GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERSSCHOUW

14 minuten leestijd

Nabetrachting over „Christus, den niet-deng",

Verleden weeli zond de secretaris van „Paedagogisclil Tijdschrift" mij een artikel ter plaatsing. Het bevatk enkele dingen, die ik met genoegen publiceeren, en| daarna beantwoorden wilde, indien maar vaststond, de hoofdredacteur van dit tijdschrift, Prof. WaterinkJ plaatsing begeerde. Ik verzocht dus per keerende post den heer Wouters mij op dit punt nader in te lichten. Daarna is mij een ander stuk ter plaatsing toegezonden, waaruit enkele uitspraken van het eerst aangeboden stuk geschrapt waren. Dit tweede stuk kwam te laai voor het nummer van verleden week. Thans neem ik het over uit het „Paedagogisch Tijdschrift" zelf, waarinj de heer D. Wouters, hoewel secretaris der redactie, ingezonden stuk aan zijn eigen redactie aanbiedt, de-i welke het geplaatst heeft. Uit dit feit en de anderei leid ik af, dat de hoofdredacteur, Prof. Waterink, die: plaatsing gewild heeft. Het begint aldus:

Vergun mij als secretaris van de redactie van het| „Paedagogisch tijdschrift voor het Christelijk onderwijs" voor de volgende regels een plaats in uw blad Bij voorbaat mijn dank.

In „De Reformatie" van 22 November j.l. doet Protl Dr K. Schilder te Kampen een aanval op het „Paedagogisch tijdschrift", welke feitelijk neerkomt op een aantal afkeuringen aan het adres van den hoofdredacteur van het tijdschrift. Prof. Dr J. Waterink.

Dit is niet juist. Het stuk bevatte een aanval op de synthese in wetenschappelijk werk. En pas in verband daannee op Prof, Waterink. Het was een aanval op het tegelijkertijd willen dweilen, èn de kraan laten loopen. Men moet niet doen, alsof de wiltot-dweilen ontkend is („Soester Kb."). Die is uitdrukkelijk erkend. Vervolgens schrijft de heer D. Wouters aan zij»; redactie:

Naar aanleiding van dit artikel zou ik gaarne willen verklaren: 1ste, dat het daartoe aanleiding gevende artikel van Dr Schuyten verscheen in het Aug.-Sept.-nummer — vacantienummer — van het „Paedagogisch tijdschrift";

2de, dat naar redactionele usance de hoofdredacteur de samenstelling van dit nummer overlaat aan den secretaris van de redactie, die voor dit nummer dan ook alleen de verantwoordelijkheid draagt; ma^' bovenal:

3de, dat het „Paedagogisch tijdschrift voor het Cliristelijk onderwijs" een tijdschrift is, dat niet pretendeert Gereformeerd te zijn en dat krachtens jarenlange practijk allerlei stemmen uit de kririgc" van het Christelijk onderwijs aan het woord laat komen. Op dezelfde wijze als men in de Ned. Clirradio-vereeniging, waarvan Prof. Schüdef bestuurslid is, ook wel eens dingen door de radio zs' moeten horen, waarvoor Prof. Schilder persoonlijlv de verantwoordelijkheid niet graag zou wiH^»

dragen. In het bestuur der Ver. v. Chr paedagogie». waarvan het „Paed. tijdschrift" het orgaan is, zitte" naast elkaar mannen uit het Chr. onderwijs van verschillende richting.

Hierbij merk ik op: a. het artikel van Dr Schuyten is öf door dezen oP 1 .eigen initiatief ingezonden, en in dat geval da» geplaatst zonder voorkennis van den hoofdredacteur' j of de inzending (die aan de plaatsing toch alü)» voorafgaat) was dezen bekend. In het eerste geval bl'J" de redactie van dit tijdschrift een zóó verregaande sy» these aan te durven, dat zij een artikel, dat b.v. ° N.C.R.V. in elk geval weigeren zou — de A.V.R.O. o"*' denk ik •— durft publiceeren zonder een redactioneels" , storm te duchten. En voor zulk een sfeer zou de hoof j

ïdactie niet verantwoordelijk zijn? In het tweede gels de hoofdredactie zelf toch actief geweest; is de ihese der auteurs toch ook haar werk, en is gebleken, Jat ik zei: dat de vruchten funest zijn;

j) ook vóór die vacantie heeft copie van Dr Schuyten ie redactieleden gepasseerd, welke werd afgekeurd. De redactie kende den auteur dus; en die was bij haar jequalificeerd;

' c. de redactie — o neen, een inzender, maar dan toch ichrijvend onder goedkeuring van secretaris en hoofdredacteur — neemt nu het standpunt in, dat haar orgaan !00 algemeen is; — let maar eens op de N.R.C.V. Maar waarom is dan eens onder een artikel van den heer Janse, over Barthiaansche paedagogiek, een redacioneele noot geplaatst, waarin met nadruk vastgesteld lerd, dat plaatsing van een artikel nog niet beteekende betuiging van redactioneele instemming? Zijn dat ioms N.C.R.V.-methodes? ;

d. de N.C.R.V. hangt van regeerings-maatregelen af. ireekt men dadr de samenwerking, dan houdt de wegioopende groep geen tiende part meer over van de senduren, waarover ze thans èf alleen èf met anderen ; an beschikken. In de wetenschappelijke voorlichting loor een tijdschrift echter is men vrij; de verwijzing laar de N.C.R.V. is dus onzakelijk. Het is juist mijn 'raag geweest, of men die synthese niet lós laten moest; e. bovendien zou in de N.C.R.V. zulk een artikel — iat mij als symptoom toesprak — onmogelijk zijn. Kan iemand daar een voordracht signaleéren, die met den Tondslag der N.C.R.V. strijdt, dan zal de verantwoordelijkheid daar ook gedragen worden, en de fout als fout "erkend;

f. de verwijzing naar de N.C.R.V. bewijst evenwel, lat de redactie van het „Paed. Tijdschrift" geen fout ; rkent, doch het gebeurde een gevolg acht van een ^systeem, dat men niet vei-werpelijk acht. Anders z o u (I) , ^de venvijzing naar de N.C.R.V. kinderachtig zijn, wat ; e natuurlijk niet is. Men geeft mij dus gel ij k, lis ik het artikel geen incidenteele fout, doch een symp- [toom acht („Soester Kb.");

g. het „Paed. Tijdschrift" is niet „gereformeerd", zegt [Ejfln. O neen. Maar het artikel was door en door on- [christelijk;

h. juist verleden week zond Prof. Waterink een in- Igezonden stuk aan het „Kerkblad van Hoek van Hol- [land, Vlaardingen, etc." over zijn Leeuwarder rede. In [datzelfde blad is nog pas op „De Reformatie" vrij (afkeurende critiek geoefend over de plaatsing van artijkelen over „Geestelijke Verlating" in ons blad. Die critiek sprak mij persoonlijk aan (ons blad streed jtegen Barth, zei de criticus). Prof. Waterink weet, dat lik die copie indertijd van te voren niet inzag. Toch heb ik geen oogenblik er aan gedacht Prof. Waterink en Dr Taze- [laar uit te noodigen per - ingezonden stuk aan dat blad te melden, dat ondergeteekende die copie niet had gezien. |Het zou andei's gekund hebben, nu Prof. W. toch aan |dit blad schreef, verleden week;

i. ik vraag zulk een ingezonden stuk van hem niet. [Want ik was wel degelijk verantwoordelijk voor de isfeer, die in dien tijd in de redactie van „De Reforjmatie" mogelijk maakte, dat een artikel, dat ik niet igezien had, in het blad kwam (ik heb mij bepaald tot ]het later zonder critiek publiceeren van eigen meening inzake „geestelijke verlating"). Zoo is Prof. W. verantwoordelijk voor de „sfeer" van zijn redactie. Ook inzake een stuk, dat hij niet zelf gepost heeft. En, vergeet niet: na Augustus—September heelt nog niemand in „Paed. Tijdschrift" Dr Schuyten weersproken. Eindelijk schrijft de heer D. Wouters:

Persoonlijk wil ik er aan toevoegen de herinnering aan een 3-tal Friese brochures: Hark ris, Pieter, toen: F ij, L u t s e n, en tot slot: Hod op, jongens.

Dit schrijft de heer Wouters, o zeker. Maar met medeweten en goedvinden van Prof. W. Ik antwoord daarom dézen:

a. mijn critiek is geschreven op dringend verzoek van anderen; 'b. ik wist, dat dat zou uitgelegd worden als het wellustig uitbuiten van een geschil;

c. toch heb ik het artikel met alle rust geschreven; d. dat u een ander toestaat ons beiden te verzoeken: houd op, jongens, aanvaard ik van dien ander niet; ik zei herhaaldelijk, waaróm. Maar dat de ééne „jongen" erin toestemt, dat hij met den ander ^) vermaand wordt, dat kan irenisch zijn; het kan ook zéér polemisch bedoeld zijn;

e. hoe het dezen keer bedoeld is, dat is psychologie. En dat gepsychologiseer haat ik, want dat is juist het bederf in alle polemiek;

f. z a k e 1 ij k is zoo'n zinnetje in elk geval polemisch; want het suggereert, dat het niet om zaken, doch om personen gaat, óf dat de zaken niet de moeite waard ^'jn. „Die" polemiek-in-den-vorm-vanireniek aanvaard ik niet.

„Niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest."

