GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

20 minuten leestijd

„Moet dat nu zóó? ” (II.)

De ontboezeming van Ds D. Sikkel, welke door 1 feit van hsiar overname of ondersteuning in aiid(i| organen een door mij verwachte min of meer al| beteekenis verkregen heeft, worde nu verder d door mij uit het persoonlijke gedachtenverkeer uitj en dus feitelijk over hem heen in gedachtenwisseliJ mede met die anderen betrokken. Met name één il merking heeft daarbij mijn aandacht; er is beweei^ dat oude tegenstellingen weer worden opgerakeld; i name die van Kampen—^Amsterdam. Reeds hebben» verleden week daarover iets opgemerkt in het vertf van de toen besproken speciale gevallen; thans wilIJ we iets in het algemeen zeggen, in de overtuiging, J| de Heraut-redacteur, van wien deze klacht afkomsl| is, daarbij aan „De Reformatie" dacht.

Ook nu heeft deze redacteur nagelaten te concri seeren en te praeciseeren. We zullen dus zelf daarai'] hebben te trachten. En we merken daarom op, ' zooal niet bij dezen redacteur, dan toch bij degen»! die over deze zaak nadenken, voor een niet gering Ii| deelte aan twee kwesties zal gedacht zijn:

a. aan wat ons blad schreef over het promotiere»! van Kampen;

b. aan wat we opmerkten over enkele publieke tiat*! lingen van aan de V. U. verbonden personen of c' binaties van personen.

ad a. Wat het eerste punt betreft: m.i. heeft ons 1 in geen enkel opzicht schuld aan partij-schappen, ^Ë onder verwijzing naar toestanden in de gemeente fC Corinthe, de Heraut-redacteur met leedwezen ziet'l komen in de kerken. Laat mij maar eens uit de W'f van „De Reformatie" mogen klappen: toen inderti één onzer medewerkers, die waarschijnlijk over '1 promotierecht nog steeds anders denkt dan onderra teekende, mij in April of Mei 1935 vroeg, of ik eventuj plaats inruimen zou aan artikelen, die zijnerzijds 1' erkenning van dat promotierecht zouden willen VJ neeren, heb ik geantwoord, dat deze medewerker d» voor ongetwijfeld ruimte in ons blad krijgen ^on, maar bij voorbaat tusschen ons vaststond, dat W'.^ goede verstandhouding niet schaden zou, als miji daarop geantwoord werd, stel, dat ik daartoe de» zou zien. M.a.w.: een open discussie — gelijk '"

I al van de rede van Dr O. Noordmans voor de stulenten der V. U. door mij zelf gezocht is — zou in ons Rlad mogelijk zijn. Ik weet niet, of „De Heraut" zulk I discussie zou toestaan; wel weet ik, dat wie zulk ien „gesprek" toelaat, daarmee geen partijschappen in Ie hand werkt, doch ze juist helpt verhinderen. Want lartijschappen ontstaan niet door een open en zakelijke, Lo en contra gevende bespreking van in discussie liinde punten, doch door onjuiste probleemstellingen. If door het doodzwijgen van de meening van anderen, If door de heenwending van het zakelijke naar het perloonlijke, of anderszins.

t Naar mijn meening, reeds vaak uitgesproken, moesten an ook de (voormalige) tegenstanders van het Kamper roniotierecht evenzeer als de voorstanders zich beyeren om te kómen tot de in dezen nog steeds onttrekende „eenparigheid van gevoelen". Als de zaak nog lens breed en zakelijk en vooral puntig (puntsgewijs) Besproken wordt, kunnen we verder komen. En v/at Is daartegen? Ieder begint toch respect te hebben voor^ lijn eigen argumenten, en verwacht dus, dat de waar-1 heid, mits puntig uiteengereten verdedigd, wel overtuigen zal? Maar wat niet meer gehandhaafd worden kan, dat móet men om Christus' wil ook openlijk prijsgeven. Juist zij, die voor partijschappen vreezen, hebben laartoo de dure roeping, opdat niet onze wil, doch die tan God heersche, reeds in de vóór-synodale gedachten |n overleggingen.

