GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Een recensie over het boek van Dr Smilde.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een recensie over het boek van Dr Smilde.

16 minuten leestijd

Neen, we hoeven in ons blad niet te zeggen, welk boek we bedoelen als we over „het boek van dr Smilde" spreken!

We weten ook hoe dat boek in het kamp van onze synodalen met een vreugdegejuich is begroet! Het was „je van - het" over het dogmatische conflict.

- Merkwaardig snel verstomde evenwel het gejubel.

Waarom?

Wel, het boek was in deze situatie veel te openhartig en te eerlijk! Het zei zóó maar, zonder eenige camouflage, wat het gouden hart is van de synodale wijsheid omtrent het verbond. Het besteedde zijn honderden bladzijden om het gereformeerde kerkvolk 'duidelijk te maken, dat de doop verzegeling is van „voorhanden genadebezif'en dat dat nu als goddelijke waarheid door de gereformeerde kerken was vastgesteld!

Bovendien rees hier en daar onmiddellijk de zeer gegronde argwaan over de ^historische objectiviteit van den auteur. Prof. Berkouwer gaf maar een zeer magere en zeer gereserveerde recensie in het „GereforhL^tica Weekblad". Heel wat anders dan de kinderlijkdankbare feestjubel waarmede prof. Dijk het boek opende.

Nu is er dezer dagen wéér een recensie verschenen over dit boek.

En wel van ds Woelderink in „Eenigheid des geloofs".

Ieder, die dat hoort zal uitermate benieuwd zijn naar diens oordeel.

Bovendien zal hem interessëeren wat het blad, waarin ds De Graaf, ds Van Teylingen, dr Schippers en anderen uit der synodocraten leger schrijven, over dit dogmatische evenement oordeelt.

Men hoore.

Ds Woelderink zegt dat hij het boek met groote be'angstelling ter hand nam omdat het van groote belezenheid getuigt en van bijna alle vooraanstaande Gereformeerden uit de laatste eeuw vertelt, hoe zij over verbond en doop dachten en schreven.

Maar, zegt ds Woelderink

Ik moet eerlijk zeggen, dat zelden de lezing van een boek mij zoo teleurgesteld heeft. Wanneer ik niet op mij genomen had om een recensie en boekbespreking te wijden aan dit werk, zou ik waarscliijnlijk de lezing niet voltooid hebben.

Waarom ds Woelderink zoo teleurgesteld was, vertelt hij vervolgens..

Vooreerst omdat de wijze van samenstelling heelemaal niet deugt.

Dr Smilde geeft ons niet een dogmatische, ook een dogmeuhistorische studie over het bekende onderwerp; • Zelfs kan men niet zeggen, dat het allereerst een historisch overzicht is van den gevoerden strijd. Hoofddoel van het: werk was een oratio pro domo te schrijven, een verdediging van de besluiten die de Geref. Kerken hebben genomen in verbond en doop. Daarom en daarom alleen heeft hij zich in de historie verdiept.

In „Rondom 1905" was een poging gedaan om aan te toonen, dat de beslissingen van 1905 niet liggen in de lijn van de „vaderen der Scheiding". Is dit oordeel juist, dan moet men concludeeren, dat de Geref. ierken de lijn der vaderen verlaten hebben.

Dit nü heeft dr Smilde allereerst gedreven tot een historisch onderzoek van wat de laatste honderd jaar in de Geref. Kerken — Ik reken daartoe thans ook de kerken der scheiding van 1834 — over verbond en doop is geleerd.

Daarom gaat het er in dit werk niet om de juistheid van de genomen dogmatische beslissingen te toetsen of te staven. Dr Smilde bedoelt aan te toonen, dat de Geref. Kerken met deze beslissingen geen verraad aan de historie hebben gepleegd, maar dat altijd onder hen zoo geleerd is geworden.

Het gevolg van deze beperkte en oppervlakkige doelstelling van dit boek is nu, dat het waarschijnlijk alleen in de Geref. Kerken lezers zal vinden.

Want zij die niet tot haar behooren, zijn allereerst getoteresseerd bij de waarheidsvraagen daarom hebben velen den gang van zaken in de Geref. Kerken met intense belangstelling gevolgd. De waarheidsvraag komt in dit boek echter zoo af, en toe een weinig om de hoek kijken; werkelijk aan de orde komt zij niet. Daarom noemde ik dit werk een oratio pro domo en alle gebreken, die zulk een werk aankleven, kan men ta dit boek terugvinden.