Over deze uit de Statenvertaling bekende woorden (naar 1 Cor. 12 : 3) schrijft Ds C. Veenhof in „Geref. Jongelingsblad":

Wat bedoelt Paulus met deze woorden? In hoofdstuk 12 begint hij te spreken over „geestelijke gaven". Blijkbaar hadden de Korinthiërs daaromtrent eenig licht gevraagd en dat zal Paulus hun nu geven.

Die „geestelijke gaven" waren, zooals het woord reeds uitdrukt, gaven van den Heiligen Geest. En dan wel bizondere gaven. Alle geloovigen „hebben" den Heiligen Geest en Die deelt hun de gaven en krachten uit, die Jezus Christus voor de zijnen heeft verdiend. Over die gaven, die alle geloovigen ontvangen, spreekt Paulus evenwel nu niet. Hij heeft het oog op zeer bizondere, lang niet aan alle christenen geschonken gaven, die vooral in den eersten tijd na Christus in de gemeenten werden gevonden. Paulus noemt een heel rijtje op in de eerste verzen van dit hoofdstuk, zoo b.v.„gaven der genezing"; „werkingen van krachten" (waarschijnlijk het vermogen om allerlei moeite en ellende te doorstaan om Christus' wil); „profetie" ('tontvangen van openbaringen Gods, welke voor de kerk van die dagen van belang waren, maar geen blijvende beteekenis hadden en daarom niet bewaard zijn); „onderscheiding van geesten" en dan vooral het „spreken in talen" of het „spreken in tongen" ^).

Juist over dat „spreken in tongen' heeft Paulus het hier. Dat was een wonderlijke „gave", 't Gebeurde n.l. soms, dat tijdens een vergadering van de gemeente iemand opstond en wonderlijke klanken begon uit te stooten. De gemeente verstond die niet. Het waren klanken en woorden van een vreemde taal, die nergens op de wereld door menschen werd gesproken. Prof. Grosheide denkt, dat het de paradijstaai was. De „tongenspreker" verkeerde onder zijn spreken in heftig bewogen toestand. En als hij ophield wist hij zelf niet wat hij had gezegd, wat de inhoud was van zijn woorden. De gemeente luisterde verbaasd toe. Gelukkig had de Heilige Geest aan anderen de gave van de „vertolking der tongen" gegeven, zoodat de gemeente toch te weten kwam, wat de „tongenspreker" had uitgeroepen.

Dat Paulus het in onze verzen over het „spreken in tongen" heeft, blijkt uit vers 3. Hij noemt daar het „door den Geest spreken". Dat kan in dit verband, n.l. na vers 1, alleen verstaan worden van een spreken door een bizondere drijving en leiding van den Heiligen Geest. Prof. Grosheide verklaart in zijn Kommentaar zeer nadrukkelijk, dat hier in geen geval bedoeld is een spreken door den Geest, zooals dat bij alle geloovigen gevonden wordt, want het gaat hier over dingen, die niet op alle geloovigen betrekking hebben, doch slechts op sommige, n.l. op hen, die de hier bedoelde gave bezitten.

Waarschijnlijk beantwoordt Paulus, zooals ik reeds zei, een vraag omtrent dat „spreken in tongen". En we kunnen wel napluizen welke die vraag is geweest. Deze n.l.: is alles wat zoo'n „tongenspreker" uitstoot wel goed, wel Godverheerlijkend? Als zoo'n man heelemaal „buiten zichzelf" is, komen dan niet allerlei, anders heel diep verscholen, zondige gedachten en begeerten naar boven en zou hij die dan niet in die vreemde taal kunnen uitspreken? Zou hij zelfs Christus niet kunnen lasteren?

Zelf kan zoo'n man dat niet zeggen — hij weet niet wat hij zegt. De gemeente kan het ook niet. Alleen als er een „tongenvertolker" is, zou men het kunnen te weten komen. Anders niet.

Op deze vraag nu geeft Paulus een antwoord. Een antwoord, dat de Korinthiërs beslist moeten weten (vs 1). Paulus herinnert eraan, dat vroeger toen de Korinthiërs nog heidenen waren, hun leven één groote onzekerheid was. Een onzekerheiü duizend maal erger dan waarin ze nu blijkens hun vraag verkeeren. Toen wi.sten ze nooit of ze Godverheerlijkend spraken. Nu eens dezen dan dien leeraar liepen ze na. Nu eens dezen dan dien afgod dienden ze (vs 2). Thans is dat anders geworden. Nu is er een vaste lijn in hun leven gekomen. Nu houden ze zich' aan dat eene groote beginsel dat Christus is dè Heer. En dat vaste van hun levenslijn komt nu ook uit in het „tongenspreken". Met grooten nadruk verzekert Paulus, dat iemand, die door den Geest Gods geleid, in zoo'n vreemde taal spreekt, geen Gode onwaardige dingen zeggen kan. De Heilige Geest verhindert dat. Nooit zal zóó'n door den Geest gelelde „tongenspreker" kunnen uitroepen, dat Jezus een vervloeking is! Dat is dus een troost voor de bezitters van de gave van het tongen-spreken. Ze behoeven geen zorg te hebben over wat ze in zoo'n ekstatischen toestand zeggen. De Heilige Geest maakt, dat het alles rein en Godverheerlijkend is.

Maar de gemeente krijgt nu ook een maatstaf, die voor haar noodig is. 't Zou kunnen gebeuren, dat andere, booze geesten zich van menschen meester maakten en dat „tongen-spreken" nabootsten. In dat geval moet de „tongen-vertolker" goed luisteren of hij in de woorden van den „tongen-spreker" Jezus Chris^ tus hoort verheerlijken, of hij de uitspraak verneemt, dat Christus de Heer is. Is dat zóó, dan is de zaak in orde. Want in dat „tongen-spreken" kan niemand zeggen, dat Jezus de Heer is, zonder den Heiligen Geest, zonder dat de Heilige Geest dat spreken heeft te voorschijn geroepen.

En voor de „profeten" geldt hetzelfde natuurlijk. Als een „profeet" in zijn profeteeren belijdt, dat Christus de Heer is, dan blijkt daaruit, dat hij een ware profetie brengt, dat is dus een woord, een boodschap van God.

Terecht concludeert Ds Veenhof, dat deze tekst dus een gansch andere bedoeling heeft dan „vermeerdering" of „aankweeking" van „geloofsverzekerdheid". Inderdaad, de kwestie der geloofs-zekerheid is wèl waard, dat men alle „lichte" argumenten ontneemt aan wie ze hanteeren. Wij voegen er aan toe, dat de periode, waarin wij leven, naar de orde der oeconomie van het verbond thans niet meer te rekenen heeft op zulke Geestes-werkingen als indertijd te Corinthe besproken werden. De Geest blijft, maar omdat Hij historisch werkt, houdt Hij den kalender bij, en geeft dus telkens andere werkingen naar de behoeften van elke verbonds-periode apart.

Psalmberijming Ds Gunst.

Wij zien geen kans, zooals een tijdlang gedaan is, alle psalmen, die Ds Gunst berijmd heeft, hier weer door te geven. Toch willen wij op enkele berijmingen de aandacht vestigen. Allereerst komt in aanmerking Psalm 16. Men weet, dat de statenvertaling van dezen psalm zeer onnauwkeurig is. Ds Gunst geeft deze bewerking: 1. Bewaar me, o God, ik schuil alleen bij U; Mijn ziel heeft tot den Heer aldus gesproken: „Mijn Heer zijt Gij, bezat ik alles nu Wat de aarde biedt, maar 'k was van U verstoken, Hoe arm zou 'k zijn; naar U gaat uit mijn leven En naar de heil'gen hier, die 'k eer zal geven".

2. Veel smarten zullen zijn het treurig lot Van hen, die zich voor and're goden buigen. Hun offers plengen zij een vreemden God, 'kVerzel hen niet, 'kzal tegen hen getuigen; En hoe zij ook hun afgoon mogen roemen, Mijn lippen zullen niet hun namen noemen.

De Heer is 't deel der kost'lijke erfenis. Waarmede Hij zoo ruim mij wou gedenken, 'k Bewonder 't oord, waar 't snoer gevallen is: Hoe lieflijk een omgeving kwam Hij schenken! Geen schooner erfdeel kon mij toegewezen Dan door den Heere mij is uitgelezen.

Ik zegen nu den Heere, die met raad Terzij mij stond, ik wil Hem daaglijks prijzen. Hem, die in donk'ren nacht mij niet verlaat, Zoodat dan nog mijn nieren me onderwijzen. Ik stel den Heer bestendig mij voor oogen, 'Is Hij met mij, geen wank'ling zal Hij doogen.

5. Mijn hart is uitermate in mij verheugd. Daar zelfs mijn vleesch in zekerheid zal wonen. Mijn ziele juicht van onbegrensde vreugd: Het doodenrijk zult Gij mij. Heer, niet toonen. Uw gunst'ling zult Ge aan 't graf niet overgeven. Van alle ontbinding blijft Uw heilige ontheven.

6. Gij, Heere, maakt mij 't levenspad bekend. Verzadiging van vreugde wordt gevonaen Bij U, wiens aangezicht tot mij zich wendt, Zoodat aan mij, van ied're zonde ontbonden. Uw rechterhand eens schenkt de lief'lijkheden. Die eeuwig zijn, in 't onvergank'lijk Eden.


1) De pluralis: jongens!

1) Hier wordt gevolgd de vertaling van Prof. Grosheide in de „Korte Verklaring der Heilige Schrift enz" Uitgave: Kok, Kampen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1935

De Reformatie | 8 Pagina's