En nu we daaraan toegekomen zijn, spreek ik on- Imwonden als mijn ijieening uit, dat de Heraut-redacleur partijschappen had kunnen helpen voorkomen, indien hij — om nu maar niet meer te noemen — het, breede artikel, dat Prof. Dr S. Greijdanus schreef ten' bewijze van de stelling, dat Prof. Dr H. H. Kuyper door pe aanvaarding van een doctorsbul van een op eigen ia am promoveerende faculteit buiten universiteits- È'erband, het recht om tegen Kampens promotierecht Ie ageeren, verloren heeft, óf had ontzenuwd, óf als luist argumenteerend in het openbaar had erkend. Was lat geschied, dan ware een zaak, welker bespreking locli altijd met gebeden en dankzeggingen is in- en uitgeleid, verder gebracht. Zulk een open discussie zou bns aller voeten hebben kunnen recht zetten op den Rveg des vredes der genoegzame eenparigheid van gevoelen.

ad b. Omdat het volgende punt een eenigszins breejlere bespreking vraagt, waarvoor ik in dit nummer ^lechts ten koste van andere bijdragen plaats zou kunnen maken, bewaar ik dit punt liever tot de volgende iweek.

K. S.

De Algemeene Genade ¹). (II.)

Ia een vorig artilcel kwam ik tot de slotsom, dat Prof. Schilder de cultuur verabsoluteert. En f daaronder verstond ik, dat hij liaar een plaats geeft |n 't middelpunt van de theologie, zoodat men over haar gaat spreken in termen - en met accenten, [die wij gewend waren te i^eserveeren voor de goederen, die de particuliere genade ons schenkt of jbeloolt. Ik wees op de babylonische spraakver-, Iwarring die daardoor in onze kerkelijke Pinkster^ |taal ontstaat. Dr Schilder maakt de cultuurvragen absoluut en in ruil daarvoor de geloofsvragen, Icultureel.

Dat de cultuur\Tagen absoluut worden gemaakt, inders dan bij Kuyper, eischt eerst eenige toeichling. Ik wees er in mijn vorig artikel reeds op. lat de tegenstelling van hemel en hel direct op de cultuur wordt betrokken. Die van tijd en eeuwigheid, waarbij hl het bestaande en de ge- Ischiedenis 'in al haar uitingen een karakter van Isterke voorloopigheid krijgt, wordt terzijde ge- Ischoven. Een verschil in waarde tusschen tijd en i jieeuwigheid is er voor den Sclrrijver niet. De' hemel is „de „som" van de gescliiedenis" (Hemel, |73). Wel wordt er een catastrophe verwacht, maar löeze ligt in de lijn der geschiedenis en zou ook gekomen zijn, als de zonde niet was opgetreden. IZe komt overeen met den overgang van den eer- Isten scheppingsdag naar den tweeden en van dezen jiiaai- den derden enz. De cultuurvragen hebben Idaarom absolute beteekenis en alles wat er met jtle schepping naderhand gebeurt, de zondeval, de Iverlossing door Christus, blijft, in vergelijlung met nde eerste beginselen" der wereld, bijkomstig. Van liet begin uit moet alles geduid worden. Genesis 1—3 is eigenlijk het belangrijkste stuk van den Ibijbcl. Er zijn nog wel menschen, wier leven Izich beweegt tusschen de polen van het ^geduld l*n den tijd en het zuchten naar de [^^^^, wigheid, maar dat , moet uit zijn (Hemel, |o4). Het gebeurt ook nog wel dat zusters in de jgemeente onder de preek alles laten opgaan in de Uegeiistelling van schuld en rechtvaardigmaking 'xHemel, 313). Maar ook dat is af te keuren. Zij moeten teruggeleid naar het werkverbond (Hemel, ï& o) en vandaar naar het natuurverbond van Genesis 1 (Hemel, 313). Men ziet het, alle absolute I tegenstellingen, waarmee de kerk gewoon is te p-ekenen, worden naar het begin, naai- Genesis < > , liever nog Genesis 1—2 teruggeschoven en [naar „de eerste beginselen der wereld" verlegd (Jezus Christus en het M-enschenleven, «a). Xezus wordt gerekend dat ook te doen, oim- I al hij de Farizeërs herinnerde hoe het in den '"eginne was (Hemel, 286). Wel komt de Zoon

