GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

10 minuten leestijd

Mardon, bet evangelie van den vreemden god.

I.

Waarom over Marcion ?

Wij zijn. licht geneigd te denken, dat in de eerste Christelijke kerk alles goed was en. het alie.^ goed toeging. Wij beroepen ons immers telkens op haar telijdenis, grijpen zooveel mogelijk terug naar haar liturgie en. kerkrecht, bewonderen haar geloofsraoed en geloofsvolharding, en vergeten dan als oawillekeurig, dat bijvoorbeeld, wat waarheid is, mi wordt uitgemaakt, zelfs niet door de eerste Cliristelijke kerk, maar alleen door het Woord van God. Toch — reeds het voorbeeld van Israël kanonsleeren, hoe gemakkelijk afval kan opkomen, zelfs in de eerste aanvangen. Hoe gewillig is Israël niet in Jozua's dagen om den HEERE te dienen. Jozua houdt het Israël met nadruk voor, hoe moeilijk het is Hem te dienen, en hoeveel verantwoordelijkheid het volk op zich laadt, als het zich verbindt Jahwe alleen te eeren; hij zegt immers: ('ij zult den HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uwe overtredingen en uwe zonden niet vergeven, i) Maar ook na die waarschuwing nog antwoordt Is- 'aëlin zijn gewilligheid om den HEERE te volgen: Neen, maar wij zullen den HEERE dienen. 2)

Hoe spoedig komt echter de afval. Reeds in Richteren 2 moet de Engel des HEEREN het volk iiestraffen, omdat het aan de stem des HEEREN iiiet gehoorzaam geweest was: wat was er van dat ernstige voornemen weinig terecht gekomen! Ja, afval is mogelijk, zelfs in de eerste aanvangen.

Met die mogelijkheid van afval moeten wij dan ook zeer rekening houden, als wij onze aandacht geven aan de eerste Christelijke kerk, en hoezeer is die mogehjkheid tot uiting gekomen in Marcion en het Mardonitisme.

Naast den zegen van den verhoogden Koning 'fijner gemeente, kunnen wij verschillende factoren opnoemen, die geleid hebben tot een zeer snellen groei der Christelijke kerk — het was dan ook in d^t opzicht de volheids des tij ds. Als eerste factor somt hier in aanmerking het feit, dat één rijk de jneest-uiteenloopeude nationaliteiten omvatte en > en dichter bij elkander bracht door dezelfde öestuursvormen, hetzelfde recht, dezelfde taal, ^«t Grieksch, de Koine, het „gemioenschappelijk

Ws tweede factor komt in aanmerking de poli- J^ y? n de Romeinsche Overheid, die uiteraard ttielijli; indifferent stond tegenover de vele godsfinsten, die in dit geweldig imperium te vinden ^en, waardoor gemakkelijk uitheemsche gods- •isten binnendrongen, die zich vasten grond ver­ overden, of door overheveling van de aanhangers van den officiëelen godsdienst of door samensmelting op de een of andere wijze met den officiëelen godsdienst — het synci-etisme was in die dagen uitermate groot.

Dan, meer religieus gezien, er was ©en sterke moeheid over de menschen gekomen, waarmede gepaard ging diep verval op zedelijk gebied: en hieruit werd weer geboren een sterk verlangen naar verlossing, dat o.a. tot uiting kwam in de vereering van den keizer als soter = werieldheiland, en in de sterke toename der mj'sterie-godsdiensten, die door geheimzinnige riten aan de uitverkorenen veidossing beloofden.

Voegen wij liier nog bij als vierde factor, dat over bet geheele Romeinsche rijk de Joden woonden en dat de Joden in de diaspora inzonderheid een sterke zendingsactie dreven, waardoor vele heidenen bekend werden met den hoofdinhoud van bet Oude Testament, en we hebben de belangrijkste factoren, die ons den snellen groei van de Christelijke kerk begrijpelijk maken; naar de teekening van Muller in zijn „Kirchengeschichte" kunnen wij bij den overgang van de Ie naar de 2e eeuw tot in .Arable, bij de Kaspische Zee, bij de Zwarte Zee, in Egypte, JPrankrijk en Dalmaüë Christelijke kerken vinden.

Helaas, boe meer de kerk groeit, hoe grooter ook de gevaren worden, waaraan zij wordt blootgesteld.

Vooreerst, er gaat groot gevaar dreigen van de staatsmacht: wordt onder Nero de kerk nog incidenteel vervolgd, en dan nog om bijkomende oorzaken, onder Domitianus wordt het werkelijke geloofsvervolging en wordt de Christelijke godsdienst „ongeoorloofde godsdienst" (religio illicita).

Dan, het heidendom gaat zich verweren en wel door een herle\ing van de wijsbegeerte — jong- Stoïcisme en nieuw-Pylhagorisme komt op — en door opzettelijke polemiek als van Celsus, die in zijn „Ware Woord" het Christelijk geloof op uiterst scherpe wijze aanviel.

Maar het ergste gevaar dreigt voor de Christelijke kerk van haar gebruik maken der Grieksche wijsbegeerte: zeker, wij kunnen bet verklaren, dat zij het deed, maar het heeft de kerk onberekenbare schade berokkend, vooral doordat zij, zelf steunend op Grieksche wijsbegeerte, in ieder geval belangrijk gebruik makend van die Grieksche wijsbegeerte, tegenover dwalingen, die ook haar voedingsbodem vonden in motieven der Hielleensche wijsbegeerte 5), niet dien krachtigen weerstand kon bieden, die zij door de Schrift had kunnen geven. En zulke en andere dwalingen waren er maar al te veel: wij denken aaii een boekje als de „Herder

3) Het is hier de plaats niet, dit uitvoerig te teekenen. Wij mogen daartoe wel verwijzen naar een boek van Prof. Vollenhoven: „Het Calvinisme en de reformatie van de wijsbegeerte". Hij verklaart daarin de misvatting van vele Christenen in de oudheid vooreerst uit den eclectischen trek in heel het hellenistisch denken en inzonderheid uit de bekoring, die van het partieel theïsme moest uitgaan op de' geloovigen. Dan wijst hij ter verklaring er op, dat ook de vooraanstaande Joden, als Aristobulus en Philo, niet steeds het hellenistisch denken op een afstand hadden weten te houden. En „wanneer dan afkeerige kinderen des verbonds zoo Asdodietisch spraken (Neh. 13:24), was het dan wonder, dat de vreemdelingen en bijwoners de taal van Kanaan maar niet konden leeren? " (pg. 114 van bovengenoemd werk).

Na de verklaring der zwakheid zet' Prof. V. dan uiteen, welke systemen het gemakkelijkst door de Christenen aanvaard werden, de realistische of de nominalistische en wijst daartoe aan de nominaHstische systemen en wel de Stoa (pg. 114—119 en vervolgens).

Misschien mag ik om elk misverstand af te snijden herinneren aan de pracht-opmerking, waarmede Prof. V. zijn bespreking van de zwakheid der eerste Christenen aanvangt. „De vraag, of de straks te bespreken auteurs God kenden in het aangezicht van Jezus Christus, is allerminst negatief beantwoord, wanneer men het resultaat van hun denken uiterst bedenkelijk acht. 'Wie de vergeving der zonden gelooft, zal ook hier van Gods genade niet klein denken" (a. w. pg. 111). van Hermas", een boekje, dat ongeveer 150 na Christus verschenen zal zijn en bekend geworden is als een der geschriften der apostolische vaders. Wiat had dat boekje in de eerste Christelijke kerk een hooge plaats: velen hielden het zelfs voor geïnspireerd, een meening, die veel later nog door Origenes gedeeld werd — en toch wordt in dat boekje de verzoening door onzen Heere Jezus als genegeerd, en wordt de gemeente gevoed met Joodsche apocalyptiek en aandringen op goede werken.

Wij denken bijv. aan de logos-speculatie van Justinus Martyr. Den logos der heidensche Stoa stelde hij gelijk met onzen Heere Jezus Christus, Die door Johannes in zijn evangelie ook Woord = Logos genoemd werd, en door velen werd hij daarbij gevolgd. *)

Wij kunnen u ook noemen het Montanisme, dat onder de leus van bei'ugfceer naar de strengheid der eerste gemeente allerlei spiritualistisch gedoe in de gemeente wilde brengen en dat groote uitbreiding verkreeg.

En zoo zou meer te ndemen zijn, dat de Christelijke kerk bedreigde; er waren immers allerlei gevaren van binnen en van buiten, die den zege^ vierenden loop van het Woord Gods tegen wilden houden. En als grootste gevaar moeten wij noemen: de gnosis. Wat heeft die gnosis de kerk een schade gedaan! Wat heeft z_ij de uitbreidinjg der kerk in den weg gestaan! Wat heeft zij ook schadelijk ingewerkt op de formuleering der waarheden van Gods Woord in sommige belijdenisgoschriften!

Petrus moet al tegen deze gnosis strijden (Hand. 8:9—25, Simon de toovenaai- is een man van de gnosis) en Paulus moet den strijd voortzetten (2 Tim. 2:16) en heel de eerste Christehjke kerk. En hoe moeilijk was die strijd! Wat naderden de gnostieken soms dicht aan de Christelijke leer, wat helden Christenen vaak bedenkelijk over naar gnostische beschouwingen!*) Eeuwenlang heeft dan ook de kerk moeten strijden, voordat op de hoofdfronten althans de gnosis verslagen was. Maar als ©en onderstroom bleef de gnosis voortwoelen; telkens weer opnieuw komen gnostische beschouwingen naar boven en in de huidige dialectische theologie van Barth c.s. spreekt de gnosis weer sterk mee.

En van die gnosis, die wij in een der volgende artikelen willen karakteriseeren, was Marcion een der gevaarlijkste vertegenwoordigers. Hem alleen bijv. is het gelukt een tegenkerk te vormen: tegen hem komen alle Christelijke schrijvers in het geweer — ik noem als voornaamsten JusUnus Martyr, - Irenaeus, Tertullianus, die vijf boeken tegen hem schreef, en Clemens uit Alexandrië — en waarlijk, dat deden ze niet, omdat zij geen andere vijanden van de kerk hadden te bestrijden. De kerkvaders toch geloofden, dat Satan zelf alle booze geesten tegen de opkomende kerk van Christus had losgelaten om haar als in de kiem te dooden. Epiphanius ^) vermeldt niet minder dan 60 kettersche secten, tegen wie de kerk de waarheid Gods moest handhaven en voeg daar nog eens bij de heidensche aanvallen en beschouwingen en systemen. 'J

Maar waarom in 1935 artikelen over Marcion? Omdat één der grootste geleerden van Duitschland, A. von Harnack, nog kort geleden, n.l. in 1920, een groot boek over hem geschreven heeft, en hem in dat boek den grootsten theoloog genoemd heeft van zijn üjd, op één lijn staande met Luther en Augustinus, en dat boek besloten heeft met de bede, dat in het bonte koor der zoekers

van God ook weer Mardonieten zouden gevonden worden. < *)

En, omdat deze wensch voor een groot gedeelte is vervuld in de aanhangers der dialectische theo- ? logie als Barth en Gogarten.»)

En, omdat één der veel genoemde namen in de nieuw-Germaansche theologie van Rosenberg e.a. de naam Mardon is: Andersen, die voor de komende Duitsch-christelijke kerk in 1932 schreef het boek „Der Deutsche Heiland", schreef ook een historischen roman: Mardon, der Unbesiegte! (de onoverwonnene).

En Mardons argumenten tegen het Oude Testament worden door die mannen nog eens opgediept en vermoderniseerd.

Daarom, in 1935 artikelen over Mardon.

• Maar, voordat wij dat doen, nog één opmerking. De werken van Mardon zijn verloren gegaan, waardoor wij niet één van zijn eigen woorden meer kennen, uitgezonderd het woord, waarmede hij zijn hoofdwerk, „Antithesen" is begonnen: O, wonder der wonderen, aanbidding, macht en verbazing is het, dat men niets over het evangehe zeggen, noch over het evangelie denken, noch het met iets vergelijken kan. 1°) Toch kunnen wij ons van zijn beschouwingen een goed beeld vormen,

want: Ie hebben wij veel berichten over hem van zijn

tegenstanders; 2e wij weten, wat in zijn „bijbel" gestaan heeft;

3e wij weten, welke beginselen hem bij zijn bijbelcritiek geleid hebl> en; en

-4e wij weten veel uit zijn Antithesen.

Natuurlijk is voor dit alles en bij dit alles de groote Duitsche geleerde Von Harnack een gids.


4) Zie ook hierover: „Calvinisme en wijsbegeerte der reformatie", pg. 119 en inzonderheid noot 127.

5) Als voorbeelden van het eerste: Ptolemaeus en Hermogenes, en van het tweede: Tatianus en het Patripassianisme.

6) Schrijver in de 4e eeuw.

7) cf. Leisegang. Die Gnosis 1924, pg. 57—59.

8) A. vau Harnack. Marcion: das Evangelium vom fremden Gott. Ie druk 1920, 2e druk reeds in 1924.

Dennoch — al is H. het voor een belangrijk deel niet met Marcion eens — kann man nur wünschen, dasz sich in dem wirren Chor der Gottsuchenden heute wieder auch Marcioniten fanden, denn „leichter erhebt sich die Wahrheit aus der Verirrung als aus der Verwirrung, pg. 23.

9) Hierop komen wij nog nader terug. Op verwantschap van Marcion en Gogarten wijst o. a. Kayser. Natur und Gott bei Marcion. Theol. Stud, und Kritiken 1929, pg. 279— 296, vooral pg. 294, 295.

10) Geen wonder, dat R. Otto met instemming deze fas- ..eineerend klinkende woorden aanhaalt. " Verg.: Aufsatze, das Numinöse betreffend 1923, pg. 9 en 10.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's