Met dit laatste bedoel ik niet te zéggen, dat de schrijver slechts een citatenspel speelt. Voor zichzelf is hflb.v. overtuigd, dat de vaders der scheiding in beginsel nooit anders geleerd hebben dan wat nu In de Geref. Kerken wordt geleerd. En ook ik ben overtuigd, dat het niet moeilijk valt bij hen de lijn aan te wijzen, waarin zij leerimgen blijken te zijn van de scholastieke ontwikkeling der theologie in de zeventiende en achttiende eeuw. Maar daar staat tegenover, dat daarmede niet alles gezegd is, dat zij in hun tijd in verband met de omstandigheden, waaronder de vragen aan de orde kwamen, getracht hebben een eigen kerkelijk gerechtvaardigd standpunt in te nemen en dat dan plotseling soms een heel andere gedachtengang doorbreekt. Een dergelijke tweeslachtigheid getuigt niet tegen hen. Zoo gaat het toch altijd als men beproeft nieuwe posities In te nemen. Men schudt de scholastieke ontwikkeling der theologie niet in een keer van zijn schouders.

Ds Woelderink spreekt dan als zijn oordeel uit, dat dr Smilde en de schrijvers van „Rondom 1905" beide gelijk hebben, als zij zich op de vaders der scheiding beroepen.

Ik zou daartegen willen opmerken:

a. dat „Rondom 1905" zich niet over de vaders der scheiding uitspreekt, wel over Helenius de Cock en zijn school.

b. dat de vaders der scheiding en ook hun nazaten in het tweede en derde geslacht er nooit aan dachten de in geding zijnde scholastische constructies in een leerstelling vast te leggen en als goddelijke waarh'eid kerkelijk uit te venten.

Ds Woelderink toekent dan de situatie in de oude afgescheiden kerken als volgt:

We hebben hier met het begin van een nieuwe ontwikkeling te doen. Wanneer ons deze nieuwe ontwikkeling geschetst ware geworden in haar gebrokenheid en in de poging om op grond van Sclirift en belijdenis weer tot een nieuw Inzicht te komen in de aanhangige vragen, zou de belangstelling daardoor eerder gewekt zijn dan nu men tracht door allerlei citaten vast te stellen, dat men van de lijn, door hen getrokken, niets is afgeweken. Dat zou alleen zin hebben, wanneer men aangewezen en bewezen had, dat er slechts van één ongebroken lijn bij hen sprake Is.

Wie „Om het hart der reformatie" las in ons blad heeft van deze stelling eigenlijk reeds een illustratie ontvangen.

Een volgend^ bezwaar tegen Smilde's boek acht ds Woelderink:

Het groot aantal theologen, uit wier geschriften hun leer van doop en verbond naar voren wordt gebracht. Daar ligt iets vermoeiends in, vooral als hun getuigenis zoo eensluidend is en zij leerlingen blijken te zijn van dezelfde school. Heeft dit groote aantal zin? Hebben al deze menschen een zekere autoriteit in de Geref. Kerken of is het enkel de bedoeling te laten zien, hoe vele mannen met 'n klinkenden naam zich b.v. bij Kuyper hebben aangesloten? Wie het om de waarheidsvraag te doen is, zegt altijd weer bij en onder de lezing: we komen hier niet verder; het schijnt, dat het aantal beslist. Natuurlijk wordt een groote plaats Ingeruimd voor Kuyper en Bavinck. Aan leder wordt zelfs een vijftigtal bladzijden gewijd. Maar we worden er weinig wijzer van. Het Is meer een fotografische weergave van hun leeringen dan 'n schets van de ontwikkeling hunner gedachten en de plaats, die de gedachten over verbond en doop in het geheel van hun theologie innemen. Al lezende zegt men bij zichzelf: ja zeker, dat en dat heb ik ook bij hen gelezen; dat is op zichzelf niets nieuws, maar wat is de betèekenis en de draagkracht van zulke . uitspraken ? Wat zit daar achter en waartoe moeten dergelijke stellingen leiden? Maar dan heb ik weer vergeten de doelstelling van dit boek om de leden van de Geref. Kerken een hart onder de riem te steken door hen te overtuigen, dat hun vaders en grootvaders precies hebben gedacht en gesproken als thans de Synode in haar leerbesllssingen heeft gedaan.

En onwillekeurig legt men dan een oogenblik het boek ter zijde.

Die opmerking over het hart-onder-derriem steken is kostelijk en waar. Je voelt zoo, dat onze synodale iJtoeders dat noodig hebben. Want ze leggen met hun reeks leeruitspraakjea maar heel weinig eer in, niet bij anderen en niet bij hun eigen „onder-ons". Mea hoort «daarover op zijn hoogst spreken in den toon van: we kunnen het wel aanvaarden! Er is toch niets tegen!

En dan dat oordeel over wat Smilde over Kuyper en Bavinck schreef!

Prof. Dijk oordeelde, dat Smilde's 'expose van Küyper's gedachten „behoort tot het beste wat tot dusver over dezen grooten reformator geschreven werd". • Naar de vaste overtuiging van ds Woelderink zal Smilde's boek

in de toekomst niettegenstaande het omvangrijke werk, dat er aan besteed is, geheel op den achtergrond raken. De methode van samenstelltog en de doelstelling van het boek zijn daarvan de oorzaak. Aan den dieperen achtergrond van de vragen, waarom het in de strijd gaat, is ternauwernood geraakt. Wanneer men ziet, hoe de schrijver met begrippen en uitspraken van Kuyper opereert en anderen daarmede laat op.ereeren, komt bij iemand, die niet tot de Gereformeerde Kerken behoort, gedurig de vraag naar voren: zou men nooit behoefte hebben om deze begrippen eens op hun schriftuurlijkheid te toetsen? En dan moet men zeggen: neen, de schriftuurlijkheid daarvan schijnt even vast voor hen te staan als die van de belijdenisgeschriften. Daarom is het voor mij zeker, dat in het verzet tegen de gedachten der bezwaarden een geweldig stuk traditie schuilt. De vrees, dat men der traditie niet getrouw zou zijn, doet de vrees opkomep, dat mogelijk de grond zelf on^er de kerken der scheiding zou gaan wankelen.

Ds Woelderink merkt dan op, dat dr Smilde heel goed weet waar de geschilpunten liggen! Het ging trouwens in alle kwesties over rnaar één kwestie: schriftuurlijke waarheid contra scholastieke constructie. En daartusschen zal de strijd gaan zoolang het schriftuurlijke inzicht de overhand niet verkreeg.

Maar het ellendige in het boek van Smilde is, dat het die geschilpunten heelemaal niet peilt en er zich met een dooddoener van afmaakt!

Als voorbeeld noemt ds Woelderink wat dr Smilde op pag. 338 schrijft.

Hij schrijft daar, dat de bezwaarden niet loochenen, dat Gods verkiezende en wederbarende genade ons tot het geloof moeten brengen. Maar, zoo laat hij volgen (en het gespatieerde is van hem): op de verbondsopvatting heeft dat geen Invloed. Deze opvatttag Is volkomen ad rem. Een van de punten van strijd concentreert zich op de vraag, of de leer der verkiezing de andere leerstukken beheerschen en vormen mag.

Hier was alle aanleiding geweest om een oogenblik dieper op dit punt in te gaan, want het is van ingrijpende betèekenis. En indien de schrijver zoo enkele van de voornaamste punten uit den strijd had genoemd, al ware het maar een vijftal en ons telkens had doen zien, wat in die eeuw van strijd van weerszijden ten opzichte van die punten geleerd is, dan hadden wij 'n interessant boek gekregen en was ook voor degenen, die nog niet weten waar het eigenlijk over gaat, duidelijk geworden van hoe groote betèekenis de dogmatische vragen zijn, die hier aan de orde worden gesteld. Maar de methode en de doelstelling van het boek hebben dit verhinderd. Het gescliilpunt, dat werkelijk, van dlepzinnigen aard is wordt, men vergeve mij de uitdrukking, met een dooddoener afgedaan. „Er is maar één, breed opgevat uitwendig verbond, wij mogen geen onderscheid maken tusschen wezen en verschijning iJes verbonds". Met dezen eenen zin, waarmee de schrijver bedoelt 't standpunt der bezwaarden weer te geven wordt heel dit vraagstuk ter zijde geschoven en tal van eenvoudige lezers zullen denken, dat het daarmede behandeld en weerlegd Is. Maar wie nadenkt weet, dat dit een dooddoener is, die alleen den oppervlakklgen lezer in de hand doet klappen en doet zeggen: zie zoo, daar kunnen de bezwaarden het voorloopig mee doen.

Om twee redenen acht ik een dergelijke opmerking — en het boek is vervul' van dergelijke redeneeringen — een dooddoener. Ten eerste omdat de gedachten van den tegenstander worden weergegeven In een formuleering, die niet van hem is, maar juist van de zijde der Geref. kerken afkomstig. De formuleering is dan van dien aard, dat ze reeds als een veroordeeling dienst doet, nog voordat de zaak behandeld is. Ik heb thans het oog op het woord uitwendig. Er zullen weinig bezwaarden zijn, die deze formuleering voor hun rekening nemen. Dit zou b.v. een van de vijf punten kunnen zijn, die dieper hadden moeten worden besproken en vanuit de besprekingen in de vorige eeuw toegelicht n.l. het schema ultwendig-inwendig toegepast op het verbond. Want dit schema komt juist van den kant van dr Smilde en zijn geestverwanten. En het spreekt van zelf, als men dit schema aanvaardt, evenals 't onderscheid tusschen wezen en versthijning van het verbond, dat het dan een algeheele veroordeeling inhoudt, als men van iemand kan zeggen, dat hij slechts een uitwendig verbond leert. Maar deze typeering is ten opzichte van den tegenstander er totaal naast. Ik voor mij ontken ten stelligste, dat in de leer van het verbond, zooals ik die in HET DOOPSFORMULIER heb voorgesteld, van een u 11w e n d 1 g verbond kan en mag worden gesproken, 't Kan en mag niet van wege de werkelijkheid en de waarachtigheid van de beloften Gods in het verbond. En ik meen, dat dit ook de gedachte is van de meeste bezwaarden. Door de methode van behandeling, die dr Smilde toepast, krijgen de lezers niet een juiste kijk op den stand van vragen, die in geding zijn. Dat zal zich later op een geduchte wijze wreken.

De tweede redenji waarom Ik meende van een dooddoener te mogen spreken, is deze. De eigenlijke klove komt even aan de orde in opmerking, dat de bezwaarden hun verbbndsopvatting niet willen laten beheerschen en vervormen — men zou ook kunnen zeggen misvormen — door de leer der verkiezing. Maar de schrijver vermijdt het angstvallig op dit geschil In te gaan. Hij schuift heel de vraag ter zijde met zijn opmerking over het uitwendig verbond. Waarom men deze overheersching van de verbondsopvatting door de verkiezingsleer niet wil, deelt hij zijn lezers niet mede. De verderfelijkheid van dit standpunt blijkt z.i. genoeg, uit de leer van een uitwendig verbond, die daaruit volgt.

In de Dordtsche leerregels heeft de kerk der reformatie

die overheerschlug van de Eivangellepredlking door de leer der verkiezing afgewezen. De waarachtigheid van het Evangelie en zijn beloften wordt gehandhaafd, ook al wordt het Evangelie door velen verworpen. Men zie m en IV 8. En dat niettegenstaande de remonstranten hen telkens aanvielen en van een onbetamelijke inconsequentie beschuldigden. Want, zoo zelden deze, als er een verkiezing ten eeuwigen leven is, dan gelden de beloften des Evangelies alleen de uitverkorenen en kan men het Evangelie niet aan allen prediken. Het genoemde artikel dient om deze consequentie uitdrukkelijk te verwerpen. Wat van het Evangelie geldt, geldt ook van het verbond, want de beloften des Evangelies en van het verbond zqn één. De bezwaarden zijn dus niet in slecht gezelschap, als zij deze overheerschlng van de verbondsleer door de verkiezingsleer verwerpen. Het zou interessant zijn geweest, als dr Smilde eens dieper op dit punt ware ingegaan en den strijd daarover in een afzonderlijk hoofdstuk van uit de historie had toegelicht.

Na deze inderdaad verpletterende kritiek noemt ds Wcelderink nog een paar andere aldus behandelde, < E Bever: . m i s - handelde, punten.

precles hetzelfde kan worden gezegd van het verband 'van wedergeboorte en doop. Ook dit Is één van de ptjlers van de leerbeslissingen van de Synode der Geref. Kerken, want we raken hier aan de vraag, of de doop Gods beloften verzegelt dan wel de aanwezigheid vaa inwendige genade. Maar de wijze, waarop telkens wordt uitgegaan van de gedachte, dat de scholastieke leer der wedergeboorte, zooals die door dr Kuyper In eere is hersteld, volkomen schriftuurlök Is en dat de bezwaarden door afwijzing van deze leer zich verwijderen van de A-broeders, verhindert, dat ook hier de waaxheidsvraag voor de lezers aan de orde wordt gesteld. Dat de bezwaarden afwijken van wat de laatste halve eeuw in het bijzonder in de Geref. Kerken is gedacht en beleden, is voldoende voor hun veroordeeling. Voor vele leden van de Geref. Kerken kan daarin een groote geruststelling schuilen, dat men nog immer in de lön der traditie Is, maar wat achter al deze geschUlen schuil gaat, blijft hen zoodoende verborgen.

Laat ik nog één punt noemen, dat zeker behandeld had moeten worden niet alleen door middel van citaten, maar door een nauwgezette pelling van het geschil. Ik bedoel het onderscheid tusschen het aanbod van 't Evangelie en de beloften, die de geloovlgen verzegeld worden in hun doop. Zoo terloops komt deze kwestie even om de hoek kijken. Heeft men In de eeuw van strfld over verbond en doop ooit grondig over deze vraag gehandeld? De zaak is van zoo groote beteekenis, dat een grondige en veelzijdige toelichting van uit de historie van deze eeuw gewenscht ware geweest. Het gaat hier m.i. over niet minder dan over de vraag, of er één Evangelie is voor kerk en wereld beide, dat aan de ongeloovlgen gebracht wordt en één ander voor de kerk, waaruit de geloovlgen leven. Het laatste wordt door den schrijver als vanzelfsprekend en crltiekloos aanvaard. De theologische overwegingen, die medegewerkt hebben tot de beslissingen der Synode n.l. dat de doop meer verzegelt dan het aanbod der genade, dat wil dus ook zeggen, dat in het aanbod der genade Christus met a 1 Z ij n heil niet vertegenwoordigd la, dat dit aanbod minder 13 dan de beloften des Evangelies, die de geloovlgen in den doop verzegeld worden, worden zonder meer als schriftuurlijk aanvaard en wat daartegen zich verzet, wordt afgewezen zonder dat de lezers een blik krijgen te slaan in de achtergronden van dit verzet.

Ds Woelderink vat zijn oordeel aldus samen:

Dit boek stelt teleur vanwege de methode van samenstelling en vanwege zijn doelstelling. Hier worden de genomen theologische beslissingen verdedigd van uit de traditie. Daardoor komt de waarheidsvraag op den achtergrond. Wie In de Geref. Kerken boven alles aan de ti'aditle zich vastklemt, zal zich door dit boek gesterkt en gerustgesteld gevoelen, maar wie door de waarheidsvraag bewogen is geworden, zal met een gevoel van teleurstelling zeggen: nu ben ik nog niets wijzer geworden.

We behoeven niet te zeggen, dat we dankbaar zijn voor deze recensie.

Want we staan nog midden in den geweldigen strijd voor den wederkeer tot het Woord Gods, ook tot zijn woord omtrent het verbond.

Een strijd die er allerminst een is over een „leerstuk", maar om het leven zelf, om het leven uit Gods Woord en naar het verbond.

Met het oog hierop vragen we ons af, wat zq, die ook in dezen, een „eenigheid des gelóofs" met ds Woelderink belijden, nu zullen doen?

Zullen zij nu met hem open en duidelgk prediken, profeteeren over Gods Woord ten opzichte van zijn verbond? Of laten ze dit in him krant aan ds Woelderink over? En blijven zij om den gansch niet lieven vrede zwijgen?

Laten zij zich evenwel goed realiseeren, dat een werkelijke eenigheid des ge1oofs met ds Woelderink op dit punt in de gebonden Gereformeerde Kerken alleen kan beleefd worden met behulp van sabotage en clandestienen handel.

We hopen, dat men met deze praktijk spoedig zal breken en leugen, leugen; dwaling, dwaling; waarheid, waarheid en zonde, zonde noemen zal.

„Vrijmaking" was nooit en is nimmer iets anders dan dit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 december 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

Een recensie over het boek van Dr Smilde.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 december 1947

De Reformatie | 8 Pagina's