lhet1"'^j-*^' •'^°°''dmans berichtte ons, dat hij voorloopig l'iii on .'^eede artikel wilde laten. We danken hem, dat twppl, uitnoodiging aanvaard heeft, en hopen volgende I '='=ic ons antwoord te beginnen. K. S. van God van boven, maar God komt daarbij in onze continuïteit. De Zoon gaal met ons mee (Hemel, 63), wij niet met Hem. Het Evangelie is leen verlengde van de Schepping. Toen, bij de Schepping, heeft God de eerste beginselen afgekondigd; Jiezus leidt daarheen terug en zoo wordt het Evangelie een cultum-probleem (J. Chr. 249). De eeuwigheidsvraag wordt ooncneet en actueel (Hemel, 86).

In deze verabsoluteerde cultuur krijgen nu de laatste en uiterste tegenstellingen eem plaats. De gemeene gratie spreidt niet meer ©en verzoenend Ucht, maar krijgt tegenover zich d e n g e m e e n e n vloek (Hemel, 287). De één© „gemeene-gi-atiecultuur" wordt naar het rijk der sprookjes verwezen. Er is cultuur in gehoorzaamheid en cultuur in overtreding. Er is gratie èn oordeel; geen gemeene gratie. Er is cultuur der uitverkorenen èn der verworpenen. Het ééne is koren, het andere kaf. Ben „gemeene" opbrengst levert dje cultuur niet. Er is wel een „gemeene roeping" tot cultuur, maar die wordt slechts in de kerk goed gehoord (J. Ghr. 277). Daar wordt het „scheppingsmandaat" weer opgenomen; de „creatuurlij k e godsdienst". En met behulp van compromissen, waarmee de Bergrede, het program van beginselen, Jiuiten de kerk wordt toegepast, neemt deze cultuur haar loop ook in de wereld (J. Chr. 281/82). Want er staat geen schutting tusschen de kerk en de wereld (J. Clxr. 273). Tusschen beiden in staat de gezonde mensch .(J. Chr. 260 v.v.); ook wel persoonlijkheid genoemd (J. Chr. 282). Hij past de eerste beginselen, die God bij de Schepping heeft afgekondigd, weer toe en zoo groeit de hemel langzamerhand op aarde.

Daartegenover staat nu de ontwikkeling van de hel. Zij bestaat in de specialisatie, de scheiding tusschen cultuur en religie, van algemeene en bijzondere genade, waarmee Kaïn begon en waarmee Seth genoegen nam (J. Chr., 257). Gezondheid en stijl wijken uit het leven en de schepping gaat op deze lijn haar ontbinding tegemoet. Satans stijl wil niet gelukken. Wel zal de Antichrist een a n t i-programma pogen af te werken (J. Clir., 268), maar tevergeefs.

Nu kan Dr Schilder deze omzetting van „gemeene gratie" in „gemeene roeping" niet consequent volhouden. Ook hij moet de verabsoluteerde tegenstellingen in de cultuur laten temperen. Het „gemeene oordeel" als correlatief van de gemeene gratie wordt dan tusschen haakjes geplaatst (J. jChr., 265) en de algemeene genade krijgt een functie, die toch veel lijkt op die, welke ze bij Kuyper heeft. Christus houdt zich in, en de Antichrist wordt weerliouden en zoo ontmoeten beide elkaar toch in de cultuur. Maar de verbinding is toevalliger en losser daii bij Kuyper. De cultuur der wedergeborenen gaat op de schepping terug en vormt een wereld; die der onwedergeborenen is slechts een „rest" en spoedt zich naar het oordeel. De lijnen snijden elkaar en loopen geen oogenblik evenwijdig. En slechts één van beide lijnen mag eigenlijk cultuur heeten en heeft iets met genade te doen.

Eu nog in een ander opzicht wordt de tegenstelling verzacht. Beide lijnen zullen niet doorgetrokken kunnen worden. Er komt een catastrophe, zoowel voor de ©ene als de andere. Iets van het verschil tusschen tijd en eeuwigheid neemt ook Dr Schilder aan. In de woorden „hemel" en „hel" ligt toch iets meer opgesloten dan een „nog niet". Èr staat iets ontzaggeUjks te wachten. Maar voor de kerk. die gezond is en waarlijk cultureel, is dat niet abnormaal. Het ligt reeds in de schepping opgesloten; het is een natuurlijk, creatuurlijk, cultureel gebeuren, dat ook zou hebben plaats gehad als de zonde niet gekomen was.

Men ziet dat de antitheaej die Kuyper vooral voor het terrein der wetenschap heeft uitgewerkt, in zijn E n cy do p ae di e, hier op het gebied der algemeene cultuur wordt doorgetrokken. Kuyper wilde in de leer van de Algemeene Genade den nadruk leggen op wat de geloovigen met alle schepselen gemeen hebben. Zij stond wel achter de .particuliere genade, maar ook in tegenstelling daarmee. W'egens den zondeval moest de genade particulier worden. De leer van de algemeene genade kwam ook op uit de belijdenis van het doodelijk karakter der zonde. Maar het motief was juist tegengesteld. Bij de eerste ging het om de antithese; hij de laatste om den band die desniettegenstaande alle schepselen samenliield. Het was er Kuyper om te doen om degenen die zóó in de legenstellingen van de bijzondere genade vastzaten, dat ze niet durfden te leven, den moed daartoe te geven. Ook van de cultum- zou „een blijvende winste" voor de eeuwigheid overblijven.

Daarbij gaat Kuyper ook wel op de schepping berug. Hij legt nadruk op de beteekenis van Genesis 1—5. Maar hij doet dat niet in zoo absoluten zin. De algemeene genade, waarmee w ij te maken hebben, dateert veeleer van Noachs dagen. 'Wat wij cultuur noemen, volkeren, talen, overheid, is toen ontstaan. Naast de particuliere genade, waarvan de lijn bij Abraham duidelijk wordt, is de gemeene gratie in de historie opgetreden. Zij houdt iets betrekkelijks en blijft buiten de abso- (Zie vervolg op bladz. 124.)

lube tegenstelliag van Adam en Christus, die bij' de particuliere genade alles beheerscht.

Daarvan wijkt Prof. Schilder nu af. Hij wil den geloovigen de cultuuj-taak nog nauwer op het haj-t binden en verschuift alles wat daartoe behoort in de richting van de particuliere genade. Yoor hem is het gebied der gemeene gratie met de verhouding tusschen Adam en Christus gegeven. De genade, die er voor een cultureele taak noodig is, heeft geen zelfstandig karakter naast de charismata der kerk.

Daardoor vermijdt hij sommige van de fouten van Kuj'per, die ontstaan door de verbinding van de terreinen der algemeene en der particuliere genade, nadat ze eerst afzonderlijk zijn beschreven en duidelijk onderscheiden. Ik herinner aan die citaten, die ik in mijn vorig artikel gaf, en waarin we lazen, dat God Zijn kinderen van het beste ras doet zijn en hen in het noorden plaatst, als de cultuur in het zuiden achteruit gaat. Voor een dergelijk historisch materialisme of — Kuyper profeteerde hier onwetend — christelijk biologisme is Dr Schilder gevrijwaard. Maar hij maakt het nog veel erger, omdat hij twee gebieden dooreenmengt, die gescheiden moeten blijven. Over een artistieke gave mogen wij niet op dezelfde wijze en in hetzelfde verband spreken als over een christelijk charisma. Een betrekking in de maatschappij draagt een ander karakter dan een ambt in de kerk. Aardsche schoonheid en hemelsche heiligheid mogen we niet in één adem noemen. Cultuur en geloof blijven twee.

Wanneer men dat vergeet kan men een heiligheid s fanaticus worden, zooals de Wederdoopers, en op andere wijze de Dooperschen. Daarom schreef Kuyper zijn Gemeene Gratie. Hij plaatste beiderlei genade duidelijk uiteen.

Dr Schilder breekt daar nu weer mee, maar ^ drijft de verbinding in omgekeerde richting als de Doopers. De bijzondere jenade wordt nu overgebracht naar de cultuur. En dan wordt men onheilig. Het te e re, dat ook volgens Kujper in 't bijzonder aan de particuliere genade eigen is (Qem. Gratie I, 377) en dat hij in zijn meditaties in D e H e r a u t vaak op zoo ontroerende wijze tot uitdrukking wist te brengen, wordt dan geprofaneerd.

Wij zien in onze dagen de diastase tusschen geloof en cultuur weer gi-ooter dan Kuyper dat deed of kon doen. Hij had', toen hij zijn artikelen over de Gemeene Gratie schreef, 't opvlammen van den wereldoorlog nog niet gezien en kon niet dien indruk hebben van de daemonic der cultuur en der geschiedenis, dien de tijdsomstandigheden ons hebben gegeven. Blijkens zijn S t o ne-lezingen zag hij de historie als een waarneembaar kersteningsprooes. Voor velen, en ook voor mij, is die kerstening in strikter zin geloofszaak. Wij vinden goed dat Kuyper geloof en cultuur duidelijk onderscheidde en scheidde, zoodat voor beide een eigen genade noodig was van zeer verschillend karakter. Maar terwijl Kuyper ze naast elkaar plaatste en tal van verbindingen aanwees, zien wij ze meer uiteentreden, voor het natuurlijk oog bijna tegenover elkaar treden, elkaar bedreigen. Wiat wetenschap, wat kunst, wat politiek is, dat zijn althans voor ons weer vragen geworden.

Nu komt in een tijd, waarin deze vragen ons met elementair geweld worden gesteld, en waarin wij er met o u d-c h r i s t e 1 ij k e verlegenheid tegenover staan, Dr Schilder geloof en cultuur zoomaar ineenschuiven. Ik vraag mij af hoe het mogelijk is. De dialectische theologie heeft de grootere diastase aanvaard en gaat er van uit. Althans houdt er rekening mee. Dr Schilder doet het omgekeerde. , Ik kan mij dat niet anders verklaren dan door aan te nemen, dat hij het Kuyper-standpunt wil handhaven tegen de critiek in^ die de contemporaine geschiedenis daarop uitoefent. De tijd zet de beide terreinen, die Dr Kuyper naast elkaar plaatste, uiteen. Dr Schilder verzet zich en schuift ze ineen. De theologie van dezen tijd laat de kerk afstand nemen ten opzichte van de cultuur en legt het accent op de particuliere genade. Dr Schilder verzet zich, vereenzelvigt haar met de cultuur en verabsoluteert de algemeene genade tot algemeene roeping, 'die op- dezelfde wijze fungeert als de particuliere roeping in de liierk.

Dr Schilder kan dat niet heelemaal zoo meenen; althans niet volhouden. Maar hij heeft er zich in vastgebeten en wil niet loslaten. Dat hij het zoo niet meenen kan, althans niet volhouden, blijkt telkens. Zoo, wanneer hij zegt, dat een kerkbode soms mieer voor de cultuur beteekent dan het tooueel (J. Chr., 263). Dan wrijf ik mij de oogen ' 'uit en roep uit: Zoo! — bedoelt ge dat met cultuur! Ik wil niets van een kerkbode zeggen, maar ik gebruikte het woord „cultuur" in een anderen zin. Tegenover een kerkbode behoef ik ook geen diastase te nemen.

Maar ler zijn andere bladzijden, waarmee ik niet zoo gemakkelijk gereedkom. Dan merk ik, dat de Schrijver toch meent wat hij zegt en dat hij over Christus en Zijn apostelen gaat spreken op een wijze, die ik onheilig noem. Dan ontstaat er een nieuwe tale Kanaiins, die niet lijdt aan overdreven dierbaarheid, maar aan onmiskenbare ruwheid en pr9faniteit.

Zoo wordt over Jezus' leven met muzikale ter­ men gesproken. Het heet een „wohltemperiertes Klavier" (J. Chr., 245). Een uitdrukking, die de Schrijver elders (J. Chr., 265) gebruikt om het eigenaardige van de algemeene genade, van de cultuur aan te wijzen. Het ambt van Christus wordt hier niet naar z'n helscbe angsten en pijnen beschouwd, in verband met de zonde, maar met de aangename zweving, 't veilige midden, de wijze matiging, die eigen zijn aan een wereldperiode, die nog geen hemel, maar ook nog geen hel is, ien waaiin de vijf broers van den Rijken Man zich zeer op hun gemak gevoelen. In de bediening van dat ambt „overkomt nu aan de corrupte wereld \\ieer het mirakel van de verschijning van den

Gaven, Schoonen, Idealen Mensch" (J. Chr., 251). Dat doet mij denken aan de beschrijving van een Antichrist, een Satan-Gentleman, zooals Corelli die vroeger geteekend heeft in Smarten van Satan; meer dan aan den Christus der Schriften. Het heet verder, „een schijnbaar a-cultureele kribbe" (J. Chr., 259), waarin Hij gelegen heeft, en „een schijnbaar cultuur-indifferent kruis" (J. Chr., 259), waaraan Hij gehangen heeft. Want uit „een gat... ergens in een hof... zal het lijf van dezen Menschenzoon dan gaaf, en heel gezond en schoon, weer opstaan op het Paaschfee& t". Elders wordt gesproken van Jezus' „prachtig menschenlichaam ua Paschen" [Hemel, 271). En zoo staat hier weer alles in het teeken der plastische schoonheid, zooals zoopas in dat der muzikale harmonie. Deze Christus beet dan „als Kerkvorst" de „Koning der Cultuur". Van het ontzettende van hel Kruis en den schrik der Opstanding mierkt men hier niets. Met zooveel woorden wordt de meening van Kuyper, dat de religie in haar hoogsten vorm zich van het kunstkleed o n t d o e t, afgewezen.

En dit Evangelie komt 'Paulus nu te Rome brengen. Deze „Paiüus was één s'tuk gezondheid. Ook cultuurgezondheid" (J. Chr., 261). Later is „Luther met zijn ronden kop... als cultuurverschijnsel honderd ducaten waard" (J. Chr., 262). En deze allen, Christus, de profeten, de apostelen, de kerk en de heiligen, zijn er om „weer typen, van het zuivere mcnschenras" (J. Chr., 251) te kweeken. De vertegenwoordigers van dit ras, de wedergeborenen, zijn nog niet volmaakt, maar „zijn er toch weer." Deze mensch is de cultuurmensch „van 't begin de(n) Schoone Mensch in den Schoonen Hof" (J. Chr., 270).

Is dit alles dus toch zoo gemeend? Dr Schilder bevestigt het zeer beslist. Hij schrijft: „Wij geven toe, dat dit standpunt brutaal scliijnt" „Maar wij willen niet anders" „Omdat wij aanvaarden, dat dit standpunt het bij bels che is, schrikken wij niet terug voor de consequenties" (Jezus Chr., 270).

Wij hopen dat velen, ook in de Gereformeerde Kierken, wèl zullen schrikken voor deze verabsoluteering van de leer der Algemeene Genade, deze ontheiliging van de Schrift.

O. NOORDMANS.

Doleantie-stemmen.

In verband met de aanstaande herdenking van de Doleantie zal, behalve het groote Doleantieboek, bij den uitgever J. H. Kok te Kampen nóg een belangrijke uitgave verschijnen. Het boek is getiteld „Doleantie-stemmen" en bevat een keurcollectie van stukken uit de omvangrijke pamfletten-literatuur van den Doleantie-tijd. De verzameling is bijeengebracht door Dr J. C. Rullmann, den kenner bij uitnemendheid van het kerkelijk leven der 19e eeuw. Wat hier verzameld werd, is buitengewoon belangrijk en interessant voor de juiste beoordeeling van dien strijd voor vijftig jaren gevoerd. In dit boek zullen ook verschillende illustraties uit dien tijd worden gereproduceerd.

In 1887 schreef Dr W. Geesink: „Er verschijnen tegenwoordig boeken en er worden tijdschriften uitgegeven op het gebied van den kerkelij ken strijd, die ge zuinig bewaren moiet — zij ziiUen eens voor uw achterkleinkinderen een goudmijn zijn."

Het meest waardevolle uit deze goudmijn wordt thans aangeboden in dit boekwerk.

Het boek zal einde dezer maand het licht zien en kan met name voor velen die in de komende dagen bij de herdenking der Doleantie zullen spreken of schrijven, van groote beteekenis zijn.

Jaarboek Gerefonneerde Kerken.

Bij de firma Oosterbaan & Le Cointre verscheen het Jaarboek voor 1936, mooi op tijd. Het geeft de gewone gegevens; en de in-memoriams (of levensberichten) omtrent de overleden predikanten dd. A. M. Diermanse, J. G. Meynen, J. H. Beumee, W. Verhoef, A. Bolwijn, W. Wi. Smitt, L. Kuiper, R. Sybrandy, J. Gispen, P. E. van Schalk, I. Tonkens, S. Veltman, W. Bosch, L. Bouma, F. Drost, P. Bos.

Natuurlijk interesseert het kerkelijk overzicht over 1935, van de hand van Dr J. "C. RuUmann. Daarin is als gewoonlijk zeer veel te prijzen; maar wij mogen niet nalaten, op te merken, dat wat op blz. 396 vermeld wordt inzake enkele in 1935 gevoerde of ook niet doo^ev.qerde dis-. cussies in dien zin onvolledig is, dat essentiëj punten van de aan den dag tredende meenin» verschillen buiten beschouwing gebleven zijn , daardoor van de nqgal ingewikkelde problematic van dat jaar een al te simplistische voorstellij, gegeven wordt. Hoe groot ons respect voor | Rullmann als historicus ook is, wij willen jij verhelen, dat op dit punt doofr hem dezen \ geen historie geschreven is. Wiant er was wel > anders aan de hand inzake „Parijs" (die Calvik herdenking als totaal) dan 'n verwonderin, over de aanvaarding van een doctorsbul eener o zichzelf staande faculteit.

Het liep bijvoorbeeld ook over de vnaag, of l^ actief en op voet van g e 1 ij k h e i d (als me4 werkers) met theologen van o.i. zeer oncalvijnsi gedachten herdenken van Calvijn voor gerefu. meerde theologen niet in strijd kwam met ^ vroeger door „De Heraut" irigenomen houdini toen het blad — terecht — afwijzend stond teget, over een soortgelijke Calvijnhuldiging te Genèvt Wiaar nu Dr Rullmann alleen de détailkwesl van het promotierecht naar voren brengt, van de toenmalige casuspositie een onjuist beelj gegeven. En als dan in dat verband nog Haag-West" te berde gebracht v/ordt, komt oot de, achtergrond van dit stukje geschiedenis in ha donker te staan. Niet het minst de zeer uitvoerige, en zeer scherpe en zeer langdurige polemieken van Prof. Dr J. Waterink tegen Prof. ft D. H. Th. Vollenlioven en Ds H. Steen, om n maar niet meer te noemen.

Het spijt ons, dat we deze opmerking niet teriij mogen houden. Wie de geschiedenis van '""• op dit ingrijpende punt wil bestudeeren, gal d keer tot de bronnen zelf moeten teruggaan. Natuurhjk hebben we overigens yeel lof TOO Dr Rullmanns overzicht en voor heel het boel

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's