Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de tien geboden.

17 minuten leestijd

XXXIII.

HET DERDE GEBOD.

IV.

En dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt. Johannes 17:3.

Het heiligen van den Naam des Heeren uws Gods is dus, wat Hij' ons in het derde Zijner geboden gebiedt. En wijl nu Zijn Naam niet anders is dan Zijn openbaring, zoo is het Zijn Soevereine Wil, dat gij zult willen die openbaring met „vreeze en eerbiedinge" gebruiken tot het doel waartoe Hij haar aan u geschonken heeft.

Dat doel nu is, om met Gods openbaring te doen wat God Zelf er mee doet, haar te gebruiken als middel om tegen te gaan, te keeren, te bestrijden, weg te dringen en te verdrijven het ijdele, den schaw; haar opheffen tegen het ijdele.

En hierin zijn wij dan Zijn navolgers; navolgers Gods als geliefde kinderen. (Efeze 5:1).

Tweeërlei zit er alzoo in dit heiligen van den Naam.

Gij zult hem, om met onzen Catechismus te spreken, met „vreeze en eerbiedinge" gebruiken, èn gij zult hem gebruiken voor het doel dat God u daarvoor heeft gesteld.

Zien wij vooraf wat onder het eerste: het met „vreeze en eerbiedinge" gebruiken, is te verstaan.

Onze Heidelberger bezigt deze uitdrukking in het antwoord op de 99ste vraag. In het Latijn staat er cum religione ct veneratione. Wij zouden dus ook kunnen vertalen „met religie en veneratie, " waarbij wij dan in het algemeen hebben te denken aan 'n innerlijke gezindheid en aan de uiting van die gezindheid. In religie toch zit de algemeene gedachte aan vromen zin, aan ontzag of vreeze tegenover het heilige, aan schroom, aan angstvalligheid, en in veneratie zit de gedachte aan met onderscheiding en voorzichtigheid behandelen van datgene waartegenover men dus gezind is.

In dien algemeenen zin kunnen wij zelfs van religie en veneratie spreken ook tegenover andere voorwerpen dan Gods Naam of openbaring.

Zoo zal men tegenover een fijn bewerktuigd en kostbaar instrument, b. v. een chemische balans of een mikroskoop, een zeker gevoel van schroom hebben [en er tevens voorzichtig mee omgaan. Een dergelijk gevoel van schroom om het niet te verderven, hebben wij tegenover den laatsten brief of het afbeeldsel van een gestorvene, die ons dierbaar is, en wij gaan er dan ook voorzichtig, mee om. En zulk een gevoel, zulk een innerlijke gezindheid voegt ons ook b. V. tegenover de ziel van een kind; vreeze om die fijn bewerktuigde kinderziel te ontwijden en daarom tevens voorzichtigheid in het behandelen er van, opdat wij noch met onze woorden noch met onze handelingen haar verderven. Ja, niet alleen tegenover het kind, maar ook tegenover onze medechristenen, ook in het onderling verkeer tusschen de geloovigen, voegt zulk een gezindheid van schroom en zulk een voorzichtig behandelen. Dit komt vooral uit bij het vermijden van ergernis of aanstoot ^^w» aan de zwakken. Wij zullen later gelegenheid hebben hier uitvoerig over te handelen. Thans zij alleen gewezen op dat woord van groote teederheid in Paulus brief aan de Romeinen: dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft" (h. 14 : 13). Door dat wel te doen toch, kunt gij, zooveel aan u staat, het werk Gods in de ziel van zulk een zwakken broeder verstoren, en daarom schrijft de apostel dan ook, met betrekking tot het vleeschgebruik, waarover in de gemeente van Rome toen een quaestie was: erbreek het werk van God niet om der spijzen wil. Alle dingen zijn wel rein, maar het is kwaad den mensch, die met aanstoot eet (vs. 20).

Zoo is er dan, reeds in dien algemeenen zin, een met religie en veneratie gezind zijn, tegenover een omgaan met het crea tuurlijke.

Maar in bijzonderen zin geldt dit nu tegenover God en wat van God is.

Hier wordt de vreeze bepaald schroom en vreeze voor God dus Jn den letterlijken zin godsvrucht, en de eerbied, het betoon dier gezindheid, de eerbiediging welke alleen tegenover God voegt.

Van daar dan ook dat onze Catechismus de woorden in het antwoord op vraag 99 terecht overzet met „vreeze en eerbieding."

En dan is dit met „vreeze en eerbieding" gebruiken van Gods Naam niet anders dan bij alle gebruik van Gods openbaring steeds tegenover haar gezind te zijn met ontzag en schroom, en dat ook te toonen in het onderscheidenlijk en voorzichtig met haar omgaan. Want zij toch is niet minder dan wat God u van Zichzelf te kennen geeft, dan de Zich openbarende God zelf. Daarom is dan ookjuist gemis aan vreezeen eerbiedinge tegenover de openbaring, gemis aan vreeze en eerbieding tegenover den Hoogen God zelf, die in het eerste Zijner geboden nadrukkelijk u gebiedt wat wij vroeger omschreven als de godsvrucht en den godsdienst des harten, en dan ook in Zijn Woord zegt: en Heere der heirscharen. Dien zult gijiieden heiligen, en Hij zij uwe vreeze, en Hij zij uwe verschrikkinge. (Jesaia 8:13); maar ook in Zijn Woord belooft: , die Mijnen Naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen (Maleachi 4 : 2).

Ziet dus het met „vreeze en eerbiedinge" op de wijze, waarop gij met Godsopenbaring hebt om te gaan, op de wijze waarop gij haar hebt te gebruiken, — in wat God u hier in het derde Zijner gQ\iQ^t.Xi gebiedt: G zult Mijn Naam heiligen, ligt in de tweede plaats, gelijk wij vonden, dat gij die openbaring zult gebruiken tot het doel waarmee uw God haar u schonk.

En dit nu is, gelijk boven reeds gezegd werd, kort uitgedrukt: haar gebruiken tot bestrijding van de zonde; haar opheffen tegen het ijdele.

En dit u van God geboden gebruik gaat over heel het terrein van het menschelijk leven.

Zoowel over uw eigen leven als over-dat van uw saamleven met anderen.

Om dit des te duidelijker te doen uitkomen, zullen wij het met vreeze en eerbiediging gebruiken van Gods openbaring tot bestrijding van de zonde, eerst in ons eigen leven en dan in het saamleven met onze medemenschen, afzonderlijk bespreken.

Bij het eerste zal dan dat gebruik eerst in betrekking tot ons verstandelijk-, daarna tot ons wilsleven, en eindelijk wat betreft de aanroeping van Gods Naam in d^ gelofte als middel tot oefening in de godzaligheid ter sprake komen.

Bij het tweede, het met vreeze en eerbiedinge gebruiken van Gods openbaring tot bestrijding van de zonde in het saamleven met onze medemenschen, moet dan worden gehandeld: van het belijden en verbreiden van Zijn Naam tegenover en onder de menschen, en van het aanroepen van dien Naam, om het goddelooze te keeren, in den heiligen vloek; om trouw en waarheid te bevestigen in den eed, en om een beslissing te verkrijgen in het lot.

In dit artikel zullen wij nu verder handelen over het met vreeze en eerbiedinge gebruiken van Gods openbaring in ons eigen leven tot bestrijding van de zonde.

Wat het leven van 'n mensch eerst tot een 'n menschelijk leven maakt, is juist dat wat hem van plant en dier onderscheidt. Met 'n plant heeft 'n mensch de voeding en de voortplanting, met 'n dier de waarneming door middel zijner zintuigen, het daarmee saamhangend zinnelijk begeeren en de willekeurige beweging zijner ledematen gemeen; doch wat hem van plant en dier onderscheidt, is zijn verstand en zijn wil. In het leven des verstands, of het intcllectueele; in het wilsleven of het zedelijke ligt het eigenaardige menschelijke, en het is aan dit eigenaardig menscheüjke dat heel het leven van 'n mensch, ook dat wat hij met plant en dier gemeen heeft, moet onderworpen zijn, zal er in 'n mensch die innerlijke harmonie wezen, welke hij oorspronkelijk had en welke hij hebben moet.

Om dit laatste te verstaan, moeten wij teruggaan op den eersten mensch, op Adam, zooals hij in zijn oorspronkelijke gerechtigheid door God was geschapen.

Adam was in den volstrekten zin goed, d. w. z. in zijn bestaan overeenkomstig Gods wil.

Hij was heilig in den zin van gaaf, zoodat er niets aan ontbrak.

In hem was geen strijd tusschen het lichamelijke en het geestelijke; tusschen lichaam en ziel; geen strijd tusschen lust en begeerte; tusschen begeerte en wil; geen strijd ook tusschen zijn kennen en zijn willen.

Alles was in harmonie.

Want in hem was de zuivere kennisse Gods en daarom van de wereld; en in hem was ook de zuivere liefde tot God en daarom tot de wereld.

Het is deze harmonie, die door de sonde is verbroken.

In deze innerlijke harmonie, in deze gaafheid vertoonde de monscu Adam, wat wij noemen het beeld Gods in „enger zin."

Door de zonde verloren, is juist in wat bleef, het menschelijkein 'n mensch, zijn verstand en wil; dat wat wij noemen het beeld Gods „in ruimer zin, " zij het dan ook niet ongeschonden, door Gods gemeene Gratie bewaard.

En dit laatste nu hangt op het innigst saam met Gods openbaring.

God heeft den mensch dus geschapen, dat hij, wat zelfs het hoogst ontwikkelde dier niet vermag Hem, kan kennen. Hel besef dat God is, heeft de gemeene gratie ook in den zondaar, in den gevallen mensch bewaard en daarmee wat Calvijn noemde „het zaad der religie." Het is hieruit dat de gewaarwording van ontzag, gewekt door de waarneming van Gods eeuwige kracht en goddelijkheid die zich in de natuur openbaren, opkomt en waaruit dan ook het algemeen menschelijk verschijnsel van de religie moet verklaard.

Nog altijd als in de dagen van het Paradijs, gaat God voort Zich dus innerlijk in 'smenschen ziel en uitwendig in Zijn schepping te openbaren, kenbaar te maken aan den mensch.

Hij laat Zich aan niemand onbetuigd.

Maar, verduisterd in het verstand door de zonde, verstaat de mensch deze openbaring niet meer zuiver; en verdorven in zijn wil, doordat zijn liefde tot God in haat omsloeg, wil hij, hoewel God tot op zekere hoogte kennende, Hem als God niet verheerlijken (Rom. I : 21).

Dan, hiertegenover komt nu God in Zijn bijzondere genade tot den mensch, tot Zijn volk, tot Zijn uitverkorenen.

Innerlijk, zoowel als uiterlijk.

In weder barende genade brengt Hij, onderwerpelijk door Zijn Geest, leven in de geestelijk doode ziel en herstelt dan, zij het ook hier op aarde nog niet in een „volmaaktheid der trappen, " dan toch in een „volmaaktheid der deelen". Zijn beeld in enger zin in Zijn kinderen.

Maar ook uiterlijk, voorwerpelijk zoo, dat het voor hem komt te staan, heeft God den mensch bekendmaking geschonken van wat Hij voor hem is en wil zijn. Hij heeft dat gedaan aan Israël, „veel malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, en ten laatste door den Zoon." Hij heeft dit gedaan door de inwerking van Zijn geest op de heilige schrijvers, die deze „woorden" Gods in schrift hebben gebracht.

En nu is dit het wondere in het werk des Heiligen Geestes, dat waar Hij dus wederbarend Zijn machtig Werk verricht in een menschenziel. Hij ook een band legt tusschen het dus vernieuwde en verlichte bewustzijn en de Schrift als Gods openbaring voor den mensch.

Vast overtuigd, overreed en verzekerd te zijn, dat de Schrift Gods openbaring. Zijn Woord is tot ons, is dan ook vrucht van het Werk des Geestes.

Uit het zaad der religie komt dan weer op niet slechts de vroomheid, die ook vaak bij de heidenen niet ontbreekt, maar de echte godsvrucht, wijl het ingeschapen ontzag voor den Zich openbarenden God, zich nu weer richt op den Eenige en Waarachtige, gelijk Hij uit Zijn bijzondere openbaring gekend wordt.

Zoo verstaan wij dan ook iets van dat diepzinnig woord van den Heiland uit zijn hoogepriesterlijk gebed: n dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt." (Joh. 17 : 3). Hier wordt ons door Christus zelf gezegd, dat het eeuwige leven, het leven dat niet eindigt in den dood en reeds aanvangt hier op aarde, het leven der „ware oneindigheid, " kennisse is, kennisse van den eenigen en waarachtigen God door de geloovigen, en wel zoo, dat zij maar niét slechts is een verstandelijk weten, dat God is en wat Hij voor hen zijn wil, maar zoo, dat zij met het oog des geloofs geestelijk Hem aanschouwen, en Hij tot middelpunt van heel hun geestelijk leven, hun denken en willen wordt. Deze „eenige waarachtige" of „alleen ware" God is de Vader van onzen Heere Jezus Christus, door en in Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft, alleen te kennen; waarom.dan ook juist Christus een in wezen met Zijn Vader is.

En wijl nu voor ons — die niet als de eerste discipelen, den Gezondene des Vaders, het Woord des Levens gezien hebben miet onze oogen, getast hebben met onze handen en gehoord hebben met onze ooren (i Joh. I : I en 3) — omtrent Jezus Christus geen andere kennisse mogelijk is dan door middel van de Schrift, zoo is er ook om tot het eeuwig leven, de zaligmakende kennisse Gods, waarvan Christus hier spreekt, te geraken, voor ons geen ander middel dan de Schrift.

Gij kunt Christus niet anders kennen dan door de Schrift.

Er is geen andere weg dan door het geloof aan de Schrift tot het geloof in Christus, en door het geloof in Christus, tot dat kennen van God, hetwelk het eeuwige leven is; tot zaligmakende godskennis.

Wij leggen hier zulk een nadruk op, om helder te doen uitkomen, dat — gelijk het in sommige Protestantsche, maar niet-Gereformeerde kringen wel eens wordt voorgesteld — noch het vroom gevoel, noch de geestelijke ervaring, noch de bevinding van den geloovige ons Christus doen kennen.

Christus is alleen te kennen voor u uit de Schrift; uit heel de Schrift, zoo Oud als Nieuw Testament; en eerst waar dit weer als onomstootelijk voor u vaststaat voelt ge het hoog belang van de Schrift als Godsopenbaring.

Maar waar nu dus door Gods wederbarende genade, uw ziel weer vast kwam te liggen aan de Schrift; door een eigen Werk des Heiligen Geestes er in^den letterlijken zin tusschen u en de Schrift een band ontstond; ge u aan die Schrift, als het eigen Woord van uw God, gebonden weet; daar moet ge ook, naar wat God van u eischt, in het derde Zijner geboden, die Schrift met vreeze en eerbieding gebruiken tot bestrijding van de zonde, allereerst in u zelf.

Haar opheffen tegen het ijdele.

Het leven, dat God in u schiep toen Hij u wederbaarde, staat tot de inwonende zonde, waarvan gij eerst bij u sterven afkomt, „als de lelie tusschen de doornen^" gelijk het heet in het Hooglied.

Die inwonende zonden dringen er op aan en hinderen het in zijn groei, maar uw God wil, dat gij reeds hier op aarde niet zondig, maar heilig zult leven.

En daarom moet gij gebruiken Zijn openbaring.

Er mee afweren het ijdele, dat niet alleen uit de wereld, maar ook uit uw eigen ziel op u aandringt.

Dat allereerst doen in de wereld van uw bewustzijn.

Hier gaat het om de tegenstelling van waarheid en leugen, en wel in dien zin, dat gij u de dingen al of niet denkt zoo als zij voor God zijn; al of niet denkt zoo als Hij wil, dat gij ze u zult denken.

Waarheid in dezen zin toch is de overeenstemming tusschen denken en zijn.

In uw bewustzijn nu komt, zoowel door wat gij gewaarwordt van uw eigen wezen, van uw lichaam en ziel, als door wat gij met uw zintuigen, uw oog en oor vooral, gewaar wordt van de buitenwereld, een schat van voorstellingen die, om zoo te zeggen, de stof vormen, welke uw denken moet verwerken.

Ware er nu geen zonde, dan zou èn uw gewaarworden altijd zuiver èn uw denken altijd juist zijn. Vergissing en dwaling waren dan uitgesloten.

Dan, het is juist de zonde die èn uw gewaarworden èn daarmee uw voorstellen vaak vervalscht en uw denken vaak op een dwaal spoor brengt.

Van daar dat zelfs uit de gewaarwording Gods in uw binnenste, en die van Zijn kracht en goddelijkheid in uw wereld, valsche voorstellingen ontstaan, en het denken van den natuurlijken mensch over God zich in dwaling verloopt, gelijk zich dit dan ook voordoet op het gebied der pseudo-of valsche religie. De nu zondige mensch kan dan ook alleen uit de Schrift God „recht leeren kennen."

Het is toch de Schrift die u hier, gelijk het licht de duisternis, het waar van het valsch, van de leugen leert onderscheiden.

En wijl God aller dingen grond en oorzaak is en heel de geschapen wereld in betrekking staat tot Hem, haren Schepper, kunt gij eerst bij de rechte kennisse Gods, uit de Schrift verkregen, ook die werelden in die wereld u zelf en de stoffelijke en de geestelijke dingen verstaan en kennen, zoo als die wereld en wat in die wereld bestaat is; zoo als zij is, niet naar uw valsche voorstellingen en uw dwalend denken, maar zoo als zij is voor God en zooals Hij wil, dat gij u haar zult voorstellen en over haar denken. In dien zin geldt dan ook van heel de Schrift wat de psalmist zegt: w Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht voor mijn pad (psalm 119 : 105).

Zeker is voor het ontstaan van alle kennis, op welke wijze dan ook, gewaarwording en waarneming noodig; van wat gij niet zelf gezien of gehoord hebt of u door een ander is medegedeeld, kunt gij geen kennis hebben ; maar eerst als gij hebt waargenomen uit de Schrift, wat God u daarjn omtrent Zich zelf en de wereld in betrekkmg tot Hem, openbaart, zult gij tot de rechte kennis komen.

Ook de natuur, het woord hier genomen in den zin van al het geschapene, al is zij alleen door nauwkeurig waarnemen en geregeld denken over dat waargenomene te kennen, wordt eerst veel klaarder en volkomenlij ker gekend, wordt eerst recht gekend, bij het licht van Gods Woord.

En evenzeer brengt gij het eerst tot rechte zelfkennis, bij het licht van de Schrift.

Alle pogen om, gelijk wij in deze artikelen beproeven, Gods ordinantiën voor de natuur en het menschenleven, voor de stoffelijke en de zedelijke wereld te leeren kennen, is dan ook alleen mogelijk, wanneer men zijn denken over wat daarvan waar te nemen valt, laat beheerschen door de Schrift.

Laat beheerschen; want, wijl de Schrift het Woord, de openbaring van onzen God is, en God Almachtig onze Souverein is, moet voor den mensch die Schrift ook volstrekt ge5.ag of autoriteit hebben.

Ons waarnemen kan verkeerd zijn, ons denken kan dwalen, maar God kan niet liegen en Zijn Woord is de waarheid.

En wat nu dus geldt op het gebied van ons verstandelijk of intellectueel leven, geldt evenzeer op dat van ons wilsleven.

Hier gaat het om de tegenstelling tusschen goed en slecht, en wel in dien zin, dat gij uw eigen willen en handelen en dat uwer medemenschen niet zult beoordeelen naar wat u als goed of slecht dunkt; dat gij niet met Elihu zult zeggen: Laat ons kiezen voor ons wat recht is, laat ons kennen onder ons wat goed is" (Job 34 : 4); maar dat gij het richtsnoer, de norm voor goed en slecht zult ontleenen aan wat God u in Zijn Woord als goed gebiedt en als slecht verbiedt; dat gij al uw leven, gedachten, woorden en werken zult schikken en richten naar Gods Wil, u in Zijn geboden, als de ordinantiën des Heeren voor uw willen en handelen, geopenbaard.

Ook waar nu in Gods kinderen, door wederbarende genade, het geestelijk leven weer kwam en met dat leven het zaligmakend geloof en de heilige liefde, is het toch de inwonende zonde, het verkeer met een zondige wereld en de inwerking van satan, die telkens èn hun verstand, door genade verlicht, weer dreigen te verduisteren èn hun wil, door genade omgezet, weer dreigen af te buigen.

Dat is het ijdele dat telkens op uw aandringt en u van alle zijden omringt, en tegen dat ijdele zult gij nu, allereerst in u zelf, opheffen den Naam, gebruiken de openbaring van uw God.

Tegenover de dwaling telkens weer stellen in uw eigen bewustzijn de waarheid; tegenover de valsche beoordeeling der menschen, het alleen rechtvaardig oordeel van uw God.

En zoo wil God, dat gij met vreeze en eerbied zult gebruiken Zijn Woord als norm of richtsnoer der waarheid en der goedheid.

Gebruiken Zijn Woord, als gij neerzit onder Zijn volk; als gij u met uw gezin er om heen schaart; als gij het leest voor u zelf in de eenzaamheid.

Heiligen Zijn Naam allereerst, door er mee te bestrijden de zonde in u zelf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken