leeren begrijpen als ontstaan èn uit beweging van hersencellen èn uit zielewerkingen, leeren ons kennen de toestanden in ons lichaam. Bovendien wordt een gewaarwording vergezelschapt door 'n gevoel, maar daaruit blijkt dan ook juist, dat zij niet hetzelfde zijn. Het „gevoel" dat men heeft bij het gewaarworden van lentegeuren of herfsttinten, is onderscheiden van de reukgewaarwording of de gezichtsgewaarwording, waarmee het zich verbindt. Zegt men: ik voel honger^ of dorst, dan is die tweeërlei „gewaarwording" wèl te onderscheiden van het onaangename „gevoel, " dat zich daaraan paart en ons, om dat kwijt te raken, doet „begeeren" naar spijs of drank.

Eindelijk, mag „gevoel, " in den zin waarin wij er hier van handelen, evenmin verward worden met wat wij vroeger leerden kennen als den „levenszin." Deze toch is niet anders, dan het geheel onzer gewaarwordingen, die in ons eigen lichaam te weeg gebracht worden, en al naar dat het levensproces normaal of gestoord is, gepaard gaat met een gevoel van behagelijkheid of onbehagelijkheid; zich wel of on-wel voelen.

Blijkt uit dit alles, dat „gevoel" noch tasten, noch gewaarwording, noch de algemeene levenszin is; dat er dus bij is uitgesloten, al wat rechtstreeks met het lichaam in verband staat, zooveel blijkt dan al reeds, dat wij, bij de tweeheid van lichaam en ziel ons met „gevoel", in den eigenlijken zin van het woord, op het gebied van de ziel bevinden.

„Gevoel" is dan ook een zuiver psychisch verschijnsel.

Er bestaat in dezen zin alleen „zielsgevoel."

Men kan het gevoel dan ook omschrijven als de, tot ons bewustzijn gekomen, wisselende toestanden onzer ziel, naar aanleiding van haar gewaarwordingen. I

Al naar toch onze gewaarwordingen of ook de uit haar gevormde voorstellingen onze ziel in haar bestaan bevorderlijk zijn of hinderen, brengen zij haar in een toestand van lust of van onlust, die dan weer den diepsten grond van ons streven of begeeren vormt.

Wij willen deze omschrijving nader toelichten.

Het gevoel is evenmin het streven of begeeren zelf — over welke zielewerking wij eerst in een volgend artikel, waarin over 'sHeeren ordinantiën voor het wilsvermogen zal worden gehandeld, nader kunnen spreken —, als het gewaarworden zelf. Maar het „gevoel" gaat met het gewaarworden en streven gepaard, het hangt er op het innigst mee saam en is ook daarom geen afzonderlijk „vermogen." AI naar dat nu de ziel bij haar gewaarwordingen bevrediging vindt, dan wel, dat het omgekeerde het geval is, verkeert zij in een toestand of van lust of van onlust.

Deze toestand zelf raakt het innerlijk wezen der ziel, en reikt veel verder dan ons bewust-zijn. Daarom brengen wij die wisselende toestanden van lust en onlust dan ook terecht in verband met het hart, als het middelpunt, het centrum van het^ nog onbewuste zieleleven.

Schreven wij zoo even, dat het gevoel met de gewaarwordingen innig samenhangt, men kan zeggen, dat de ziel, voor zoover zij gebonden is aan het hart, de vatbaarheid heeft, om op epa. bepaalde wijze te worden „aangedaan" door wat zij gewaarwordt door middel van het hoofd, m. a. w. door middel van de hersenen.

Er is hier een doordringen, een doorzinken van het hoofd naar het hart, en op wat dus doorzinkt, geeft het hart zijn weerklank, en die weerklank stijgt dan als „gevoel" weer op uit het hart naar het hoofd.

Het gewone en niet onjuiste beeld, waarmee dit gewoonlijk verduidelijkt wordt, is, dat van een snareninstrument met zijn resonans-of klank-bodem. Wanneer uw vingers de toetsen en daardoor de snaren van een muziekinstrument doen trillen, doet de klankbodem die trillingen als klanken terugklinken.

Zoo ook klinken zenuwtrillingen in de hersenen, na door de ziel in gewaarwordingen te zijn omgezet, uit het hart'm ons bewustzijn terug als gevoel.

Het gevoel zelf behoort dus al heeft het zijn grond in het hart, wel degelijk tot het bewustzijn.

Wanneer een moeder haar kind in gevaar ziet, dan maakt de innerlijke toestand van haar ziel die zich aan dat zien paart, zich voor haar kenbaar in een gevoel van droefheid, van vrees, van angst.

En schreven wij zoo even, dat het gevoel met het streven innig samenhangf, hetzelfde voorbeeld zal ons dit verduidelijken, indien wij bedenken, dat het onlustgevoel der moeder haar doet streven naar de redding van haar kind.

Ons zieleleven is door God zoo rijk georganiseerd; met name in het hart speelt zich af dat rijke leven van wisselende zieletoestanden, met oneindige verscheidenheid en fijnheid van schakeering. In het „gevoel" wordt ons daarvan slechts maar een klein deel bewust, maar in ons eigen „hart'' speelt zich veel meer af dan waarvan wij weet hebben. Ook in dezen zin reeds geldt van het hart: Wie zal het kennen!

Veel inniger is de ziel dan ook verbonden met het hart dan met het hoofd. Het hart voelt, het hoofd denkt.

En wanneer ge b. v. een smart voelt, is uw kennen immers veel dieper, veel inniger, dan wanneer ge over 'n smart denkt.

Van daar ook is zoo teekenend en merkwaardig dat woord uit Spreuken 14 : 10: et hart kent zijn eigene bittere droefheid. Letterlijk vertaald toch staat er: en hart kent de bitterheid of de droefheid zijner ziel.

Het gevoel, al is het ook geen afzonderlijk vermogen, maar op het innigst samenhangend met ons gewaarworden en ons streven, is dan ook van zeer groote beteekenis voor ons zieleleven.

Juist omdat onze ziel niet maar alleen denken is, en haar diepste wezen evenmin willen is, maar haar volle wezen zich uit in wat men noemt: hoofd, hart en hand, is haar leven zoo rijk. En met name het, met het hart verbonden, leven met zijn wisselingen van lust en onlust, geeft aan heel het zieleleven zijn tinten en kleuren, zijn schaduw en licht; schenkt het, wat men, met een uitdrukking aan de schilderkunst ontleend, noemt, zijn „diepsels en hoogsels."

Zeker moet het hoofd heerschen over het hart en besturen de hand, zal het leven in harmonie wezen; doch men vergete niet, dat het leven opkomt uit het hart; in het hart zijn centrum heeft, pr> dat alle aandrift tot willen en handelen, juist opkomt uit het hart.

Is het gevoel de weerklank uit het hart op wat er omgaat in het hoofd, die weerklank zal verschillen in toon al naardat daarbij, gelijk wij zagen, de ziel zelf in haar bestaan bevorderd of gehinderd wordt. In het eerste geval resoneert het gevoel als lust-in het andere als onlust gevoel.

Maar de verbijzondering van het gevoel is nog veel rijker.

Vindt toch alle gevoel zijn aanleiding in ons bewustzijn, m. a. w. paart zich aan al waar wij „weet van hebben" een min of meer sterk gevoel; gaat, om iets te noemen, aan iedere gewaarwording een gevoel gepaard ; en hebben wij vroeger leeren onderscheiden tusschen het bewustzijn ze\ïen zï]n inhoud, men zal dan verstaan hoe zich ook èn aan het bewustzijn zelf en aan de verschillende bestanddeelen, die zijn inhoud vormen, een eigenaardig gevoel paart. Wij zullen dit nader toelichten en daarbij tevens op de rijke verscheidenheid van het gevoelsleven wijzen.

Is het bewustzijn, zooals wij vroeger zagen, niet de ziel zelf, maar die eigenaardige toestand onzer ziel waarin zij weet heeft — althans ten deele — van wat in haar omgaat; een toestand waarin wij gewoonlijk verkeeren en, dien wij alleen missen in den „diepen slaap", ieder onzer weet hoe hij als hij niet „vast slaapt" een algemeen en onbestemd gevoel heeft, dat hij leeft.

Men duidt dit vage en onbestemde ge voel aan als het levensgevoel. Wij voelen, dat wij leven, al kunnen wij dit onbestemd gevoel ook niet nader omschrijven.

Dan, en hier reeds openbaart zich de rijke verscheidenheid van het gevoelsleven, dit algemeene levensgevoel verbijzondert zich op allerlei wijze, en het zijn deze verbijzonderingen, die wij ook als onze stemmingen aanduiden.

Wij gevoelen ons opgewekt of mat, al naar dat de polsslag van het leven sneller of langzamer gaat; het gezellig verkeer, 'n wandeling, verhoogen; de eenzaamheid, de stilte kunnen het levensgevoel neerdrukken; het eene geeft een gevoel van lust, van levenslust, het andere van onlust.

Maar ook kent ieder onzer wat men in de zielkunde noemt het gevoel van beklemming en het gevoel van bevrijding. Vooral komt dit uit wanner wij iets verwachten, iets hopen, en de vervulling dan lang uitblijft. Wij gevoelen ons dan beklemd.

Het levensgevoel wordt gedrukt, onze ziel voelt onlust bij haar onbevredigd begeeren. De uitgestelde hoop krenkt het hart, zegt de Spreukendichter (Spr. 13 : 12). Dan, ook voelen wij ons als uit de klem bevrijd als onze verwachting verwezenlijkt wordt. De begeerte, die geschiedt is zoet voor de ziel, staat er dan ook in dat zelfde hoofdstuk, uit de Spreuken in het 19? vers.

Verder weten wij bij ondervinding, hoe ons levensgevoel wordt verhoogd wanneer ons iets gelukt, en neergedrukt wordt wanneer ons iets mislukt. Hoe het levensgevoel zich dan verbijzondert als vreugde of smart.

Maar ook kan al te zware en te langdurige arbeid, wat rijke zegen ook in den arbeid op zichzelf ligt, het levensgevoel drukken, en de ontspanning het verhoogen. Terwijl omgekeerd gemis aan arbeid, ook aan geestelijken arbeid, zoodat onze kennis niet wordt verrijkt, het onlustgevoel der verveling wekt.

Naast al deze meer vage of onbepaalde soorten van gevoel, kennen wij alle uit onze eigen ervaring ook een meer bepaald of eigenaardig gevoel, en wel dat wat van het algemeene levensgevoel en zijn wijzigingen onderscheiden, zich verbindt aan den inhoud van ons bewustzijn.

Zoo verbindt zich een eigenaardig gevoel aan de gezichts-en de gehoorgewaarwordingen. Aan het zien van schitterend zonlicht, van smeltend maanlicht en ook van een illuminatie of 'n vuurwerk verbindt zich het lustgevoel van de lichtvreugde. Maar ook bepaalde kleuren wekken een eigenaardig gevoel. En evenzoo wekken hooge en diepe tonen een verschillend gevoel.

Uit wat wij bij de dieren waarnemen, b. V. bij het klagend geluid dat een hond uitstoot wanneer zijn ziel getroffen wordt door diepe tonen, blijkt echter, dat wij bij het eigenaardig gevoel, dat de gewaarwording van licht en kleur en toon vergezelschapt, nog te doen hebben met wat men aanduidt als het lagere gevoel. Daarentegen is er ook een eigenaardig gevoel op het gebied van het hoogere zieleleven, dat men specitiek menschelijk kan noemen, en samenhangt met die eigenaardige werkingen van ons kenvermogen, die wij toeschrijven aan het verstand en de rede. Al naardat de ziel zich daarbij bevredigd of niet bevredigd vindt, weerklinkt in ons bewustzijn dat eigenaardige gevoel van lust of onlust, dat men als het hoofere gevoel aanduidt.

Ligt de grond van alle gevoel in het hart, wat men gewoonlijk „gemoed" noemt is de grond van dit hoogere, eigenaardig menschenlijk gevoel.

En al is deze onderscheiding van gemoed en hart ook eenigszins willekeurig, toch verdient zij aanbeveling, omdat er zoo uitnemend mee wordt aangeduid het eigenaardige van het menschenhart.

Dieren toch hebben wel een hcirt, en dus een gevoelsleven^ maar dieren hebben geen gemoed en gemoedsleven.

Hebben wij in een vroeger artikel aangewezen, hoe ons verstand, krachtens het natuurlijk redelicht, niet slechts het onderscheid ziet tusschen waar en valsch, maar ook tusschen goed en slecht, en tusschen schoon en leelijk, — het is juist het hoogere echt menschelijk gevoel, dat zich aan deze drieërlei werkzaamheid van het verstand, als gevoel voor het ware, goede en schoone verbindt. En daarbij verbindt dit hooger gevoel zich ook aan dat zien van den Schepper uit de schepselen, waartoe de redelijke mensch vermag te komen.

Tot het hoogere gevoel behoort daarom, wat men gewoonlijk aanduidt als: het waarheidsgevoel, het zedelijkheidsgevoel, het schoonheidsgevoel en het religieuse gevoel.

Wij weten allen weer bij ondervinding, hoe het ontdekken van de waarheid, van de vaste overtuiging, dat ons denken, op welk gebied dan ook, met de werkelijkheid overeenstemt, een lustgevoel van hooge vreugde in ons hart wekt. Inzonderheid geldt dit waar God Zelf ons de waarheid openbaart, maar ook op het gebied van waarnemen en denken, is het de vreugde die zich verbindt aan elke door ons gevonden waarheid. De ziel is dan bevredigd, terwijl omgekeerd zich juist aan den twijfel — het woord dat met „twee" samenhangt — zich een gevoel van onlust verbindt. Bij den twijfel toch is onze geest in onzekerheid, of hij moet bevestigen dan wel ontkennen. Hij staat tusschen die twee.

En ditzelfde natuurlijke waarheidsgevoel zal ons ook doen begeeren, doen streven om wat waar is te zoeken en wat valsch, wat leugen is, te verafschuwen.

Het is Gods gemeene Gratie, die dit waarheidsgevoel ook in een zondige wereld in stand houdt.

En gelijk er een natuurlijk waarheidsgevoel is, zoo is er onder menschen ook een natuurlijk schoonheidsgevoel. Wij kunnen ons hier, waar het gaat om 'sHeeren natuur-ordinantiën voor het menschelijk zieleleven, niet begeven op het gebied van de schoonheidsleer. Toch zij reeds hier opgemerkt, hoe ook voor de wereld van het schoone de Heere zijn vaste ordeningen heeft gegeven, en dat 'al moge het: „over den smaak valt niet te twisten, " al gelden van den smaak in lageren zin, van den smaak voor spijs en drank, van aangenaam en onaangenaam, dit zeer zeker niet geldt van den smaak in hoogeren zin; van het schoone, waaraan de mensch zijn welgevallen; van het leelijke, waaraan hij zijn mishagen geven ir.oet. En^.dit welgevallen tegenover het schoone is liéts zeer eigenaardigs.

Het is wèl te onderscheiden ook van het nuttige. Aan het nuttige hechten wij waarde, omdat het ons voor een of ander doel van dienst is. Zoo hecht een boer waarde aan zijn ploeg; een fabrikant aan zijn machinerieën; een geleerde aan zijn boeken. Maar het schoone waardeeren wij een voudig omdat het schoon is. De sterrenhemel, een landschap, een schilderstuk wekken ons schoonheidsgevoel en het komt niet in ons op te vragen naar hun nut. Bij de aanschouwing van het schoone is de ziel bevredigd en begeert niets. Zij geniet in de aanschouwing van de heerlijkheid Gods.

Wat in de derde plaats het zedelijkheidsgevoel betreft, hebben wij te doen met het gevoel van lust dat zich paart aan de gewaarwording van het goede, of met dat van onlust dat zich paart aan die van het slechte in ons zelf of in onze medemenschen.

Onze ziel is dus door God geschapen, dat wij niet slechts in onzen geest beseffen hebben van goed en slecht, maar dat ook ons hart voelt en weerklank geeft bij de gewaarwording van goed en slecht. Wanneer wij toch voor ons eigen bewustzijn tegenover onze medemenschen slecht hebben gehandeld, komt in ons op het gevoel van schaamte, h^^gevoel van berouw, enevenzoo wordt "éns i\hart met onlust vervuld, met verontwaardiging bij de slechte daden van anderen.

Met dit natuurlijk zedelijkheidsgevoel hangt op het innigst saam zoowel wat men zelfgevoel en medegevoel, als wat men rechtsgevoel noemt. Het zelfgevoel is het gevoel van eigenwaarde, dat zich paart aan ons bewustzijn van wat wij zelf, wat ons ik of de kern van ons wezen, op het stuk van goed of slecht tegenover onze medemenschen „waard" is, en komt vooral uit als eergevoel. Het medegevoel is dat eigenaardige gevoel, dat zich als medevreugde of medelijden paart aan de gewaarwording van de vreugde of het leed onzer medemenschen. Het rechtsgevoel eindelijk is het gevoel van lust of onlust, dat in ons hart opkomt al naar wij de rechten van ons zelf of van anderen zien geëerbiedigd of geschonden. Hoe de zonde ook het zedelijkheidsgevoel veelszins heeft bedorven, kan hier nog niet besproken worden. Alleen zij er hier de nadruk op gelegd, dat het behoort tot het wezen van den mensch en mitsdien, hoe ook door de zonde verzwakt en bedorven, toch bleef.

Noemden wij onder de hoogere, echt menschelijke gevoelens als het laatste en hoogste het religieus gevoel, wij hebben daarbij te doen met dien „zin" of dat „gevoel" voor het Goddelijke, dat onze gewaarwording van God's Majesteit in de geschapen wereld begeleidt. Het behoort niet minder dan het zedelijkheidsgevoel tot het wezen van den mensch. Het komt op uit wat Calvijn noemde „het zaad van religie", de kiem waaruit zich de religie ontwikkelt. Al naar de ziel tegenover haar God staat, zal het gevoel van Zijne Majesteit een lust-of onlustgevoel zijn. „Wie heeft lust den Heer te vreezen", zingen wij in den psalm.

De godsvrucht is dan ook allereerst een zaak van het hart; en wat men „mystiek" noemt, — van mysticisme wel te onderscheiden, — is dan ook niet anders dan het verborgen diepere zieleleven, waarbij de mensch 'm zijn God geniet. Zeker moet dat leven in ons bewustzijn tot helderheid en klaarheid komen en in ons handelen naar wat voor God goed is zich openbaren, maar de grond der religie is het

Hoe de zonde ook het natuurlijk religieus gevoel heeft bedorven, en het alleen wanneer God een werk aan de ziel doet, weer wordt gereinigd en gelouterd, kan evenzeer hier nog niet, maar zal in onze volgende artikelen weldra ter sprake komen.

Na de vrij uitvoerige uiteenzetting van de natuurordeningen voor het gevoel kunnen wij des te korter zijn omtrent die voor de gemoedsbewegingen. Wat men gemoedsbeweging of ook wel gemoedsaandoening, en met een vreemd woord affect, beter misschien nog, gemoedsberoering of gemoedsontroering noemt — en wèl te onderscheiden is van v/at men „hartstocht" of passie noemt, — staat \\zk.tegeno\exgemoedsrust. Van ouds is men gewoon hier de vergelijking te maken met de nu eens kalme, dan weer onstuimige zee.

Het beeld is juist.

Evenmin als de zee ooit in volstrekte rust is, evenmin is, in den diepen slaap uitgezonderd, ons gemoed ooit in volstrekte rust. Aan ieder onzer gewaarwordingen toch paart zich een gevoel en onze gewaarwordingen van een enkelen dag zelfs zijn vele en velerlei.

Toch wordt onze gemoedsstemming en daarmee onze altijd betrekkelijke gemoedsrust in den gewonen gang des levens niet gestoord. Het leven onzer ziel gaat gelijkmatig, kalm als een zee bij windstilte, en ook de gevoelens van lust en onlust houden als het ware elkander in evenwicht, of liever nog, de ziel zelf behoudt haar evenwicht.

Maar nu gebeurt het, dat door een voorstelling, die de ziel zich uit een plotseling ontstane gewaarwording maakt, of ook door dat zij zich een vroegere voorstelling plotseling herinnert, het even plotseling opkomend gevoel dat met die voorstelling gepaard gaat, de ziel schokt. Het evenwicht is dan verbroken, de ziel is ontroerd, het gemoed onstuimig als de golven der zee bij een storm.

En vooral bij het affckt, bij de gemoedsontroering, wordt duidelijk hoe het gevoel in verband staat met het hart. Heel het vegetatieve leven wordt er bij aangedaan, maar inzonderheid de bloedsomloop wordt er, zooals zich in hartklop en polsslag, in roodworden en verbleeken openbaart, door gev/ijzigd.

Wijl nu ieder gevoel en dat niet slechste de lagere, maar ook de hoogere, tot een affekt

kan worden, is de verscheidenheid van het affekt even rijk als die des gevoels.

Wordt de ziel bij de gemoedsontroering in haar bestaan verhoogd, dan spreekt men van opwekkende of exciteerende; wordt zij in haar bestaan gedrukt, vzx^neerdrukkende of deprimeerende affekten. Tot de eerste soort behooren b. v. toorn, moed en bewondering; tot de tweede b. v. vrees, schrik, schaamte.

Zij er ten slotte nog op gewezen, dat het ontstaan zoo van affekt als gevoel een natuurordening voor ons zieleleven is. Afifekt „uitteroeien" heeft geen verstandig mensch dan ook ooit gewild. „Gevoelloos" zijn wij alleen in den diepen slaap.

En apathie oi gevoelloosheid in wakenden toestand is dan ook niet anders dan of het zelfbedrog of de misleiding van anderen, dat men voor lust of onlust werkelijk onverschillig zou zijn. Terwijl „door niets te storen gemoedsrust" zelfs bij afstomping van het medegevoel, door den zelfzuchtigen in werkelijkheid nooit wordt verkregen.

In zich zelf is het gevoel en ook het tot affekt geworden gevoel, b. v. van liefde en haat, van vreugde en droefheid — goed noch slecht. Zij worden eerst slecht door de zonde, en alleen de Genade kan heiligen ons gevoel en onze gemoedsbewegingen.

Heiligen het hart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 november 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 november 1903

De Heraut | 4 Pagina's