GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Jngezonden Stukken.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jngezonden Stukken.

8 minuten leestijd

{Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie.)

Koog-Zaandijk, 4 Juni 1889.

Mijnheer de Redacteur! In het jaarverslag der »Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs", dat ik dezer dagen gelegenheid had om te lezen, wordt uit het district Dordrecht medegedeeld, dat er aldaar zijn, die een meer bepaald Gereformeerden grondslag voor het lager onderwijs begeeren, dan de Vereeniging biedt.

Mag ik naar aanleiding van dit bericht, voor het volgende bescheidenlijk een plaats verzoeken?

Op de vraag toch, of de eisch wettig is, dat ook de school op dezen grondslag staat, moet m. i. toestemmend geantwoord.

Vooreerst toch is er geen opvoeding, zooals tenminste de Christelijke school bedoelt, denkbaar, zonder dat de opvoeder weet, waartoe het voorwerp der opvoeding bestemd is; welke de luerkelijke toestand van dat voorwerp is, en langs wat weg alleen het die bestemming kan bereiken. En vermits nu alleen de Schrift o^ die vragen het antwoord geeft en de kerken Christi, ter voorkoming van verkeerde opvatting, dat antwoord in hun Belijdenisschriften hebben geformuleerd., is het niet meer dan natuurlijk, dat er tusschen den grondslag der schoolopvoeding en de belijdenis der kerk overeenstemming bestaat. Met name geldt dit van van de belijdenis der Gereformeerde kerken, die zuiverder dan eenige andere het oppergezag der Schrift, Gods vrijmacht, zijn verheerlijking als eerste doel van ons leven, 's menschen volstrekte afhankelijkheid van God en zijn geheele verdorvenheid uitspreekt.

Hier komt in de tweede plaats bij, dat de kerk verplicht en dus ook gerechtigd is om te waken, dat de schoolopvoeding niet de kinderen aftrekt van wat zij op grond van de Schrijt als waarheid belijdt. Immers bij den Doop van de kleine kinderen der geloovigen heeft de kerk de ouders de belofte doen afleggen, dat zij deze kinderen, als zij tot hun verstand zouden gekomen zijn, in de voorzeide leer zouden onderwijzen of doen en helpen onderwijzen. En het is juist op grond van de Doopbelofte, dat vooral sedert r8s7, op voorgang van Groen van Prinsterer, met name door predikanten aan Christenouders de verplichting is op het harte gebonden om eigen scholen te stichten tegenover ecne Overheidsschool, die niet meer beantwoordde aan den eisch des Heiligen Doops. Maar juist daarom heeft de kerk recht om waarborg te eischen, dat niet op de Christelijke school leeringen aan het kind worden ingeprent, strijdig met wat zij en de ouders hebben »bekend, de waarachtige en volkomene leer der zaligheid te zijn."

Evenwel verdient het, ten derde, overweging, of dit Gereformeerd karakter van het onderwijs al dan niet den eisch medebrengt, dat de onderwijzers de Formulieren van Eenigheid moeten onderteekenen, en de kinderen den Heidelbergschen Catechismus leeren. In de Dordtsche Kerkenorde \) komt de bepaling voor: «Insgelijks zullen ook de schoolmeesters gehouden zijn, de Artikelen als boven 2), of in de plaats van die, den Christelijken Catechismus te onderteekenen." Hier is dus geen sprake van de vijf artikelen tegen de Remonstranten.

v In de door de heeren DD. Van Kasteel en v Van den. Bergh bezorgde uitgave dezer Kerkenorde is dit artikel tusschen twee haakjes, waarmede zij, blijkens de voorrede, willen te kennen, geven, dat het, wegens den veranderden staatkundigen toestand, in sommige kerken niet toepasselijk verklaard is. En t voor eenige jaren zijn in dit blad, onder den tCc titel: Afbakening der grenzen., een viertal artikelen geplaatst, waarin, zoo ik wél heb, de stelling ontwikkeld weid, dat de Christelijke school niet geroepen is om het kind voor de t eeuwigheid op te leiden, en evenmin om het D tot een waardig lid van Gods Kerk op aarde A te vormen, maar om het aldus op te voeden, dat het als lid der maatschappijni^^-c €\iQ!a.yz.Xi V ^s Heeren Woord kan leven. En vergis ik mij W niet, dan is dit ook zoo.

De Christelijke school toch mag noch de taak der ouders, nocli het werk der catechisatie overnemen. Dan toch maakt ze zich schuldig aan de zonde, dat ze »zich met eens anders doen bemoeit." 3) Maar daarom is het dan ook noodig, dat we er ons helder bewust van zijn, niet enkel dat ze niet dient om onderwijs te geven in »de leer, die naar de Godzaligheid is", zooals de Liberalen het wel zouden willen doen voorkomen, maar ook waai toe ze wel dient. Immers door het doel, , dat de onderwijzer zich heeft voor te stellen, wordt ook de inhoud bepaald der belijdenis, waarop het onderwijs als op zijn grondslag rusten, of liever waardoor het bezield worden moet. Als er van «Gereformeerde belijdenis" sprake is, denken we bijkans altijd óf aan de XXXVII artikelen, óf aan de Formulieren van Eenigheid. Het is echter goed om op te merken, dat de Hervorming, waarvan Calvijn in Gods hand de hoofdbewerker was, juist daardoor van die van Luther zich onderscheidt, dat ze tegenover Rome een eigen levensbeschoiiwing heeft geplaatst, d. w. z. voor elketi levenskring een eigen beginsel uit de Schrift heeft afgeleid. Zoo b. v. hebben de Gereformeerden uit die Schrift niet enkel eene belijdenis voor de kerk, maar ook een belijdenis voor-het staatkundig gebied afgeleid 4). Voorzooveel ons land aangaat, mag het bekende ^Program" als »de Gereformeerde Belijdenis op staatkundig gebied" beschouwd worden. En in dien zin nu is m. i. de vraag gewettigd, of de mannen van het Christelijk onderwijs, bij voortgaande ontwikkeling ervan, er niet naar moeten streven, om van lieverlede te geraken tot een Gereformeerde schoolhtXiy denis, gelijk we reeds een Gereformeerde kerken staatkundige belijdenis hebben. En deze .ff/W/belijdenis, en niet de belijdenisschriften der kerk, zou. dan de regel zijn, die voor toelating in of sluiting buiten de school beslist.

Alleen moeten hierbij twee dingen in het oog gehouden. Vooreerst dat b.v. Ltithersche of Doopsgezinde ouders volkomen vrij moeten blijven om een onderwijs te hebben, gelijk dat door hun Luthersche of Doopsgezinde opvatting wordt geëischt. Dit vloeit rechtstreeks voort uit het door ons tegen de Liberalen verdedigde beginsel, dat de school aan de ouders en niet aan de Overheid behoort. En elk pogen om aan kinderen van Luthersche of Doopsgezinde ouders op wat wijs ook een Gereformeerd onderwijs op te dringen, moet als schending van dit beginsel veroordeeld. En ten tweede heeft de Kerk van Christus te allen tijde het recht om te verklaren, of zij & \t. schoolht\\id.tms goed of verkeerd acht, en in het laatste geval middelen te beramen, om de kinderen, die tot haar behooren, buiten den schadelijken invloed van zulk eene school te houden, gelijk Dr.

Kuyper denzelfden regel voor het Hooger Onderwijs aangeeft 5), En komen we nu terug op dat streven naar een lager onderwijs op Gereformeerden grondslag, dan zij het mij vergund, met bescheidenheid als mijne gedachte uit te spreken, dat voor Gereformeerden het plaatsen van een andere naast een bestaande Christelijke school slechts in drie gevallen geoorloofd is. Vooreerst als de kinderen de deuren van een Christelijke school uitgezet of er buiten gesloten worden, wijl de ouders vóór of tegm de kerken in doleantie partij kiezen, gelijk het eerste geval zich b.v. te Amsterdam en Rotterdam heeft voorgedaan. Dan toch zijn de ouders wel genoodzaakt om een eigen school te stichten, opdat hunne kinderen niet van onderwijs verstoken blijven. Zeker zullen alle Christelijke onderwijzers beamen, dat de school niet moet dienen, om de kinderen vóór of tegen de doleerende kerken in te nemen* Het tweede geval is dit, wanneer het onderwijs dienen moet, om aan het kind denkbeelden in te prenten, die met de belijdenis van Gods Kerk in strijd zijn.

Wierd b.v. aan het kind geleerd, dat niet alles waar is, wat in den Bijbel staat; dat een mensch ten deele zichzelven kan zalig maken; dat men altijd aan de bestaande machten zich moet onderwerpen en dus elk verzet tegen machten in de kerk of breken van de eenheid der kerk zonde is, dan zouden Gereformeerde ouders en desnoods de kerken wel verplicht zijn, om de kinderen uit zulk eene school te verwijderen, tenzij het gelukte om den onderwijzer öf van zijn valsche leeringen terug te brengen, öf hem te doen verwijderen.

Het zou immers ongerijmd zijn, dat de kerken wel toezagen, dat in hun midden geen valsche leer werd verbreid, maar het rustig lieten begaan, dat dit door de school geschiedde. En het derde geval [is, indien de geschiedenis van ons vaderland vervalscht wierd. Dat deden de Liberalen met betrekking tot de worsteling onzer vaderen tegen Spanje en Rome, en was een der hoofdgrieven van ons Christenvolk tegen hunne school. En indien het geval zich voordeed, dat ijveraars voor de organisatie van 1816 er toe kwamen, om in de Christelijke school de meening te doen binnensluipen, dat de Hervormers verkeerd gedaan hebben, toen ze braken met den paus van Rome, of ook zulke Irenischen, die eigenlijk Arminianen zijn, er toe kwamen, om in de Christelijke school de worsteling onzer vaderen tegen de Remonstranten als bekrompen ijver voor duistere en min belangrijke leerstukken voor te stellen, dan zou het onverantwoordelijk zijn, indien Gereformeerde ouders hiertegen niet met nadruk in verzet kwamen.

Natuurlijk kunnen er ook andere gevallen zijn, die een Christelijke school onbruikbaar zouden maken, b.v. ^//christelijk gedrag van een onderwijzer. Thans echter wenschte ik enkel op die gevallen te wijzen, die uit de tegenwoordige toestanden voortvloeien of kunnen voortvloeien.

Met de opneming dezer regelen zult U zeer verplichten. Mijnheer de Redacteur, hem, die zich noemt,

Met achting

uw dienstw. dienaar

G. MiLO.

i) Artikel LIV. 2) Te welen vau de Nederlandsche Geloofsbelijdenis 3) i Petr. IV vers 16. 5) Strikt genomen bl. 209 en 210 4) Dr A. Kuyper. Het Cal vinisme oorsprong en waarborg onzer constitutioueele vrijheden. Een Nederlandsche gedachte, bl. 11.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juli 1889

De Heraut | 2 Pagina's

Jngezonden Stukken.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juli 1889

De Heraut | 2 Pagina's