GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„In dezen zelben nacht”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„In dezen zelben nacht”.

9 minuten leestijd

Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in dezen zelven nacht zal men uwe ziel van u afeischen; en hetgene gij bereid hebt, wiens zal het zijn? Lucas 12:20.

Plotselinge sterfgevallen nebben dit voor, dat ze hem die onvoorziens en op slag door zijn God wordt opgeroepen, het langdurig ziekbed besparen, met al de benauwdheid en smadelijke inzinking, die niet zelden de langzame uitputting en slooping van krachten verzelt.

Op de markt van het leven is het te druk en gonst het te rumoerig, om voor het langzaam wegkwijnen van ten doode opgeschrevenen oor of oog te hebben. Veel minder dan vroeger houdt men zich met zulke stille lijders bezig. Bij een acuut uitbrekende ziekte nog wel. Voor enkele dagen is dit vol te houden. Maar als de lijder is opgegeven, als men rondvertelt, dat hij er toch niet van kan opkomen, en men hoort er dan bij, dat 't nog lang kan duren, dan slijt o, zoo spoedig die eerst zoo levendige belangstelling uit, en als het over maanden en maanden gaat, is de afgematte lijder voor de meesten reeds een vergeten doode geworden, nog eer de dood hem achterhaalt. Waar dan nog bijkomt, dat veel meer dan eertijds onze kranken in hospitalen worden opgenomen, zcodat zelfs de eigen magen en bloedverwanten, en althans de breeder vriendenkring, al minder van zulke lijders merkt.

En dit schier bij zijn leven begraven en vergeten zijn heeft voor 't gevoelig hart iets zoo onuitsprekelijk droefs, vooral voor hem wiens geest tot aan zijn dood toe helder blijft, dat tenslotte machteloosheid en verkwijning zich voor God in het gebed uitstorten, of toch het einde nabij mocht wezen en zijn God den beklagelijke verlossen mocht uit zijn smart.

Eu die smartelijke wegsmelting nu van levenskracht en levensmoed werd gespaard aan wie plotseling door den dood werd overvallen, en, gelijk men 't uitdrukt, er zoo uit was. Bijna geen lijden. Één oogenblik een geweldige aangrijping; toen terslondhet sterven intredend; en daarop „de zilveren koorde ontketend";

„de gulden schaal in stukken gestooten, " „de kruik aan de springader gebroken, " of „het rad aan de bornput tot stilstand gebracht, " soms zonder dat er een woord van beklag over de lippen kwam.

Er is aan dat plotselinge ook een schaduwzijde. Een niet al te kort sterfbed bracht niet zelden den lijder, nog eer hij stierf, nader aan zijn God. Bij meer dan één brak onder dit langdurig lijden het geloof door de nevelen van den twijfel heen. Ook leidde het er vaak toe, dat men zijn h'uis bestelde, zich verzoende met' iemand met wien men in twist of ongenoegen leefde. En al is een vroom, rijk sterf bed dat ook zegen aan de omstanders brengt, op verre na geen regel, 't zij omdat 't geloof te zwak, of 't lijden te hevig en te bedwelmend is, toch zijn ze er nog die geheiligde ziekenkamers, waarin door wie achterbleven een reuke, een geur des hoogeren levens is ingedronken. Wie telt ze, de gelukkigen, wier ziel nog in heilige vrome trilling opleeft, als ze terugdenken aan het afsterven van hun vader of hun lieve moeder.

Dit nu gaat bij wie plotseling door zijn. God wordt afgeroepen, te loor. Maar tóch ook dat plotseling afsterven kan een zegen achterlaten. Niet voor wie heengaat; voor hem of haar biedt 't slechts de besparing van het martelend lijden. Maar wel voor wie 't aanzag en er bijstond.

Zulk etn plotseling wegsterven van een dien we innig liefhadden uit onzen familiekring, brengt aau wie 't aanziet en wie 't aangaat, een zoo ernstige prediking van Godswege. Een memento mori van zoo in-en doordringende kracht. Is dit de dood, en kan die dood zoo plotseling, zoo te midden van mijn dagelijksch beroep over mij komen ? En hoe zou 't mijn ziele te moede zijn, als God morgen, neen heden, zoo God dezen zelven nacht ook mij opriep, en ook op mij 't woord uit Jezus'gelijkenis van toepassing werd: Gij, dwaas, in dezen zelven nacht zal men uwe ziel van u afeischen !

Indruk maakt dit, maar toch is het ook weer opmerkelijk, hoe snel die indruk uitslijt. Men voelt 't dan wel op zulk een oogenblik: Zoo kon 'took mij vergaan. En de eerste dagen houdt die ernst wekkende indruk wel stand. Maar lang houdt 't niet aan. En verrassend is, hoe onbezorgd ge vaak reeds kort daarna de overgebleven magen en vrienden terugvindt.

Hierin werlït tweeërlei. Een goedertierenheid onzes Gods, en een afleidende stroom van het leven.

Indien we gestadig onder den indruk van den naderenden dood moesten verkeeren, zou alle vreugd des levens ons verfiiaan, onze hand slap hangen, ea de volle toewijding aan onze levenstaak ondeukbaar worden. En daarom is die wondere energie in den mensch gelegd, die hem den angst en de vreeze des doods van zich doet zetten, eu hem den moed schenkt die hem onmisbaar is voor den strijd van het leven.

Vooral zoo ge gelooft, dat ook bij u, om Christus v/il, uw sterven eens een afsterven van de zonde en een ingaan ten eeuwigen leven zal zijn, is die ontheffiog, die bevrijding van den angst en de vreeze des doods iets heerlijks. Maar caast die goedertierenheid uws Gods werkt in dat vergeten van den dood ook, helaas, maar al te zeer de afleidende stroom van het leven.

Niet alsof uw bezigheid in uw dagtaak geen gerechtvaardigde afleiding van al te sombere gedachten mocht zijn. Hierin openbaart zich weer niet anders dan de goedertierenheid van uw God, Die uw leven alzoo besteld heeft. Neen, de droeve strooming van het leven werkt heel anders daarin, dat men zich door verstrooiing en ontspacning opzettelijk over de gedachte van het sterven heenzet. Dat men mijdt er over te spreken. Dat men er niet van hooren wil. Er op toelee ft. Denkt: komen die plagen, dan komen die zorgen. En inmiddels voortleeft, alsof het leven hier ons eeuwig deel zou zijn.

Dit was vroeger minder sterk. Er was meer dat aan den dood herinnerde. Men dacht toen meer op zijn einde. Men dacht reeds bij zijn leven zijn sterven door. Er was meer voorbe reiding van de ziel op het einde, dat plotseling komen kon. En het publieke leven, de publieke levenstoon ging nog niet zoo sterk tegen dien ernst in, maar hielp veeleer dien levensernst met het oog op het sterven bevestigen.

Maar thans heeft dit uit. De lach heeft den ernst verslonden. Onder bloemen moet de somberheid van het graf worden weggedoezeld. Zelfs bij het condoleantiebezoek spreekt men vaak over alles, behalve over het sterven. De spelende toon, die almeer in'het leven der wereld heerscht, overstemt thans alle gedachte aan den dood.

Men leeft, alsof er nooit een sterven komen zou. En komt het, dan linkt men in, en blaast den laatsten adem uit, en wordt afgelegd en uitgedragen. EQ dan is die uitvaart het laatste somber, droef bedrijf van het bezige, lachende leven.

Hiertegen verzet zich nu het plotselinge sterven. Het overvalt te midden van het onnadenkende leven. O, had men vooruit geweten, dat zulk een plotseling sterven ook ons overvallen zou, hoe heel anders zouden we ons hebben aangesteld, hoe heel anders zou ons einde zijn geweest, en ook, hoe heel anders zouden we ons huis hebben achtergelaten. En die prediking heeft althans in Christelijke kringen wel waarlijk nog haar doordringend geluid behouden.

Gij, wees dan aldjd hereid !

De toestand onzer ziel kan zoo uiteenloopen. Tijden kennen we van zalige gerustheid in onzen God, van een teeder leven in Zijn nabijheid. Dat we voelen: zoo zou ik zalig in Jezus ontslapen kunnen. Maar ook kennen we die andere tijden, dat onze ziel is afgedoold, dat ons innerlijk leven verstrooid is, dat we ons bekommeren om duizend dingen, maar niet om het éene noodige. En dat we zelf voelen: zóó te sterven zou vreeslijk zijn.

Gif' dan, wees] altoos bereid \ is dan de manende stem, om die ongevoelige tijden die verflauwing over onze ziel brachten, in te krimpen, en meer heerschende in ons leven te doen worden die andere, die betere tijden, dat 't ons een verkwikking zou geweest zijn, zóó in het volle o geloof, opgenomen te worden in heerlijkheid.

Doch dit is het eenige niet.

Zoo telkens komt 't voor, dat iemand onverhoeds uit het leven wordt weggenomen, en dat men zijn huis en zijn zaken in een toestand vindt achtergelaten, die verraden hoe weinig hij, die heenging, aan zijn dood heeft gedacht. Soms zelfs niet eens een ernstige wilsbeschikking.

Ook hiermee werd voorheen meer ernst z gemaakt, en aan boevelen kwam dit niet ten z goede? Weldadigheid nog in zijn sterven aan g de armen en ook aan vrome stichtingen te v bewijzen, was regel. Als God gezegend had g met aardsche middelen, moest nog in het sterven een offerande Gode worden opgedragen.

Zelfs houdt 't: Bereid uw huis, want gij zult G sterven I nog meer in. Vooral de zorge voor zijn weduwe en weezen in meer dan aardschen zin.

Doel van alle ernstig geloof moet zijn, zijn huis zóó achter te laten, dat, als men zelf er den toon van Godsvrucht niet meer in zal kunnen voortzetten, diezelfde toon, na onzen dood, spontaan en vanzelf uit wie achterbleven opkomt.

Uw huis bereiden, omdat ge plotseling sterven kunt, houdt ook in, de geestelijke opvoeding van wie u lief zijn te voltooien. In te halen wat ge tekort schoot, In Christus heel uw huis geestelijk te fundeeren. Te maken dat ze de kruk, die gij dusver voor hen waart, straks missen kunnen, en zelf uit eigen geloofskracht kunnen voortwandelen in het aanschijn hunsGods.

En dan dit nog.

Wie sterft mint het, dat men hem na zijn dood niet al te spoedig vergete, dat de rouw oprecht, en het gemis smartelijk zij.

En hier nu is het mysterie der liefde.

Bereid uw huis, beduidt ook, dat ge, door koesterende liefde voor de uwen, in de uwen de liefde \oor u, ook met het oog op uw nage­ dachtenis, opwekt.

Wie lief had, en geliefd werd, die wordt xivtX vergeten.

Niet de bloementooi voor geld gekocht, maar de stille traan der liefde aan het graf geweend, is de vergelding, door wie om Jezus'wil liefhad, na zijn afsterven ingewacht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1907

De Heraut | 4 Pagina's

„In dezen zelben nacht”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1907

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken