GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

DE HERE HEEFT GESPROKEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE HERE HEEFT GESPROKEN

19 minuten leestijd

Wie kan er peilen wat er in deze week onder ons is geschied?

Nog zijn we verdoofd door de schok, die ons aangreep toen God Schilder van ons wegscheurde. En nu deed Hij nog zwaarder slag op ons neerdreunen. Er is in ons een grote leegte, een schrijnende pijn, een bijna verstikkende benauwenis. Het kreunt en klaagt in onze ziel, omdat er voor altijd iets is stuk gesprongen. Er is een wond geslagen, die hier niet meer genezen zal.

Woensdagmiddag hadden we een examen en daarna een korte vergadering. Holwerda was als steeds. Hij klaagde alleen over wat pijn tussen de schouderbladen. Maar verder was hij als altijd. Ernstig, actief, scherp, rustig. Met een fijn humoristisch opmerkinkje aan het adres van collega Jager — zo'n zetje als hij alleen doen kon — ging hij van ons weg. Heel gewoon.

En toen, een paar uur later, stond Ds Visée voor de deur. 't Gezicht grauw, de ogen vol ontzetting. Het scheurde uit zijn ziel: „Er is iets ontzettends gebeurd. Het is héél, héél erg. Benne is gestorven! — Wat doet God met ons? " Een ogenblik later stonden we bij zijn bed. De dood had zijn werk snel en grondig gedaan. Benne was niet meer. Hij was van ons weggegaan — voor altijd!

Wie wéét wat er onder ons is geschied?

Er is een gezin, dat reeds zo zwaar werd beproefd door het heengaan van een lief meiske van drie jaar. En daaruit is nu de Vader in één seconde weggeslagen. Een Vader zoals God die alleen in zijn genade geven kan. Ik zie de vrouw, de moeder en de vier kinderen steeds voor me en die grote, lege plaats. Ik besef er iets van wat zij missen en al meer en al schrijnender missen zullen. Ze moeten het nu hier zonder zijn trouwe üefde, zijn rustige, gróte kracht, zijn kinderlijke, sterke geloof en zijn gestage gebed moeten doen.

En er is een familie, waarin een harmonie, een gemeenschap des Geestes, een fijne, geheel op elkaar afgestemde liefde heerste, zoals ook alleen Gód in zijn grote genade geven kan. En daaruit is nu de innig geliefde oudste zoon, de oudste broer weggenomen.

En dan is er de Theologische Hogeschool!

Voor 'n vijf en twintig jaar leerde ik Benne Holwerda kennen. Een eenvoudige, bescheiden, teruggetrokken jongen. Toen zag ik voor het eerst zijn ogen. Ik weet nog goed, dat ik ze voor het eerst zag. En toen was het beslist. Toen was hij voor goed in mijn leven gekomen. Toen kende ik hem, het bleek achteraf, reeds geheel en al. Oprecht, trouw, zuiver, vroom. Nooit, nooit is hij tegengevallen. Nooit heb ik een onwaarheid, een onoprechtheid van hem beleefd. Neen, dat is geen goedkoop in-memoriam-zinnetje. Het is de simpele waarheid. Hij kwam in Kampen, na op schitterende wijze het gymnasium te hebben doorlopen. Dr van Deursen, één van zijn leraren, verzekerde mij eens, dat hij nooit zulke leerlingen had gehad als Holwerda en diens jongste broer. En in Kampen was hij ook weer gemakkelijk en als vanzelf de eerste, misschien óók wel de bescheidenste. Met de sterke concentratie, het prachtige geheugen en dat borende, zo uiterst fijn analyserende, verstand, waarmee God hem had begaafd, wierp hij zich op de studie. En je merkte het al gauw: hij zag meer en vooral scherper dan de anderen. Zijn studentenpreken waren van een geheel andere klasse dan gewoonlijk op het preekcoUege werd gehoord. En met een cum-laude-candidaatsbul ging hij de kerken in.

Toen begon pas zijn eigenlijke studie. Wat voorafging was slechts voorbereiding geweest. Schilders „Christus in zijn lijden" had hem in zijn studententijd hevig gegrepen. Het opende zijn ogen voor de mogelijkheid, dat er wat anders, wat diepers, wat rijkers was dan de traditionele, sterk dogmaticaal geïnfecteerde en daardoor zo dorre exegese. Greijdanus' nauwkeurige en grondige werkmethode gaf hem een andere, niet minder sterke impuls. In zijn eerste gemeente liep hij bovendien bij de voorbereiding van zijn catechismus-preken met E Voto al heel gauw hopeloos vast. Ik weet nog goed, hoe hij me daarover in de pastorie van Kantens vertelde. Met een ruk wendde hij toen het roer om. En sindsdien was er maar één ding dat hem bij al zijn studeren bezielde. Hij wilde de Schrift onderzoeken met alle hulpmiddelen die hij bemachtigen kon. Het was er hem van toen af aan om te doen het eigen woord van God, ontdaan, losgewrikt uit alle menselijke schematiek, weer te horen, te verstaan, zó als God het vandaag tot de kerk spreekt. O ja, ik weet het, dit klinkt heel simpel, bijna als een gemeenplaats. En van alle kanten knikken de mensen instemmend als je deze dingen zegt. Maar bij Holwerda betekende het een diep ingrijpende levensbeslissing en het werd het motief voor rusteloze, intense, grondige studie. Wat heeft hij gewerkt! Welk een literatuur beheerste hij toen reeds. Hoe groeide zijn kennis en inzicht. En al meer kreeg hij oog voor het concrete spreken van de Heilige Schrift. Steeds scherper ging het voor zijn geest leven, dat iedere dogmaticale of andere — ook de heilshistorische! — constructie volstrekt ontoereikend is om Gods Woord te horen en te verstaan. Wat Gods woord ons zegt — ik hoor het hem nog zeggen — kun je alleen d o o r g e v e n in preken ! Alle andere spreken daarover is verarming en verzwakking van Gods boodschap.

Holwerda wist het zo goed: evenmin als je een ronde bal in vierkante stukken kunt snijden om die daarna tot een vlak mozaiek samen te voegen, evenmin kun je het levende woord des HEEREN uitputtend, volledig in een constructie of schema opvangen en reproduceren. Wat was hij vuurbang voor alle mogelijke getheoretiseer en geeonstrueer over verkiezing, verbond, sacrament! Het ging hem alleen om het woord des HEREN. Dat is immers het enige waar men in deze wereld uit leven en op, 'IDOU^ wen kan. ilili^'ï"

Na de vrijmaking, op de synode van Enschede, werd hij benoemd tot hoogleraar in de uitlegging van het Oude Testament. We waren samen op die synode. We logeerden op hetzelfde adres. We wandelden samen na afloop van de zitting naar huis. Wat heeft het hem een moeite gekost die benoeming te aanvaarden! Want hij was vóór alles domine. herder! En de taak die hij in die benoeming op zich zag afkomen benauwde hem. Het prikkelde hem tot in de nieren als men luchthartig over de wetensehappeUjke beoefening van exegese der Heilige Schrift praatte.

Zeker, het was hem te doen om het eenvoudige, simpele woord van God. Maar hij was er zo diep van overtuigd, dat dat in de religieuze en theologische situatie, "waarmee de Kerk des Heren hier en nu te maken heeft, alleen door harde, taai volgehouden studie en een diep inleven in de Schrift kan worden gehoord en verstaan. Ten slotte volgde hij de roepstem der kerken. Hij durfde niet neen-zeggen. Hij rekende daarbij op de door de synode hem gul toegezegde steun.

En toen zagen we het gebeuren. Na wat zoeken en • tasten ontdekte hij wat hem te doen stond. Het was al scherper voor hem gaan leven, dat het boek Deuteronomium de sleutel is voor het verstaan van het Oude Testament. Van dat boek had zich daarom ook de critiek meester gemaakt om het gehele Oude Testament uiteen te rijten. Welnu, dan moest Deuteronomium eerst worden doorkropen. Daaraan wijdde hij voor alles zijn tijd en krachten. Een inderdaad enorme literatuur heeft hij daarvoor doorworsteld. Tegelijk analyseerde en critiseerde hij op zijn colleges de beginselen en fundamenten van de Schriftcritiek zo grondig als dat onder Gereformeerden nog nimmer was geschied. Als complement op zijn langzaam geduldig indringen in het vijfde bijbelboek begon hij wat later met een minutieuze studie van de historische boeken. Vanuit Deuteronomium moesten die worden verstaan en omgekeerd zou de historie, welke in deze boeken was beschreven, het gezicht op Mozes' vijfde boek verdiepen en verscherpen. Een arbeid van jaren en jaren was zo begonnen.

