GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De broeders kennen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De broeders kennen

4 minuten leestijd

Hier en daar tobt men wel eens over de vraag, of, en in hoeverre, de een den ander verdragen moet en mag inzake de houding, die men aanneemt tegenover het thema der z.g. „voortgaande reformatie". De één is er voor; de ander, die kwalijk loochenen kan, dat het woord zoo oud is als de kerk, zegt: alles goed en wel, maar zóó niet. Of: zóó haastig niet. Van beide kanten komen dan de bezwaren van den één tegen den ander.

Ik heb in deze dagen nog al eens gedacht aan het verhaal van Zacharia 7 : 1—6. Dat was een verhaal uit den tijd van Israels ballingschap. Men stond voor nieuwe problemen, net als wij. En nu deed zich het geval voor, dat menschen uit Bethel aan de officieele leiders van Jeruzalem iets kwamen vragen over de „voortgaande reformatie". Ze wilden iets weten over de bestaande vasten-practijk. Moest alles blijven bij het bestaande? Of mocht er Iets nieuws worden besloten?

In Jeruzalem — het oude leidinggevende centrum — keken verscheidenen ietwat wantrouwig naar Bethel.

Maar als iemand zou willen zeggen: ethel, daar was het toen maar niet pluis, sedert Jerobeam, dan hebben de marmen-van-Bethel him woordje klaar. Wat zijt ge toch blind voor de werking van Gods Geest, zoo kunnen ze tegenwerpen. Weet ge niet, dat, onder den verschen Indruk van een plaag, kort na de intree van de ballingschap, een assyrisch koning een priester naar Bethel gestuurd heeft, om daar weer iedereen te leeren, hoe men Jahwe dient te vereeren? Kunt ge dan geen zegen meer erkennen? En, — is dat vroom, dat eeuwig wantrouwen? (2 Kon. 17:24—28).Hebben niet zoowel Ezechlël als Jeremia telkens weer dat „spreekwoord" in herinnering gebracht (Ezech. 18, Jer. 31), dat in de periode der ballingschap onder de ballingen opgeld deed, het spreekwoord, dat de vaderen zure druiven gegeten hadden (b.v. die slechte koningen, met hum onverstandige politiek, en die kwade ministers met hun leelijke adviezen), en dat nu de kinderen stroeve tanden gekregen hadden ?

Ja, ja, men weet het nog.

Welnu, beide profeten hadden dat „spreekwoord" verboden. En ze hadden er bij gezegd, wat trouwens ook al m Deuteronomium stond, dat de zoon niet mag lijden óm de zonden van de vaderen. De kinderen hadden zélf schuld, nèt zoo goed als de vaderen. Maar dan ook aUe kinderen toch zeker? Ook die van buiten Bethel? Mocht de één niet, om zichzelf vrij te pleiten, bij voorkeur aan Mauasse de schuld geven, den zoon van Hiskia, b.v., dan mocht de énder niet S-ltoos exclusief aan Jerobeam de schuld geven, die — dat was zoo — te Bethel zoo heel rare dingen had gedaan, en slechte. In geen geval mocht men tn de nieuwe gemeenschap van Israels verlosten de Bethelleten afwijzen óm Jeróbeam's kwaad. Men moest liever zich verblijden, dat Bethel weer mee wou doen met Jeruzalem. Ze komen toch zeker niet voor niets naar die oude metropaal?

Welnu, de profeet Zacharia, die het antwoord gaf, heeft zich niet opgeworpen als man-van-een-partij. Zijn indringende vraag was tot allen: hoe is vroeger uw vasten bedoeld geweest? 't Was toch met zoo best? Uw stroeve tanden hebben meermalen u meer leed gedaan dan uw grissen naar onrijpe, zure druiven. De gevolgen der schuld hebben u meer gedrukt dan uw eigen schuld. De praetijk van uw ascese nam meermalen evengoed als die van uw feestelijk zwelgen „occasie", aanleiding, in bepaalde feiten, door u „geïnterpreteerd" lós van Mijn wet en belofte; en dat was dan die wel heel magere geboortegeschiedenis van uw , , vierdagen". Uw vasten ontaardde daardoor in een celebreeren van uzelf; zoo werd het, even goed als uw vette maaltijden, een ontdekkende, beschamende prediking van de magerheid uwer ziel. Uw zonde was de overtreding, niet maar van een partij, doch zeer bepaald van het volk. De Schriftgeleerden nemen toe; maar de door de Schrift geleerden nemen af.

Dit wijze profetenwoord moge ook ons leeren. Als we bij alle bezwaren tegen de meeningen van anderen beginnen met ons zelf te vragen: wat is het geestelijk gehalte van mijn jacht naar dit of dat? , of van mijn protest tegen zóó of zus, dan hebben we al veel gewonnen. Niet alles. Wel veel. Eu als we dan elkaar bekijken, niet onder het aspect van: hoe was jij vroeger? , of: uit welk nest kom jij? , doch onder het andere: wat zegt de Schrift? — wel, dan leeren we allemaal, en krijgen wel vrede.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 augustus 1951

De Reformatie | 4 Pagina's

De broeders kennen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 augustus 1951

De Reformatie | 4 Pagina's