GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„De vrijgekocjten des Heeren”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„De vrijgekocjten des Heeren”.

8 minuten leestijd

En de vrijgekochten des HEEREN zuUon wederkeeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen ; vroolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden. Jesaja 35:10.

Voor niet zoo lange jaren toog een gezelschap door ons land van Amerikaansche negers en negerinnen, die verrukten door enthousiasten natuurzang, en voor dien zang veelal grepen naar het heilige lied. Een dier negerinnen vooral betooverde letterlijk haar gehoor, zoo roerend schoon als ze haar lm redeem'd zong.

Im redeem'd beteekent: ik ben vrijgekocht. En dat Fm redeem'd, en niets meer dan dat ééne woord, zong ze, in ahijd nieuwe tonen, zoo gevoelvol, zoo uit de ziel komend en in de ziel dringend, zoo roerend en sangrijpend uit, dat schier een slavernij bekoorlijk scheen, die, als men er uit werd vrijgekocht, het genot ia den wellust der vrijheid 200 hoog kon spannen. Ze sleepte mee. Ze deed een toon in uw eigen hart met bdir hsd meeklinken. Het was één trilling des gemoeds, die door haar vol en prachtig keelgeluid in gang gebracht, al wie haar zang beluisteren mocht, aangreep.

Die negerin was in slavernij geboren geweest. In slavernij was ze opgegroeid en opgevoed.

Al slavin had ze al het krenkende en bittere vau het slavenleven zelve ervaren en zelve geleden. Heimwee, brandend heimwee naar vrijmaking had reeds in jeugdiger jaren haar ziel in gloed gezet. Ze had naar die vrijheid gedorst. Ze had om die vrijheid gebeden. Te midden van duisterheden en donkerheid begon de star der hope haar toe te flonkeren. En eindelijk had 't uur van haar vrijmaking geslagen. Ze was losgelaten. En, van slavin mensch geworden, had ze uit het diepst van haar wezen, den jubelkreet van het I'm redeem'd, Gods vrije lucht ingegalmd. 'k Ben vrij, ^k ben vrijgekocht, ^kben vrijgemaakt, 'k ben verlost!

En toch, dit gold nog slechts haar vrijmaking voor dit leven. Van slavin was ze vrije burgeresse in den Staat geworden. Een overgang die geen onzer heeft meegemaakt, en daarom een verlossingsweelde, waarin slechts de verbeelding ons kon doen meejubelen.

Maar voor die negerin was op de eerste een tweede vrijmaking gevolgd. Ze ving, uit slavernij verlost, den toon van het Evangelie op. Ze kwam tot de ODtdckking, hoe de zonde een nog veel banger geestelijke slavernij is dan het slavin zijn in de hut. En toen waakte nóg branderder dorst naar geestelijke vrijmaking in haar op. Tot in het eind ook die zondeband geslaakt werd, en ze ten tweeden male werd vrijgekocht, nu niet door goud of zilver, maar door het dierbaar bloed van Christus als van een onbevlekt en onstraffeiijk Lam.

Ze was wedergeboren. Ze kwam tot bekee ring. Ze voelde zich „een vrijgekochte des Meeren". En nu nam ze nog eenmaal dat I'm redeem'd op de lippen, en drong hemelsche wellust haar, om nogmaals in AiX Pm redeem'd lucht te geven aan wat heel haar ziel van heilige vreugde deed trillen. En toen weerklonk het weer op dian ouden leeuwerikstoon: „'k Ben vrij, 'k ben vrijgekocht, 'k ben vrijgemaakt, 'k ben verlostl" maar nu vrijgekocht door Jezus mijn Koning, Vrijgekocht om eeuwig zijns te zijn, door dood en graf heen.

Zoo werd haar eerste vrijheidskreet geestelijk verhoogd en geheiligd, en zulks geheel in Schriftuurlijken toon. Ook de profeet Jesaia toch, uit wiens pen het rijke woord van „vrijgekochten des Heeren", het eerst gevloeid is, nam het ook eerst als slaking van den aardsche slavenboei, om 't daarna tot vrijmaking van de banden van zonde en dood te verhoogen.

Hij zag zijn Israël in Babyion tot ballingschap gedoemd, en Sioa onderNebucadnezar vernederd. En nu hief hij den juichtoon aan: „De vrij gekochtea des Heeren zullen wederkeeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijd schap zal op hun hoofd wezen. Vroolijkheid en blijdschap tsX hun hart vervullen, en alle droe fenis en zuchtirg zullen van hen vlieden!"

Maar van de verlossing uit Babyion, brengt de profeet dit dan aanstonds op de geestelijke vrijmaking over.

Zij zulkn zien de heerlijkheid des Heeren, het sieraad onzes Gods.

„De kreupelen zullen springen als een hert, en de tong der stommen zal worden losgemaakt. Er zal eea verheven baan, er zal een heilige weg zijn, waar de onreine niet kan doorgaan, maar de verlosten des Heeren zullen daarop wandelen."

