GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Van de tien geboden.

18 minuten leestijd

XXXII.

HET DERDE GEBOD.

III.

Uw Naam worde geheiligd. Mattheus 6 : 9.

Zoo vonden wij dan, dat onder den Naam des HEEREN te verstaan is de openbaring, die God aan ons menschen van Zichzelf geeft, en wel om ons tot Zich in de rechte houding te brengen en te houden.

Een naam toch, voor zoover hij iets beteekent, duidt het karakteristieke aan van die hem draagt.

Adam gaf in het Paradijs namen aan de dieren (Genesis 2 : 20) dat is, hij doorzag met één blik het wezen der verschillende diersoorten; welk wezen niet anders was dan 'n gedachte, 'n idee Gods, die in de geschapen dieren tot existentie was gekomen, en voor welk wezen Adam dan een woord vond. En zoo duidt ook de Naam waarmee God zich zelf aan ons menschen noemt. Zijn Wezen aan.

In en door dien Naam openbaart Hij zich aan de menschen.

Wat dit laatste is, komt nog duidelijker dan in ons „openbaring, " in het vreemde woord revelatie uit. Dat toch wil letterlijk zeggen onthulling, ontsluiering, en gelijk een standbeeld door u niet kan gekend, zoo lang het niet is onthuld, zoo moet God de Heere ook zijn aanbiddelijk wezen voor u ontsluieren, zult gij Hem kennen. En dit nu doet Hij door zich te noemen met een naam.

Een naam toch van iemand, althans een naam die iets beteekent, duidt niet slechts aan w? e iemand is, maar ook «/«/iemand is.

Wat hij voor anderen is.

Een schipbreukeling op een onbewoond eiland heeft daar niets aan zijn naam. Daar zijn geen anderen voor wie hij wat zijn kan. s

Eerst in de gemeenschap met onze medemenschen, krijgt onze naam zin.

Van onzen Heiland lezen wij: ant zijn naam was openbaar geworden, (Markus 6 : 14) en dat wil daar dan zeggen, dat wat Jezus voor die menschen in Galilea was, voor hen duidelijk was geworden. In den naam Jezus van Nazareth lag voor hen de gedachte aan den man, in wien vele krachten werkten, en toen er nu ook door Jezus' discipelen in Galilea duivelen werden uitgeworpen, en kranken genezen, werd zijn naam al meer bekend, zoodat die naam zelfs genoemd werd in het paleis van koning Herodes, den moordenaar van Johannes den Dooper, en de conscientie van den koning verontrustte.

En zoo ook waar God en mensch in gemeenschap treden, noemt God Zijn naam, opdat de mensch kennis zou hebben wat zijn God voor hem is.

Een onbekende God toch kan niet zijn de God van het menschenhart.

Verder vonden wij, dat de openbaring van Zichzelf, die God ons in het noemen van Zijn Naam schenkt, veel meer omvat dan alleen de Schrift, al is het ook, dat thans de zondige mensch al dat andere wat God van Zichzelf openbaart in de natuur, in ons gemoed, in de geschiedenis van ons leven en de historie der volkeren eerst helder en duidelijk verstaat juist door middel van de Schrift. Dit bood ons gelegenheid om over de onderscheiding van algemeene en bijzondere openbaring en over haar onderlinge verhouding te handelen.

Thans gaan wij onderzoeken de ordinantie Gods van ons willen en handelen in betrekking tot Zijn openbaring.

Daarover toch gaat het derde gebod.

Ook bij dit gebod hebben wij te doen met Gods wil voor de wijze waarop wij moeten willen en handelen, en wel in betrekking tot Zijn Naam.

Gelijk bij de behandeling der eerste twee geboden, zullen wij ook bij die van het derde, eerst eerbiedig onderzoeken, wat de Heere onze God hier gebiedt en dan wat Hij ons verbiedt.

Aan Zijn souverein: „gij zult niet, " laten we vooraf gaan Zijn onvoorwaardelijk: „Gij zult."

Wanneer wij daartoe uitgaan van wat wij vroeger vonden, als de letterlijke vertaling van het derde gebod: Gij zult den Naam van Jehovah uw God niet opheffen tot het ijdele, dan blijkt allereerst, in verband ook met wat wij vonden over den Naam, dat God niet wil dat wij Zijn openbaring laten liggen, maar haar gebruiken, en wel èn op een bepaalde wijze èn tot een doel dat rechtstreeks ingaat tegen het ijdel gebruiken of tot het ijdele opheffen.

Wat nu dit positieve is, m. a. wat hier, als hetgeen God van ons wil, staat tegenover hetgeen Hij niet van ons wil; wat hier als hetgeen Hij bevestigt, staat tegenover hetgeen Hij ontkent; daarover valt terstond een helder licht, wanneer gij naast het derde gebod: Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdelijk gebruiken, legt de tweede bede van het Onze Vader: Uw Naam worde geheiligd.

Van deze bede uit zullen wij dan ook nu onderzoeken, wat God de Heere ons in het derde Zijner geboden gebiedt en mitsdien norm of richtsnoer voor ons bestaan en gedrag, ons willen en handelen moet zijn.

Zeker is er verschil tusschen die bede en dit gebod.

In een bede vraagt gij nederig iets van uw God, en in een gebod eischt God in souvereine hoogheid iets van u.

Gij dan bidt aldus: nze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd (Matth. 6 : 9), heeft de Heere Jezus tot zijn discipelen gezegd, toen hij tegenover de heidensche „battologie" of het „zwetsen, " het gedachten-arm maar woorden-rijk en daarom zoo lang gerekte bidden van sommigen zijner tijdgenooten. Zijn in woorden sober maar in gedachten zoo rijke formuliergebed gaf; een gebed, welks bewoording wij onveranderd hebben te gebruiken.

En als wij nu diis, naar het uitdrukkelijk voorschrift van onzen Heere en Heiland, bidden: „Onze Vader! Uw Naam worde geheiligd", dan vragen wij van Onzen Vader èn dat Zijn Naam geheiligd worde door Hem, maar ook dat Zijn Naam geheiligd worde door ons. En dit laatste vragen wij, omdat wij wel weten, dat dit door ons moet gedaan, en wij het, als ons hart tegenover Onzen Vader goed staat, ook wel willen, maar het, als Hij ons ook daar de kracht niet toe geeft, zoo jammerlijk slecht doen.

Als wij. dus bidden: Uw Naam worde geheiligd, dan is dat een woord des menschen tot God. Doch toen van den Sinaï God sprak tot Zijn volk „al deze woorden, zeggende: Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdelijk gebruiken", en daarmee inging tegen alle ontheiliging van Zijn Naam, omdat Hij wil, dat Zijn Naam door Zijn volk en door al wat mensch is zal worden geheiligd, was dat een woord Gods tot den mensch.

Dat wij menschen Zijn Naam heiligen, is Zijn eeuwige en onveranderlijke ordinantie in de zedelijke wereld, d. i. in die wereld van vrije wezens, die 's-Heeren daar geldende ordinantiën wel kunnen, maar niet mogen overtreden. Een ordinantie, ingeschreven in het hart van den naar Gods beeld geschapen paradijs-mensch, straks schier uitgesleten uit de harten van de wereldsche menschen; „toen God sprak al deze woorden van den Sinaï, " weer opnieuw ingedragen in het bewustzijn van Zijn volk; en thans weer ingeschreven in het hart van allen, die zich Jezus' eigen weten, die in den intiemen, innigen zin van het woord, thans Zijn Volk zijn.

In de tweede bede van het Onze Vader vraagt gij uw God, dat door u Zijn Naam worde geheiligd, en in het derde Zijner gebeden gebiedt u uw God, dat door uw Zijn Naam worde geheiligd.

In dat vragen van u en dat gebieden van God, in gebed en gebod, ligt het verschil; maar in wat wordt gevraagd en geboden, de heiliging van Gods Naam door u, ligt de overeenkomst tusschen Exodus 20:7 en Mattheus 6:9.