Wie Holweifda op deze studieweg volgde stond telkens verbaasd. Zonder enige ophef zwoegde hij voort. Steeds aan de grens van zijn krachten. Geen moeite was hem te veel. Zijn bibliotheek werd uniek. De bekende engelse semiticus Rowley, een vriend van Holwerda, stelde hem aan de leden van het leidse oriëntalisten-congres voor met de woorden: hij studeerde Nieuw Testament, hij doceert Oude Testament en zijn bibliotheek is de beste van ons allemaal! Verleden jaar leerde hij in korte tijd Zweeds om de belangrijke Zweedse oud-testamentici in eigen taal te kunnen lezen. Wat heeft hij een rijkdommen mogen opdelven. Er ging wat moois groeien. De Schriften sprongen open! Wie het meemaakte zal nooit vergeten hoe hij Jozua en Richteren uitlegde. Wat demonstreerde hij argeloos een wonderfijn taalgevoel. Wat was hij diep ingedrongen in het eigen-soortige spreken, het gedachtenkUmaat, de reli.gieuze tendenz van het Oude Testament. Als Holwerda eerbiedig en sober de oudtestamentische historie uitlegde, hoorden we de eeuwen-oude boodschap des HEREN aan zijn volk in aangrijpende actualiteit midden in het leven, de zonden, de worsteling van de kerk onzer dagen..

En toen — juist nadat de samenwerking met lector Lettinga, waarvan hij zich zoveel voorstelde tóch werkelijkheid was geworden — sloeg God hem neer. Met verbijstering staren we naar dat ontzettende gebeuren. Eerst nam de HERE Greijdanus weg. Maar diens werk was naar de mens gesproken af. Al wat hij gaarne had willen doen mocht hij voltooien. De rijke vrucht van zijn studie is in vele boeken voor 't grijpen! En toen velde God Schilder. Neen, diens werk — ik spreek weer naar de mens —• was niet af. Maar wat heeft hij toch ontzaglijk veel mogen geven. En zijn zijn werken niet een akker, die nog ontgonnen moet worden, een mijn waaruit vele rijkdommen kunnen worden opgedolven? En nu is Holwerda weggenomen! Bij hem stond alles in knop en bloei. Hier en daar rijpten de eerste vruchten. En nu — nu is alles voorbij. Nu gaan we hem begraven. Nu is het hart en dat edele hoQfd stilgezet. Nu zullen we nooit meer zijn warme stem horen. Nu ging heel

die schat van kennis verloren. Nu staren we in een grote, afschuwelijke leegte.

Maar er is nóg iets dat bij het heengaan van Holwerda onze ziel tot op de bodem toe ontroert.

Want er is, behalve de School, ja ver vóór haar en boven haar uit de kerk van onze Heer Jezus Christus. En zij leeft op een vulkaan. En ze wordt belaagd en bedreigd door Satan, zo listig en sluw, dat het niet is uit te spreken. Met alle middelen en door duizenden en duizenden handlangers werkt hij om haar krachteloos en machteloos te maken. Het liefst met behoud van de christelijke schijn.

En in de strijd op leven en dood stond Holwerda vooraan. Ondanks hemzelf. God had hem de gave geschonken van de beproeving der geesten. En zeer diep was de heiligheid van Gods wil in zijn ziel ingedrongen. En zo toegerust heeft hij in Christus' kerk zijn God gediend. Hoe heeft hij gepreekt! Ja, dat was profeteren! Want het ontmaskerde de boosheid van het hart. Het scheurde de ogen open voor de werkelijke zonden en de werkelijke nood van de kerk en het zong over Gods vrije, verkiezende genade. Wie hét Woord liefhad dronk zijn woorden in. Mijn ziel juichte toen ik hem hoorde, verzekerde mij eens Ds S. G. de Graaf. En hoe heeft Holwerda voor zijn schapen gezorgd! Beschamend. Hij kende ze en heeft met ze meegeleefd en meegebeden. Merkwaardig, deze door en door wetenschappelijke figuur, deze machtige prediker, was vóór alles de man van de pastorale zorg van de afzonderlijke schapen der kudde. Van al wat hij deed stond dat bij hem bovenaan. In zijn wijk ging zijn hart open. Wat is een mensenziel ook in vergelijking met alle wetenschap? En wat is de !• e d d i n g van een mensenziel in vergelijking met de grootste triumfen der cultuur?

Toen de grote oorlog uitbrak stond hij midden in de strijd. Onder zijn stille, onopvallende leiding werden massa's gevangenen uit de kampen van Amersfoort tijdens de transporten bevrijd. Honderden en honderden hebben in die tijden bij hem onderdak gevonden. Dat was Holwerda's pastorale bijdrage in de strijd der illegaliteit.

En toen kwam het allerzwaarste. Want toen stelde God de kerkelijke worsteling aan de orde. Ik heb hem daarin kunnen volgen van stap tot stap. Wat was hij voorzichtig. Wat was het zwaar voor hem te moeten bekennen dat het mis ging. Welk een weerstanden moesten overwonnen worden om het te erkennen, dat wat de synoden deden de kudde schond en verwarde. Maar toen hij dat zag aarzelde hij niet! Hij was de eerste, die zich metterdaad tegen de machtsusurpatie der synoden verzette. Hij ervoer ook het eerst de wreedheid en de hardheid van de hiërarchie. Welk een meesterstukken waren zijn bezwaarschriften. Hoe vlijmscherp ontleedde hij de kwesties waar het om ging. Wat werden alle schijnredeneringen en drogredenen in hun schamelheid en schandelijkheid aan de kaak gesteld. Welk een fijne dogmatische intuïtie spreidde hij in „Rondom „1905" " en zijn prachtige brochures ten toon. Hij deed en schreef alles zo zuiver. Het ging hem om de kerk, om de schapen van Christus. Welk een diepe bewogenheid .trilde er in het strakke rhythme van zijn zuiver doorvoelde zinnen. Allen wie hem hoorden beseften iets van de storm van ontroering, de felle pijn en de grote afschuw, die zijn ziel doorschokten als hij in sobere woorden sprak over de ontrouw, de lafheid, ja, het verraad van zoveel vrienden en collega's, aan wie hij zich eenmaal met al te gul geschonken vertrouwen in de gemeenschappelijke strijd om waarheid en puurheid had gegeven.

Zo was en bleef Holwerda herder. Dat was hij op de preekstoel en in de huizen. Dat was hij in de nationale en de kerkelijke strijd. Dat bleef hij op de katheder. Van Calvijn is eens geschreven: „Meer dan theoloog was hij herder. Of, nauwkeuriger gezegd: hij was alleen daarom theoloog om te beter herder te kunnen zijn, om aan zijn dienst groter kracht, . rijker effect te kunnen geven. De theologie was voor hem de dienstmaagd van de vroomheid en nimmer een doel in zichzelf!" Dit woord geldt ten volle van Holwerda. Meermalen sprak hij er in de laatste jaren over weer naar de pastorie terug te keren. Vooral tijdens de laatst gehouden synode heeft het overredingskracht gekost hem daarvan terug te houden! En dat was niet omdat het wetenschappelijk werk hem niet lag. En nog minder omdat hij zich aan de Hogeschool niet thuis voelde. Maar dat kwam vooral voort uit de hunkering van zijn pastorale hart naar de schapen van de goede Herder.

En nu is dat alles alles voorbij.

Wij zullen zijn fijne kop niet meer zien, zijn warme stem niet meer horen, zijn wijze woorden niet meer kunnen opvangen. We zullen niet meer genieten van zijn humor, die was als het spelen van het zonnelicht op rustig voortstromend diep water. We zullen niet meer vertroost kunnen worden door de wonderlijke rust en zachtheid die uit zijn wezen straalde. De HERE heeft de zware last — heeft men die niet wel eens zwaarder gemaakt dan nodig, was ? — van hem afgenomen. De HERE had hém een diepe kijk gegeven in de gebrokenheid, de betrekkelflkheid van dit leven. Hij beleefde het zeer diep, dat wij hier alles bezitten als niet bezittende. En dat het einde van alle dingen is het: vreest God en houdt zijn geboden. Ik hoor het hem nog zeggen.— hij had het toen over de Schriftcritiek —: Ze scheuren de bijbel helemaal uit elkaar en dat is nu wel het enige dat wij in deze wereld werkeUjk hébben! O neen, hij was in 't minst niet pessimistisch of somber. Dat leek voor oppervlakkigen wel eens zo. Maar dat is niet waar. Wat men somberheid noemde was niets anders dan het door en door verstaan en beleven van het paulinische woord, dat de gedaante dezer wereld voorbij gaat. Hij leefde al meer in de gespannen verwachting van het komende rijk van zijn Heer en Heiland. „Tot de dag aanlicht" was voor hem veel meer dan een boektitel! Het was de vertolking van wat meer dan iets anders zijn hart vervulde. Hij leefde op de grens van deze ondergaande en de toekomende wereld. Er is maar •een heel dunne wand tussen die twee, zei hij me eens — wat moet het mooi zijn daar opeens doorheen te mogen gaan. Dat heeft God hem gegeven.

En nu is hij bij ons vandaan. Nu is hij bij „Zusje" naar wie hij zo onuitsprekelijk verlangde. Nu is hij bij Schilder, die hij al meer waardeerde en liefkreeg. Nu spreken ze misschien wel samen over onze zorg.

onze strijd — onze zonden. Nu roepen ook zij met de andere verlosten: Here, hoe lang nog?

Maar van ons heeft de HERE weer één weggenomen, wiens liefde en trouw meer was dan een pen beschrijven kan. Nog dieper heeft God ons in de eenzaamheid gestoten. Waarom, zo kreunt het in onze ziel, waarom hij, waarom ik niet of een ander. Zou dat niet beter zijn geweest?

Als onze gedachten zich nu vermenigvuldigen, als ze her- en derwaarts gaan, als we in de wirwar van ontroering en smart geen weg en geen raad meer weten, dan is er ten slotte één ding, dat ons grijpen en vasthouden moet, broeders.

Het is dit, dat de HERE heeft gesproken. Dat deed Hij door het wegrukken van Schilder, dat doet Hij nu nóg sterker, nog nadrukkelijker door het van ons wegscheuren van Benne Holwerda. De HERE staat groot en geduldig midden onder ons. Hij heeft op ontzaglijke wijze onder ons geopenbaard dat Hij er is. Hij heeft ons beetgenomen en door elkaar gesmakt, zó dat horen en zien ons vergaat!

Zullen wij het nu weten, waarachtig wéten, dat de HERE er is en dat Hij spreekt? Zullen we Hem nu wéér honen en sarren- met holle woorden over God die sloeg, terwijl we er niet door gebroken worden, terwijl we er niet door veranderd worden? Zullen we nu eindeUjk eens z w ij g e n voor de levende God ? Of zullen wé weer beginnen te ratelen en te kakelen over onze zaakjes, belangetjes, ideetjes ?

Wij, wij hebben gezondigd! Wij staan in de donder Gods met onze kleinzieligheid, onze lichtgeraaktheid, onze eigengereidheid, onze réchthaberei, onze koppigheid. Wij, ..yij, .misgaan Qns. aan', het, , bespottelijke en goddeloze zich vastbijten in „principes" en kwesties. Wij hebben onze harten laten verkillen voor elkaar. Wij willen niet werkelijk de minste zijn. Wij houden aan „ons" recht vast en we wagen er de kerk aan. Wij bazelen over „gehoorzaamheid" met allerlei toevoegsels en wij hebben niet verstaan, dat de kern van Gods wet is: de boosheid wèg te doen, en wijde, diepe barmhartigheid en het allesbeheersend vertrouwen op God (Matth. 23 : 23). Wat hebben we er weinig van verstaan, dat de ganse religie welke de HERE van ons vraagt niets, niets anders is dan ootmoed en het onderlinge liefdevolle dienen van God en alle broeders — ook al zouden we er bij ondergaan. Wij hadden, na alles wat de HERE ons in zijn genade gegeven had, moeten en kunnen zijn een kerk die een haard van liefde en warmte is midden in een ijskoude wereld, een helder brandend licht in een donkere nacht, een oase van leven die velen, velen lokt — en ach wat zijn wij!

Neen, het is niet precies te zeggen wat God in zijn ontzaglijke daden onder ons te zeggen heeft.

Maar dit weten we zeker: het oordeel begint bij het huis Gods, opdat het niet geheel zou ondergaan.

Dit weten we zeker, dat de HERE degenen, die Hij liefheeft kastijdt, soms schijnbaar meedogenloos hard, opdat ze eindelijk, eindelijk hun zonden zouden loslaten, opdat ze toch nog, al is het ternauwernood, zalig zouden worden.

Dit weten we zeker, dat als Gods donderslagen over de mensen dreunen, zijn kinderen bevend het hoofd buien en roepen: HEER, erbarm U onzer en ga niet met ons in het gericht.

Laten allen, die zich buigen onder de slaande hand Gods, nu opstaan en ootmoedig en trouw hun roeping vervullen. De HERE i s trouw voor zijn volk. Zijn kinderen zijn veilig bij Hem. Hij houdt zijn kerk in stand. Graag dóór ons. Als 't moet ondanks ons. Hij slaat hen weg op wie wij wellicht te veel vertrouwden, op wie wij ons misschien verhovaardigden. Hij breekt mensenkrachten stuk, opdat wij zouden leren alles inderdaad van Hem alleen te verwachten, opdat alle eer alléén voor Hem zoude zijn.

In mijn gedachten leeft steeds een simpel versje. Het werd geboren in het zwarte jaar 1876. Het leek in het begin van dat jaar zo prachtig te gaan met de worsteling om in kerk en volk het leven weer te dringen naar de gehoorzaamheid aan de wil van God. Kuyper kreeg als een g9, ve des hemels een buitengewoon begaafd theoloog, een zoon van Prof. Doedes naast zich. En toen vielen de slagen. Doedes stierf binnen een paar dagen aan een hevige longontsteking. Kuyper stortte zo volkomen ineen, dat ieder aan zijn herstel twijfelde en hij anderhalf jaar tot volstrekt nietsdoen werd gedoemd. Hij kon in die dagen, ver van zijn vaderland, alleen maar bidden: O God, stil de stormen, die mijn ziel ontrusten. In dezelfde tijd stierf de christenstaatsman Mr Aeneas baron Mackay. En nog vóór deze in zijn familiegraf was bijgezet kwam het verpletterende bericht, dat Jhr Mr J. W. van Loon, een van de zéér weinige getrouwe kamerleden, en dat vlak voor de behandeling van.de Hogeronderwijswet, op straat door een hartaanval werd getroffen en na enkele ogenblikken stierf. En in Mei van dat jaar nam God de grootste van allen weg: Mr Groen van Prinsterer. En alsof het nog niet genoeg was: ook Heldring keerde weer tot het stof.

Toen was het volk Gods wel zeer ontbloot. En toen in die dagen zong Soera Rana (de oud-resident van Timor, die zich in die dagen geheel aan de straatprediking gaf, Isaac Esser Jr):

De helden zijn gevallen. De besten heengegaan: De vele duizendtallen Des vijands groeien aan.

Wij zouden wel versagen Voor hun geduchte macht. Daar wufte spotters vragen: Waar ligt dan thans uw kracht?

Maar vluchten ook verraad'ren, Getrouwe zonen niet! Zij kennen nog der yaad'ren Ootmoedig krijgsmanslied;

En of hun hoop mocht falen En gans te schande werd. Zij zullen 't nog herhalen. Zij 't met verbrijzeld hart:

Mijn schild en mijn betrouwen Zijt Gij, o God, mijn Heer! Op U zo wil ik bouwen. Verlaat mij nimmermeer! . - . , .

De HERE geve in zijn barmhartigheid dit vertrouwen in onze harten.

Hij geve zijn genade, die altijd genoeg is, aan de familie Holwerda, de kerken, die Hij vrijmaakte en

haar zo zwaar geslagen en beproefde School.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 mei 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

DE HERE HEEFT GESPROKEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 mei 1952

De Reformatie | 8 Pagina's