Onze Catechismus vat het niet anders op. De verlossing in Christus is vrijmaking uit deo sla venband j waarin satan ons bekneld hield. Dit toch is „mija eenige troost in leven en in sterven, dat ik, naar licl^aam en ziel, uit de heerschappij van den duivel verlost ben, en nu niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden betaald heeft."

Waren we zelven, gelijk die negerin, in onze jeugd slai'cn en slavinnen geweest, we zouden die zalige klanken niet zoo vaak gedachteloos langs ons heen laten glijden, maar op eens, en ten volle, en met heel onze ziel 't grijpen en verstaan, wat dit uitgaan van onder den drijver, en dat ingaan tot de vrijheid van Gods kinderen voor ons is.

Voor ons dreigt dit alles zoo licht louter beeldspraakjlouter overdrachtelijke taal te worden, niets dan een wijze van uitdrukking zonder geesldijke realiteit.

Is er een ruwe dronkaard, een hardnekkig booswicht, plotseling tot staan gekomen, in zija hart gegrepen, en tot bekeering gekomen, die voelt het nog, die kan in dien hoogen jubel nog inzetten. Hij ziet de wonde plekken nog op zijn ziel, waar de slavenketen van satan hem gekneld heeft. Hij weet, dat hij een bange slaaf eener vreeselijke zonde is geweest, en voelt zich nu zoo heerlijk verlost en vrij. Bij een réveil komt dat zoo telkens voor, en dan valt ook onder ons nog dat I'm redeem'd, dat „Ik ben verlo? t, ik ben vrijgemaakt, ik ben vrij geworden, " te beluisteren.

Maar onder de velen van stillen overgang; onder de velen, die zóó diep nooit wegzonken, en daarom de banden van zonde en dood nooit zoo bang gevoeld hebben, sleept dat jubellied, en wordt maar al te vaak meer op de lippen, dan in het hart geboren.

En toch, het moest bij elk kind van God op even roerenden toon uit het diepste der ziel kunnen opklimmen, want in (iie wondere, geestelijke vrijmaking ligt heel ons Evangelie. Uit de banden des doods in de vrijheid van 't leven. Uit de banden der zoude in de vrijheid van heilige vrijmaking. Uit Babyion in Sion. Uit de macht van satan in hetKoninkrijk van onzen God.

Braver v/orden, reiner wandelen, hooger bedoelen kennen, o, 't is heerlijk. Maar dit alles is nog ons Evangelie niet. De vrome heidenen kennen dat alles ook.

Kind van God te zijn, is slaaf en slavin zijn geweest. Ia dien band het heimwee naar vrijmaking hebben gekend; naar vrijheid, naar geestelijke vrijheid hebben gedorst. En nu vrij zijn. Nu zijn vrijgekocht. Nu voor eeuwig van dien zondeband zijn ontslagen. En dit niet door u zelf, en niet door wie u tot bekeering riep, maar eeniglijk door uw Heiland, die in zijn bloed u de verlossing aanbracht, en voor al uw zonde heeft betaald.

Alleen maar, bij wie minder diep viel, en daarom de ketenen van satan minder pijnlijk voelde knellen, gaat dit alles inniger, teedetder, fijner toe. Bij hem lag 't niet in deze of die grove zonde, maar in het gif der zonde zelf, dat woelde in de verborgenheid van zijn hart.

Het werk van den Heiligen Geest is bij zulkeen veel rijker, gaal veel dieper, dringt tot in de binnenkamer van 't hart door.

Het licht van dien Geest schijnt bij zulk een klaarder, en legt heel 't innerlijk bestaan van de ziel voor God bloot. Bij den geredden dronkaard is het 't plotseling slaan van een machtig klokgeluid, bij zulkeen daarentegen het zachte tikken van een kunstig fijn uurwerk in de verborgenheid van 't hart,

Maar de daad der vrijmaking blijft één. Wie de zonde doet, is een slaaf der zonde. Onheilige opwelling uit 't hart die ons overmeestert. En wat we er ook tegen doen, altoos trekken en nijpen weer die bange koorden die om onze ziel zijn geslagen. Tot Jezus komt, en die koorden losrafelt, eens en voor altoos, en zóó ons doet uitgaan in de geestelijke vrijheid die overwint, en ons den jubelkreet der vrijmaking uit de ziel doet opklimmen.

Niet maar vrijverklaard. Niet maar vrijgemaakt. Neen, maar vrijgekocht, tot dien vreeslijken prijs die voor onze vrijkooping betaald is.

Niet langzaam aan, door al heiliger leven, een Christen worden; maar op eenmaal een Christen, een kind van God zijn, omdat men een vrijgekochte des Heeren is geworden.

Al sterft ge dan in hetzelfde uur, waarin ge vrijgekocht werdt, dan zijt ge toch zalig voor eeuwig, en is de wildernis om u bloeiende als een roos.

En zonder dien vrijkoop aan uw hart bezegeld, schijnvrijheid misschien, maar nooit waarachtige vrijmaking. Dan moge satan den band waaraan hij u vasthoudt, vieren, maar vast houdt hij u aan dien band toch.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1908

De Heraut | 4 Pagina's

„De vrijgekocjten des Heeren”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1908

De Heraut | 4 Pagina's