Is alzoo wat God ons hier gebiedt: Gif zult Mijn Naam heiligen, de vraag doet zich daarbij op, wat wij onder dat heiligen hebben te verstaan. Hoe kan Gods Naam, die immers heilig is, of, wat op hetzelfde neerkomt, hoe kan Zijn openbaring, die immers heilig is, hoe de Zich openbarende God, die immers heilig is, — want gij kunt God van Zijn openbaring niet los maken — door ons geheiligd worden?

Dit nu verstaat gij niet, tenzij gij den schriftuurlijken zin van het woord heiligen en heilig hebt gevat.

In ons heiligen zit heilig, dat op zijn beurt weer samenhangt met heil.

Het volle rijke begrip van heilig vindt men echter niet in de wereldlitteratuur, maar alleen in de Schrift. Heilig is een religieus, een godsdienstig begrip en behoort daarbij uitsluitend tot het gebied van de bijzondere openbaring, van de ware religie.

Het O. T. heeft voor heilig het woord kadosch, het N. T. hagios. Volgens de taalgeleerden is de woordstam van kadosch kad, en dit laatste zou dan de beteekenis hebben van snijden, scheiden, zoodat in het woord kadosch het grondbegrip zit van „afgesneden", „afgescheiden" „afgezonderd".

De tegenstelling van heilig is: emeen. Zoo noemt Achimelech, de" priester te Nob, de toonbïooden heilig brood en daarmee in tegenstelling het gewone, voor gemeen gebruik bestemde, gemeen. „Er is, zegt hij tegen David, „geen gemeenbrood onder mijne hand, maar er is heilig brood." (i Sam 21:4).

De afleiding van het Grieksche woord hagios van hagos dat wat schrik of schroom wekt, kunnen wij hier laten rusten, daar dit woord, door de Grieken weinig gebruikt, onder den invloed van de bijzondere openbaring een veel rijker zin kreeg dan het bij hen had. De overzetting van de Zeventig, d. i. de Grieksche vertaling van het O. T. gebruikte het ter vertaling van het hebr., kadosch en evenzoo deden de schrijvers van het N. T., maar zij gaven er een geheel nieuwen inhoud aan. Het ging daarmee als wanneer nog onze Bijbel moet overgezet in de taal van een heidensch volk. Het is dan een groote moeielijkheid om in die taal woorden te vinden, waarin specifiek-Bijbelsche gedachte zich laten uitdrukken.

Komen wij thans van het woord tot de zaak zelf.

Zooveel is uit het woord reeds duidelijk geworden, dat heilig als het afgezonderde staat tegenover wat gemeen is. Iets is altijd heilig tegenover iets anders. Heilig duidt dus allereerst een verhouding aan.

Toch ligt in heilig nog veel meer.

En dit vatten wij eerst, wanneer wij er op letten, hoe het woord in de Schrift alleen op God en op wat Godes is wordt toegepast. Behalve God zelf noemt de Schrift slechts die zaken en menschen heilig, die in bijzondere wijze Gode toebehooren, hetzij dan dat Hij ze Zichzelf of dat de mensch ze Hem toegeëigend heeft.

Jehovah heet bij Jesaia „de heilige Israels; " in psalm 103 : i zingt David: oof den HEERE, mijne ziel! en al wat binnen in mij is Zijn heiligen Naam; en zoo ook zingt de maagd Maria in haren lofzang: ant groote dingen heeft aan mij gedaan Hij, die machtig is en heilig is Zijn naam (Lukas i : 40); terwijl onze Heiland in Zijn hoogepriesterlijk gebed voor de Zijnen bidt: eilige Vader! bewaar ze in Uwen Naam, die gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als Wij.

Maar heilig heet in de Schrift ook het land waar Mozes bij de brandende braambosch op staat (Ex. 3:5); de Sabbath des Heeren (19 : 6); de zalfolie (30 : 25); Zijn Volk (19 : 6). In psalm 106 : 16 heet Aaron de heilige des Heeren; en Jeruzalem is de heilige stad (Jes. 58 : i).

En ook in het N. T. spreekt vooral de apostel Paulus in zijn brieven vandegeloovigen, als van heiligen, en noemt Petrus hen: en heilig priesterdom (i Petri 2: ); terwijl in den tweeden brief van Petrus Thabor de heilige berg heet (i : 18).

Op al deze plaatsen, en er zouden nog meer zijn te noemen, duidt het woord heilig, van personen of zaken gezegd, aan, dat ze van het gemeene gebied zijn afgezonderd en in een bijzondere verhouding staan tot God, die alleen heilig is.

Vonden wij alzoo, dat heilig, als het afgezonderde, een tegenstelling vormt met het gemeene, en verder, dat heilig alleen wordt gezegd van al wat — hetzij personen of zaken — toegeëigend is aan God, die alleen heilig is, daarbij komt nu in de derde plaats dat van heilig alleen en uitsluitend sprake is op het gebied van de particuliere genade; bij Israël en de Gemeente des Heeren. Jehovah is de Heilige Israels en Jesaia profeteert van den tijd waarin „de Heilige Israels, uw Verlosser, de God des ganschen aardbodems genoemd zal worden" (JesaiB 54 : 5).

Gebruikt nu de Schrift, naar wij zagen, het woord heilig alleen van God en wat Hem toegeëigend is, en dat alleen en uitsluitend voor zoover Hij Israels God, de God des Verbonds is, en wat Hem toegeëigend is, binnen den verbondskring valt, daaruit blijkt dan reeds zooveel, datdeheiligljeid Gods op het innigst verbonden is met de verhouding tot Zijn Volk.

God is de lleilige, omdat Hij is de God van Zijn Volk, van Zijn Israël, en als de Heilige heiligt Jehovah Israël en is Israël daarom heilig, wijl het door Hem is afgezonderd van de volkeren der wereld tot Zijn eigendom. Merkwaardig is hiervoor Deuteronomium 28 : 8 en 9. De Heere zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, en alle volkeren der aarde zullen zien, dat de Naam des Heeren over u genoemd wordt.

En deze afzondering Israels in een verkiezing uit alle volkeren der aarde tot Zijn volk; dit heiligen van Israël komt tot stand in den tijd der Egypti.sche verlossing : Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jacobs van een volk, dat eene vreemde taal had, zoo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijne volkomene heerschappij (Ps. 114:1, 2).

Is nu God de Heilige omdat Hij Zijn volk afzondert van de wereld en zich ten eigendom verkiest, en is Hij daarom ook alleen voor Zijn volk de Heilige, — daaruit volgt, dat Hij tegenover de wereld in een andere verhouding staat. Waar Hij Zijn volk afzondert. Iaat Hij de wereld liggen; waar Hij Zijn volk verkiest, verwerpt Hij de wereld; waar Zijn volk heilig wordt omdat het door Hem in een bijzondere verhouding tot Hem komt te staan, blijft de wereld wat zij is, onheilig.

De wereld kent God niet als den Heilige.

Dit nu geldt niet van de wereld, van de menschen wereld gelijk God haar schiep, maar van de wereld zooals zij door de zonde is geworden,

Van de zondige wereld.

En dit baant ons den weg om den zin van heilig nog dieper te verstaan.

God is heilig, en omdat Zijn volk door Hem is uitverkoren, is ook dat volk heilig wijl Hij zelf, en door Hem Zijn volk, staat tegenover de zondige wereld. Gij zult heilig zijn; want Ik de Heere uw God ben heilig (Lev. 19:2) is de gedachte van het Verbond: en gedachte die ook in den tijd van de nieuwe bedeeling wordt uitgesproken, wanneer Petrus, de Apostel van Jezus Christus, schrijft: aar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, zoo wordt ook gij zelve heilig in al uw wandel, daarom dat er geschreven is: ijt heilig want. Ik ben heilig (i Petri 15 en 16). Iets waarbij gij wèl moet letten op dat andere woord: k ben de Heere, Die u heiligt. (Lev. 21:8), want het is altijd God die Zijn volk heiligt. Maar al is God de Heilige omdat Hij, door Zijn volk te verkiezen, scheiding maakt tusschen dat volk en de zondige wereld, heilig heeft nog een veel rijker zin dan alleen dien van niet-zondig.

En juist die rijker zin komt uit, indien wij letten op wat God voor Zijn volk doet.

Op de wetten die Hij aan Zijn volk geeft en op de leidingen, die Hij met Zijn volk houdt.

De „Thorah" of „leer", gewoonlijk vertaald door „wet", die Jehovah Zijn volk geeft en die dan zoowel de tien geboden, als de ceremonieele en de burgerlijke wetten bevat, bedoelt niet slechts Israël te onderrichten hoe het bestaan en leven moet afgezonderd van en in tegenstelling met de zondige wereld, maar ook hoe het bestaan en leven moet overeenkomstig Zijn wil; maar ook — men denke aan de ceremonieele of schaduwachtige wetten — geeft zij onderricht in den weg der verzoening of der bedekking van de zonde voor God. In Israel's heiligdom zal hij, de hoogepriester, voor het heilige van wege de onreinigheden der kinderen Israels, en van wege hunne overtredingen, over al hunne zonden verzoening doen (Lev. 16: i6).

Reeds hieruit verstaan wij, dat heilig niet maar bloot de negatie, de ontkenning van zondig is, maar als het zuivere, het reine, het volkomene, tegenover het onzuivere, onreine en gebrekkige staat. De zedelijke wet of die der tien geboden eischt volkomenheid; de ceremonieele of schaduwachtige wijzen op den weg waarin voor onvolkomenheid en onreinheid bedekking, verzoening wordt gevonden.

Duidelijker wordt dit nog, wanneer wij letten op de leidingen, die God met Zijn Volk houdt.

Niet slechts eischt Hij van Zijn volk in Zijn wet afzondering, breken met het zondige en daarentegen gehoorzaamheid aan Zijn wil, maar Hij, die ook gezegd heeft: k ben de Heere, die u heiligt (Lev. 21:8) werkt dit alles in Zijn volk ook door de leidingen, die Hij met dat volk houdt. En die leidingen zijn dan zoowel Zijn gerichten of oordeelen, als Zijn verlossingen en uitreddingen.

Het is zoowel in die gerichten, welke Hij als de ijverige over Zijn volk brengt wanneer dat volk het verzondigd heeft, als in Zijn uitreddingen die Hij schenkt als Israël zich bekeert, dat Hij Zijn heiligheid bewijst; dat Hij toont de God van Zijn Volk te zijn; ais de Getrouwe dat volk niet, gelijk Hij de de wereld doet, uitsluit van Zijn gemeenschap. Maar het is ook door die oordeelen en verlossingen, dat Hij Zijn Volk ontzondigt, reinigt, verzoent en heiligt.

En dat Hij de God van Zijn Volk, de heilige Israels is, betoont Hij ook in de gerichten die Hij over de volkeren, over Israel's vijanden, over „de roeden Zijns toorns" brengt. Dan heiligt Hij Zich als Israels God voor de heidenen. Alzoo zal Ik lifij groot maken, en bekend worden voor de oogen van vele heidenen, en zij zullen weten dat Ik de Heere ben (Ezechiël 38 : 23).

Vatten wij dit alles nu saam, dan krijgen wij als resultaat, dat heilig in de Schrift alleen van God wordt gebruikt en slechts van de schepselen, voor zoover zij tot Hem in een bijzondere verhouding staan. Dat dit laatste uitsluitend geldt van Zijn Volk en wat onder dat Volk aan Zijn dienst is gewijd. Verder, dat God de heilige is, omdat Hij Zich stelt tegen het zondige in de wereld, dat zondige van Zijn gemeenschap uitsluit, en daarentegen verkiest wat Hij, door het Zich ten eigendom te maken, en het Zijn Wil op te leggen en aan Zijn Leidingen van gericht en verlossing te onderwerpen, ontzondigt, reinigt, zuivert, heiligt. En eindelijk, dat Hij de heilige is en Zich tegpn de zonde stelt, de wereld verwerpt en Zijn Volk verkiest, omdat reinheid, zuiverheid, volkomenheid, en gaafheid van Zijn Wezen Zich met al de energie van Zijn haat tegen het zondige keeren moet.

En wat nu in Israël en aan Israël van Gods heiligheid uitkomt, houdt wel dezelfde grondtrekken, maar treedt nog rijker te voorschijn in en aan den Christus, den Heilige Gods (Luk. 4 : 34). Hij de afgezonderde van de wereld; de afgescheidene van de zondaren; Hij in wien God zich betoonde als de Heilige, toen „hij met éene offerande ia eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden". (Hebr. 10 : 14).

Zoo eerst verstaat gij iets van den diepen zin die in heilig ligt; iets van het „heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen!" dat Jesaia door de Serafs voor den Heilige Israels hoorde uitroepen (Jes. 61 : 3); verstaat ge waarom ook „onze God een verterend vuur is", (Hebr. 12 : 29).

En van uit dit begrip van ^^«7«^ laat zich nu ook gemakkelijk de schriftuurlijke zin van heiligen verstaan.

„Heiligen" is, in de Schrift, bewerken, dat iets aan de Goddelijke heiligheid, dat is aan de in verkiezende liefde zich openbarende, reinheid Gods deelneemt.

En in dien zin wordt heiligen dan zoo wel van God als. van den mensch gebruikt. God heiligt al wat Hij in Zijn dienst neemt, tot Zijn werktuig gebruikt om er bij zijn creatuur mee in te gaan tegen de zonde, en wat Hij verkoren heeft aan Zijn reinheid te doen deelnemen. En dus gebruikt hij ook den dienst van menschen. In dien zin heet Aaron, Israels Hoogespriester: e heilige des HEEREN (PS. 106:16); in dien zin wordt zelfs van de wereldmacht, die het gericht over Juda moet voltrekken, gezegd: ant Ik zal verdervers tegen u heiligen (Jer. 22:7 ); maar in dien zin noemt ook Christus zichzelf: ien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft (Joh. lo : 36.)

Maar ook heiligt God wanneer Hij wat als zondig tegenover Hem en buiten Zijn gemeenschap staat, eerst in Zijn gemeenschap opneemt dan ontzondigt en aan Zijn reinheid en gaafheid doet deel hebben.

En nu verstaat gij, dat God niet in den laatsten, maar alleen in den eersten zin Zijn Naam heiligt. Met Zijn openbaring gaat Hij dan in tegen het zondige. Hij heft haar op tegen het ijdele; hij gebruikt haar om het te keeren, te bestrijden, weg te dringen uit wat Hij verkoren heeft.

Dan, ook de mensch heiligt.

En ook hij doet dit op tweeerlei wijze.

Hij heiligt wat reeds Godes is en dus reeds aan Zijn heiligheid deel heeft. Dat doet de mensch, wanneer hij met het heilige Gods eerbiedig en met ontzag omgaat, het met „vreeze en eerbied" gebruikt tot het doel waartoe God het gegeven heeft.

Maar hij, de mensch, heiligt ook, wanneer hij wat eerst gemeen is, wat eerst buiten Gods gemeenschap staat, Hem toewijdt, in Zijn gemeenschap stelt.

En nu verstaat gij, dat de mensch niet in den laatsten, maar alleen in den eersten zin Gods Naam kan heiligen. Maar ook, dat wij Gods Naam, Zijn openbaring, niet slechts dus moeten heiligen, dat wij er eerbiedig en ontzagvol mee omgaan, doch ook dat wij, als navolgers Gods (Efeze 5 : i) Zijn openbaring moeten gebruiken tot beatrijding van de zonde; haar opheffen tegen het ijdele.

En zoo eerst hebt gij den zin van wat God u gebiedt in het derde Zijner geboden: Gij zult Mijn Naam heiligen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren