GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Het Calaninistisch karakter van den heidelbergschen catechismus,

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Het Calaninistisch karakter van den heidelbergschen catechismus,

10 minuten leestijd

DOOR Ar. 1. ZAHN.

Het is de belijdenis der geheele Evangelische kerk, dat God alleen in vrije genade zijnen uitverkorenen, die anders aan de overige menschen geheel gelijk zijn, het geloof schenkt, volgens de grondwet van het koninkrijk der hemelen, die reeds aan Mozes geopenbaard werd: »Zoo Ik genadig ben, zoo ben Ik genadig, en wiens Ik mij erbarme, diens erbarm Ik Mij, " dat is, genade is geheel genade en erbarming is geheel erbarming, in zichzelve onafhankelijk en vrij, en in den raensch niets vindende dan ellende. Dat is ook de springveer der Reformatie in alle landen.

Toen Melanchthon, uit pratkisch belang, evenals een leermeester, die ieder leerstuk zóó behandelt, dat de mensch daardoor verbeterd wordt, van de leer der beschikking zich meer losmaakte, heeft hij deze in de veran­

derde Augsburgsche Confessie van 1540 in het geheel niet behandeld. Slechts zegt hij in Art. 20: »Het is niet noodig, hier over de praedestinatie en dergelijke dingen te spreken, want de belofte van de vergeving der zonden is algemeen." Wel is waar zag men in de verbeterde Augsburgsche Confessie de goede verklaring der uitgave van 1530 (zoo spreekt de Naumburgsche vorstendag van 1561 zich uit) i), maar wijl zij van de praedestinatie zwijgt, mag men vragen, of dit daarvoor of daartegen iets bewijst? Ook Calvijn heeft haar gaarne en vrijwillig onderteekend, ofschoon de verhouding der Gereformeerden tot haar altijd iets verwards en duisters had. Melanchthon was nu eens met Calvijn niet tevreden en berispte hem: dan weer verklaarde hij, dat hij geheel met hem overeenstemde. In het laatste geval was hij meer beleefd dan waar, zooals de staatsburgers meenden 2).

De veelvuldige veranderingen en wankelingen van Melanchthon op het stuk der bekeering bewijzen niets tegen het algemeen getuigenis der geheele Evangelische kerk, dat het geloof een vrije genadegave Gods zij in de harten der uitverkorenen. Zelfs ijverige Lutheranen, als Heshusius en Brentius, hebben daaraan onwrikbaar vastgehouden.

i) Vergel. Ranke: Deutsche Geschichte im Zeitalt der Reformation. B. 5 bl. 363. De vrede van Westfalen haalt de Augsburgsche" Confessie van 1530 aan. 2) Van Synergisme (medewerking van deii mensch tot zijne z.iligheid) is ook in de verbeterde Augsburgsche Confessie geen sprake.

De laatste spreekt in zijne verklaring op het Evangelie van Johannes geheel in den geest van Calvijn. Deze leer der voorbeschikking kan tot een uitgebreid theologisch systeem bewerkt worden, zooals dit de Gereformeerde dogmatici ook gedaan hebben i), en tegen dat systaem kunnen duizenderlei bezwaren en bedenkingen opkomen.Ook hebben ze zich, zelfs in streng Gereformeerde kringen, daartegen verheven, maar deze ééne stelling blijft voor het volksonderwijs en als gemeenschappelijke grondslag des geloofs onveranderlijk staan: „De oorzake des geloofs is Gods vrije genade en zijn welbehagen." Alleen hij, die dit belijdt, is Evangelisch en dat is ook Gereformeerd, zooals dan ook in de gemeenschappelijke belijdenis (Formula concordiae) de Evangelische kerk de Gereformeerde heet. Alle Gereformeerde dogmatici, ook de Duitsche, zijn eenstemmig in de leer van de eenige oorzake des geloofs als in God te vinden en van de onbekwaamheid van alle menschen, om zich aan zulk een geloof over te geven of het ook in eigen, kracht te behouden. Deze waarheid heeft de geheele geloovige en ongeloovige theologie dezer eeuw prijsgegeven en in de plaats daarvan de dwaling gesteld, dat God aan alle menschen zijn genadigen bijstand aanbiedt tot bekeering en dat deze nu in de kracht en beslissing des menschen ligt, dezen bijstand aan te nemen. Daarmede wordt, ten eerste, de vrijheid van Gods genade vernietigd en, ten tweede, een onderscheid tusschen mensch

i) Te Marburg werden zij daartoe niet verplicht.

en mensch gemaakt (de een wil en daarom kan hij ook, de andere wil niet en daarom kan hij ook niet), die het algemeen zondig verderf, waarin de mensch ligt, tenietdoet. Terwijl de eene mensch boven zijn natuurgenoot wil en kan, en dit nog wel door eigen kracht, heeft hij boven dezen een oneindigen voorsprong, die voor de eeuwigheid beteekenis heeft. Daarbij is het onbegrijpelijk, waarom, daar allen, tot wie het Woord Gods komt, kunnen, toch weinigen werkelijk van deze kracht gebruik maken. Het ïExamen" gaat voort: Volgt hieruit, dat God de schuld is van des menschen verdoemenis? " Antwoord : »Dat zij verre! God is een rechtvaardig God, die niemand verdoemt, dan om der zonde wil. Hij heeft echter ook macht om te doen met het zijne, wat Hij wil, zoodat niemand daarover met Hem rechten mag. Math. 20 : 15 ; Rom. 9 : 10." Hier zou hebben kunnen volgen de bespreking van wat men gewoonlijk de algemeene genade noemt, dat is het getuigenis en de weldaad Gods in de schepping, de wijze opvoeding der Voorzienigheid, in elk menschenleven openbaar, de uitwendige roeping van velen, de arbeid Gods aan de menschheid tot haar heil, want Hij is de helper van allen en wil (let hier op het gewichtig onderscheid tusschen decreet [besluit] en wil) niet, dat iemand verloren ga. Waarom echter deze algemeene genade niet tot bekeering leidt is eene verborgenheid, in God en ten slotteinzijnesouvereiniteit en vrijheid gegrond.

DE GAAY FORTMAn.

Reeds in Handelingen 5 ziet ge de sombere gestalten van Ananias en Saffira voor u opkomen en onder het schriklijk oordeel Gods voorbijgaan. De nachtuil heeft reeds gehuild in het geboomte.

De wateren der ongerechtigheid zijn reeds weer losgelaten. Wat gruwel der bloedschending reeds in Corinthes gemeente! Wat verdeeldheid aan allen kant! Wat klaagtonen uit alle hoeken der •wereld! Pas was de vriendelijke morgenster begonnen te flonkeren, of haar glans was reeds uitgebluscht.

En wat schier nog erger dan die bloedschande in Corinthe benauwt, het is^ wat Paulus uit zijn gevangenschap aan de kerk te Filippi van de voorgangers klaagt. Die voorgangers, in zijn omgeving, och, ze zochten op één na allen het hunne 1 Denk u die tegenstelling, zoo hard en zoo schreiend!

Te Jeruzalem nog pas »alle dingen gemeen" en de glans eener hemelsche liefde over de zelfzucht van het Jodenhart triomfeerend. En nu in die kerk van Jezus zelve de baatzucht en zelfzucht reeds weer ingeslopen, ja voortgewoekerd tot bij de voorgangers der kudde.

Zij zoeken allen het hunne! Kerk van Christus! bedekt ge niet met wee; moed en met zelfaanklacht het straks nog zoo argeloos van vreugde blinkend gelaat V

Denk u eens in, wat dit voor Paulus moet geweest zijn! Zij zoeken 'uilen het hmsne ! En dat niettegenstaande Paulus naar Corinthe zijn zegelied der Liefde had gezonden! Ja meer nog, niettegenstaande hijzelf alles ontbeerde en zich alle gemis en berooving getroostte, opdat maar de zaak van Jezus' kerk triomfeeren mocht.

Hij, de man, die zich speende aan het huwelijk; die geen geld aannam, maar met zijn hand het zeildoek knipte en saamsnoerde, om een stuk brood te verdienen; die desniettemin honger en dorst had geleden; die op straat bloot had gestaan aan geweldenarij; en die nufom de zaak des Heeren gevangenzat. En die zoo bijna ganschelijk verloochende Paulus, hij moest in zijn gevangenschap aan Filippi's kerk klagen: Ze zoeken allen hei hunne ! Op Timotheüs na I

De zaak van Paulus was nu in discrediet. Hij zat gevangen. Hij scheen een verwonneling. Er was met bij Paulus te komen geen eer of invloed meer te winnen. En nu droop de één voor, de ander na af. Er was wel plichtsvervulling, maar er glinsterde geen geestdrift. Er was meegaan, maar geen stille, geblinddoekte toewijding. Er was wel geen tegenstand, maar er was ook niet die gulle, die naar niets vragende, zich gaarne gevende dienstvaardigheid van hart.

En dat zegt Paulus natuurlijk van hen, die voor moesten gaan; want hij spreekt van die personen, die hij in plaats van Timotheüs had kunnen zenden. En van die mannen nu deed hij, als gevangene, de droeve ervaring op, dat ze altoos een verontschuldiging hadden; altoos met bezwaren kwamen aandragen; altoos een reden van uitstel hadden. Och, Paulus las het in dat oog en hoorde het aan die stem wel. Er was berekening, er was het gulle hart niet. Er was een bezigzijn met allerlei bedenkselen van eigen eer en eigen positie en eigen voornaamheid en eigen toekomst. En de moed van den held, die naar geen kansen vraagt, maar zich met geestdrift op den vijand werpt, die was er niet.

En waar ligt dat nu aan? Was het alleen toen zoo droef met ons menschelijk hart gesteld en was het bijv. in de dagen der Hervorming beter? Lieve broeders, maakt u van ^ie Hervormingsdagen toch geen te schoone en daardoor onwaarachtige voorstelling. Och, ook de enkele helden van toen hebben zoo bitter geklaagd en zijn zoo bitter teleurgesteld. Ze zochten allen het hunne! het is de grondtoon van wat ook Calvijn en Zwingli, van wat Willem de Zwijger en Marnix ons toeroepen! De warme, innige, van geestdrift blakende zielen die zich gaven, ze waren ook toen zoo weinig in getal!

Ja, uit wat tijd van Christelijke opwekking, uit wat bloeitijd van Christelijk leven gij de intieme klacht der enkele doortastenden ook opvangt, het is altoos weer wat Paulus uit zijn cel en banden naar Filippi riep: Helaas, ze zoeken allen het hunne! Niet, versta dit wel, alsof én toen én in Cal-"fijns dagen, én later, al die personen doortrapte, zelfzuchtige huichelaars waren. o, Paulus denkt er van verre niet aan, om zoo voorbarig oordeel te vellen. Neen, maar over de zwakheid der zonde klaagt hij, die als een worm bij den beste aan de vrucht des geloofs knaagt! Er is wel genade. Soms komt die genade zelfs zeer lieflijk ên vriendelijk uit en ook Paulus heeft van dien zoeten teug der liefde genoten. Maar — en dit is het bittere — als het op kloeke daden aankomt, och, dan strengelt zich de woekerplant der zonde nog weer zoo gedurig om de genade heen, dat ze bijna geheel schuilgaat, en ge' niets dan zelfzucht en berekening ziet. Bedenk wel, Paulus had niet alleen den jubelzang der liefde in i Cor. 13, maar, ook den klaagzang over het eigen-hart in Röm. 7 gezongen. »Het goede dat ik doen wil, doe ik niet, en het kwade dat ik niet wil, doe ik!"

Van twee dingen laat dit u een diepen indruk achter. Allereerst van de ontzettende verwoesting der zonde in het menschelijk hart, zoo bij u, als bij uw beste vrienden.

„Van nature geneigd om God en mijn naaste te haten"', hadden we van jongsaf uit onzen Catechismus geleerd, maar dat harde zeggen toch wel wat ruw gevonden. Tot we wat ouder werden en met ons eigen hart meer kennis maakten, en meer kennis kregen van anderer hart, en meer achter de schermen zagen, en meer merkten, hoe het leven eigenlijk toeging. En toen ging die illusie weg. Neen, de zonde is wel zeer wezenlijk een schrikkelijke verwoesting.

En dat het tot in Jezus' kerk en tot zelfs onder de beste voorgangers in die kerk soms zoo bitter zelfzuchtig toegaat, neen, het pleit tegen het heil niet, maar wel openbaart het op schriklijke wijze die duivelsche macht der zonde, die tot zelfs aan de beste vruchten knagen komt.

Maar juist daarom laat Paulus' klacht u ook nog een anderen indruk achter. Een indruk van de macht, ja, de almacht der genade.

Wie de schrikkelijke verwoesting der zonde niet kent, die heeft van de genade maar o, zoo kleine gedachte. Dien is het, alsof het niets kostte, om de zelfzucht van een menschenkind te verkeeren in toewijding en verloochening. Maar als ge voor die macht der zonde gebeefd en gesidderd hebt, en ge vindt dan én toen én nu nog zoo menigen Timotheüs, al is het er ook maar één in uw omgeving, dan aanbidt ge die wondere genade, die zoo den distel in een mirteboom omzette. En het is u een eeuwig teeken. Een teeken, dat u niet weersproken kan worden; ook niet door de grievendste teleurstelling van uw hart.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1888

De Heraut | 4 Pagina's

Het Calaninistisch karakter van den heidelbergschen catechismus,

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1888

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren