GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van het heilig Avondmaal.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Van het heilig Avondmaal.

15 minuten leestijd

ZOXDAGSAFDEELI.\G XXIx'

En hij nam brood, en als hij gedankt had, brak hij het, en gaf het hun, zeggende: at is raijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; _ doet dat tot mijne gedachtenis. Lukas 22 : 19.

V.

Zoo gaat er dan in het Sacrament des heiligen Avondmaals eene goddelijke werking op de zielen der geloovigen uit; eene actie van den Drieëenigen God, waarin, allhans tot op zekere hoogte, zeer wel de werking des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes te onderscheiden is.

Hiermede is echter de uitwerking van deze goddelijke actie op de geloovigen nog niet toegelicht, en zoo bHjfc ons dus nog de vraag te beantwoorden: Wat grijpt er, I tengevolge van deze goddelijke inwerking, i door en onder het gebruik van het sacra-' ment des heiligen Avonemaal.», in het hart van den geloovige plaats?

Met opzet zeiden we: in het hart van den geloovige. Jmmers er zijn ook thans weer dwaaileeraars opgestaan, die desacramenteele. werking van het heilig Avondmaal niet tot het hart beperken, maar ons pogen aan te prediken, dat er bij en door het heil'g Avondmaal ook een actie op ons lichaam plaats grijpt.

Deze dwaalleeraars raakten allen min of meer op Pantheïstische wegen verdoold. Het Pantheïsme toch is die zienswijze, die de grenzen en onderscheidingen tusschen God en de wereld, geest en stof, ziel en lichaam enz., verzwakt én opheft, ook al belijdt men daarbg nog te gelooven aaa het persoonlijk bestaan van God. De mannen dezer richting passen hier nu die uitwissching van de grenzen tusschen ziel en lichaam op tweeërlei manier toe. Vooreerst toch zeggen ze, dat in den verheerlijkten Christus het lichaam geestelijke eigenschappen bezit; en ten tweede leeren ze, dat op het lichaam van den geloovige eene geestelijke werking van de ziel uitgaat. Blijkbaar heeft men dus te doen met een dwaalleer, die op Lutherschen bodem ontstond. De Luthcrsche kerk toch had beleden, dat in den verheerlijkten Christus de eigenschappen van aijn goddelijke natuur zich mededeelden aan en overgingen op zijn menschelijke natuur. Goddelijke en menschelijke natuur waren dus in den verheerlijkten Christus tot een soort Godmenschelijke natuur saam ge vlochten, zooal niet saamgesmolten. Ook de menschelijke natuur van den verheerlijkten Christus was dus alomtegenwoordig; en daar nu deze goddelijke eigenschap aan geheel Jezus' menschelijke natuur, d. w. z. zoowel aan zijn lichaam als aan zijn ziel werd toegekend, wierd het principieele onderscheid tusschen Jezus' lichaam en Jezus' ziel metterdaad opgeheven. En vandaar dat latere dwaalleeraars slechts aan dezen draad behoefden voort te spinnen, om al spoedig tot een algeheele dooreenmenging te komen, waarbij men in den verheerlijkten Christus een wezen zag, in hetwelk eenerzijds het goddelijke en menschelijke en anderzijds het geestelijke en lichamelijke in een hoofft.gci 'i eenissid waren opgelost." '"

Van dezen verheerlijkten Christus, aldus opgevat, beleed men nu, dat hij in het heilig Avonnmaal sichselven mededeelde; en overmits in hem alle onderscheid tusschen het Goddelijke en menschelijke en evenzoo tusschen het lichamelijke en geestelijke was opgeheven, kon hij zichzelven niet mededeelen, of hij deelde zich geheel mede, d. w. z. zoowel naar zijn Goddelijke als menschelijke natuur, even goed lichamelijk als geestelijk. Wie dus het brood des Avondmaals at en den wijn des Avondmaals dronk, at en dronk daarmede tegelijk den verheerlijkten Christus; en dat wel op zulk een wijs, dat men inwendig in zich opnam zoowel iets van Jezu.s' Goddelijke als van zijn menschelijke natuur, en dit laatste niet alleen in geestelijken, maar ook in lichamelijken zin. De Avondmaalsgangers namen door het gebruik van brood en wijn dus ook iets van Jezus' verheerlijkt lichaam in zich op. Een bestanddeel, een iets, een element, een kracht van dat lichaam, hoe dan ook beschouwd, maar in elk geval een iets, dat niet uit Jezus' ziel kwam, maar uit zijn verheerlijkt lichaam. Niet alsof éh deeltje uit Jezus' lichaam gedacht moest als, naast de geestelijke kracht van zijn ziel, in ons dringende; want beide ziel en lichaam was in Jezus één; maar dan toch zoo, dat de Avondmaalsganger feitelijk iets ontving en in zich opnam, dat hem toekwam uit het verheerlijkte lichaam van Jezus.

Dit lichamelijk iets nu, dat door het sacrament des heiligen Avondmaals uit den verheerlijkten Christus in den geloovige overging, en door dezen in zich wierd opgenomen, kon uiteraard niet nalaten ook zekere uitwerking op het lichaam van den geloovige ts.doen^ en ook over. die uitwerking, opperde men twee bepaalde ziensv^ijzen.

Vooreerst toch hield men slaande, dat dit lichamelijke dat bij bet Avondmaal uit Jezus' lichaam ontvangen werd, de kracht bezat, om genezend en sterkend op het lichaam van den geloovige te werken. Het werd dus beschouwd als een soort medicijn, dat in ons lichaam indringende, de zwakte van ons lichaam tegemoet kwam, en allerlei schadelijke werking in ons lichaam tegenging. Zoo werd het heilig Avondmaal dus in therapeutischen zin opgevat; en dat niet als geloofssterking in de ziel, die vooral op ons zenuwleven weldadig en versterkend kon inwerken; maar zeer bepaaldelijk, als een stojg^elij'ke inwerking, die rechtstreeks het stoffelijke ia ons lichaam aangreep en aldus onze levenskracht verhoogde. Een voorstelling, waarvoor men zich dan liefst beriep op i Cor. 11 : 30, waar Paulus zegt, dat er ten gevolge van het misbruik, dat in de kerk van Corinthe op zoo stuitende wijze van het heilig Avondmaal gemaakt werd, in die kerk, o, zoovelen waren, die onder zwakheid of krankheid leden, of ook reeds ontsliepen. Hij zegt toch: Daarom zijn er onder u vele zwakken en kranken en velen slapen, "

Nu geven we voetstoots toe, dat deze woorden van Paulus metterdaad vzxi lichamelijke krankheid en van een sterven naar het lichaam moeten verstaan worden. De apostel leert kennelijk, dat Gods toorn ter oorzake van een stuitende ontheiliging van zijn Sacrarr-j-»-o^zx de kerk van Corinthe was gekórïien, en dat deze toorn Gods openbaar wierd in de vele krankheden, die uitbraken, en die, op in het oog loopende wijze, door doodelijken afloop gevolgd waren. Men mag deze woorden dan ook niet verzwakken door ze te verstaan van geestelijke zwakheid of geestelijken doodslaap. Daartoe toch ontbreekt elke aanwijzing, en het verband sluit zulk een uitlegging af. Immers de apostel spreekt van een oordeel Gods dat over de genr.eente gekomen was tengevolge van de ontheiliging van het Sacrament; eene ontheiliging die zóóver was gegaan, dat men zich aan den Avondmaalsdisch dronken had gedronken. Dit nu kon natuurlijk alleen geschieden door dezulken, die reeds, eer ze zich hieraan vergrepen, geestelijk zwak en zeer krank waren, en in zeer erge mate geestelijk sliepen. Het zou toch geen zin hebben gehad om te zeggen: „Er zijn er onder u, die zich op zoo roekelooze wijze aan het Avondmaal vergrepen; daardoor hebben deze inannen of vrouwen zich een oordeel gegeten en gedronken; en dit oordeel bestaat hierin, dat ze eerst na deze heiligschennis geestelijk zwak en krank geworden zijn." Want ook al geeft men toe, dat zulk een heiligschendende daad uiteraard door nóg diepere inzinking van het geloof moest gevolgd worden, zoo was deze verachtering van geloof bij reeds zoo ver uitgegleden personen toch nooit zóó in het oog loopend, dat Paulus hierop, als op een blijkbaar oordeel van Gods toorn wijzen kon. Deze geestelijke uitlegging is dan thans ook vrij algemeen door de kundiger uitleggers opgegeven, en men is teruggekeerd tot de uitlegging, die ook Calvijn en onze Staten-overzetting gaf, dat deze krankheid en deze doodslaap in eigenlijken, lichamelijken zin te ver'=, f.9? ; n zijn.

Er was ontheiliging v\u Godü Verbond. Dit verwekte Gods toorn schrikkelijk over de gemeente. En deze openbaring van Gods toorn bestond in het uitbreken van bange ziekten, die vaak doodelijk afliepen.

Zij echter die het voorstellen, alsof er bij het Avondmaal ook een sacramen* teele kracht uit Jezus' lichaam aan ons lichaam toekomt, leggen die woorden op hunne wijae uit. Zie, zeggen ze, een goed gebruik van het Avondmaal verhoogt de levenskracht ook van het lichaam; en deswege nu wijst Paulus er op, hoe een verkeerd gebruik van het Avondmaal stoornis in de lichamelijke levenskracht ten gevolge had, en diensvolgens ziekte en dood na zich sleepte. Toch behoeft men deze uitlegging slechts even in te denken, om er het averechtsche en onhoudbare terstond van in te zien. Stond er: Ten gevolge van het plaatshebbend misbruik worden er minder dan anders zieken genezen, " zoo zou dit, op het standpunt van deze dwaalleeraars zin hebben. Is toch in hun oog het Avondmaal ook een lichamelijke artsenij, en wierden alzoo door het gebruik van het Avondmaal vele lichamelijk zwakken allengs gesterkt en gezond, dan sprak het vanzelf, dat een nalaten van dit goede Avondmaal deze genezende werking moest stuiten. Maar nooit kon een niet-gébxnxken van dit genees­ middel ten gevolge hebben, dat er krankte ontstond en dood gewrocht wierd. Immers de IRéidenen en Joden gebruikten dit medicijn evenmin, en zoo zou dus onder hen dezelfde krankheid zich hebben moeten openbaren in alle steden en dorpen, en zou er niets vreemds of opmerkelijks in gelegen hebben, dat deze zelfde krankheid ook onder de Christenen woedde; en kon alzoo Paulus dus niet geleerd hebben, dat zich in dezekrankheid een kennelijk oordeel Gods over de kerk vertoonde. Gesteld al dat het gebruik van het Avondmaal voor het lichaam sterkend en genezend werkte, zoo kon daarom het zich onthouden van dit medicijn, nog nooit een oorzaak van ziekte worden. Wie het gebruikte, kon er dan lichamelijke sterking door erlangen; maar wie het niet gebruikte bleef die hij was; werd er niet beter, maar ook niet erger door. En zoo blijft er dus geen andere, dan de oude, gezonde uitlegging over, dat Gods toorn over de gemeente was opgewekt, en dat deze toorn Gods zich daarin openbaarde, dat hij op in het oog loopende wijze een ernstige ziekte uitzond, die velen krank en slap maakte en velen ten graven sleepte. Denk b. v. aan een ziekte als nog onlangs de influenza was, en die juist een karakter droeg, dat zoo geheel paste op Paulus' woorden: Daarom zijn er onder u vele zwakken en kranken en velen zijn ontslapen". Van een beroep op i Cor. 11 : 30 zullen deze dwaalleeraars dus moeten afzien.

Toch gaan velen hunner nog verder, en leeren in de tweede plaats, dat Jezus door het sacrament des Avondmaals aan de geloovigen uit zijn eigen verheerlijkt lichaam iets mededeelt, waaruit ongemerkt het nieuwe lichaam, waarmede de geloovigen zullen opstaan, in hen bereid wordt. Hiertoe komen ze door '•en vetvalsching van de belijdenis rakende » de wederopstanding desvleesches". Naar hun voorstelling toch gaat het lichaam, waarvan we bij den dood scheiden, geheel te loor, en ontvangen de geloovigen dit oude lichaam nooit terug, maar ontwikkelt zich allengs om hun ziel een geheel nieuw lichaam, dat niets met het oude gemeen heeft; zelfs niet in de kiem of in den wortel. Zoo zou er dus geen wederopstanding des vleescbes zijn, maar het ontvangen van een tweede, geheel «2> ? < K'lichaam. En dit tweede, geheel nieuwe lichaam nu leeren ze, dat ons in kiem reeds hier op aarde in het oude lichaam gegeven v/ordt, en dat deze kiem van ons nieuwe lichaam bij den dood met de ziel vereenigd blijft, om in den dag der opstanding volheerlijk uit te groeien. En vraagt men nu, op welke wijze de kiem van dat tweede of nieuwe lichaam in den geloovige inkomt, dan wijzen ze ons op het Avondmaal, en stellen het ons voor, alsof Christus door het sacramenteel gebruik van het heilig Avondmaal uit zijn eigen verheerlijkt lichaam ons de kiem voor dit nieuwe lichaam inplant. Natuurlijk blijven ze ons elk bewijs voor zoo gedrochtelijke leer schuldig, een leer of voorstelling, die op elk punt tegen de duidelijke onderwijzing der Heilige Schrift fndruischt. Deze leer toch strijdt met de duidelijke voorstelling der Heilige Schrift, dat de ziel na den dood enkel geestelijk bestaat en van het lichaam geheel is afge­ scheiden. Ze strijdt tegen de onderwijzing der Heilige Schrift, dat er in den dag-i^er opstanding hereent^inq zal plaats hebben van de ziel met datzelfde lichaam, waarvan het bij den dood gescheiden wierd. En ze strijdt niet minder tegen de duidelijke openbaring der Heilige Schrift, dat de Christus eens ons vernederd lichaam gelijkvormig zal maken aan zijn verheerlijkt lichaam, niet door ons een deeltje van dit lichaam mede te deelen, maar „door die kracht, waardoor hij ook alle dingen zich zelven kan onderwerpen", d. i. door zijn goddelijke almachtigheid (Phil. 3:21). Geheel deze voorstelling moet dan ook als lijnrecht in strijd met Gods Woord, geheel en onverdeeld verworpen worden. Er schuilt zelfs geen element van waarheid in. Ook in den verheerlijkten Christus blijft de goddelijke natuur een andere dan de menschelijke natuur, en bezitten beide nog altoos haar onderscheiden eigenschappen; en evenzoo blijft ook nu nog in Jezus' menschelijke natuur ziel en lichaao» principieel onderscheiden, zoodat het lichaam niet in de ziel en de ziel niet in het lichaam gemengd wordt, maar beide als twee eigen zelfstandigheden krachtens goddelijke schepping bestaan. Er kan dus geen mededeeling van Jezus' verheerlijkt lichaam aan de geloovigen plaats hebben. Het éénemenschelijk lichaam is een ander dan het andere menschelijk lichaam; en er kan uit het ééne lichaam niets in het andere overgaan, dan langs den gewonen weg, dien God in de schepping daarvoor gesteld heeft. Ja zelfs waar de menscheneter zijn medemensch slacht en zijn vleesch braadt en eet, eet hij toch niet zijn lichaam, mair alleen de stof, waaruit dit lichaam tijdelijk bestond.

Doch ook hiermee is de boofdfout nog niet aangewezen, waarvan geheel deze gedrochteiijke voorstelling uitgaat, en die hierin is gelegen, dat Christus ons in het heilig Avondmaal niet zijn verheerlijkt lichaam, maar zijn verbroken lichaam en zijn vergoten bloed tot een spijs en drank voor onze ziele biedt. Dit feit is niet weg te cijferen. Immers zoowel het symbool als de woorden der inzetting bewijzen dit ten duidelijkste. De Heere breekt het brood, eer hij het zijn jongeren toereikt, en giet den wijn in den beker, eer zijn jongeren dien drinken. En als hij dan brood en wijn aan zijn jongeren toereikt, zegt hij uitdrukkelijk, dat dit brood zijn lichaam is, dat voor velen verbroken wordt, en dat die wijn zijn bloed is, dat vergoten wordt tot vergeving der zonde. Geen oogenblik mag dus bij het heilig Avondmaal dat verbroken en vergoten zijn uit het oog worden verloren; en dit nu wordt het metterdaad, zoodra men bij het heilig Avondmaal zijn zielsoog richt op het verheerlijkt lichaam des Heeren. In het verheerlijkte is niet enkel het lijden, maar zelfs het gebrekkige van dit aardsche overwonnen. Het verheerlijkte lichaam des Heeren maakt op ons geen anderen indruk dan van majesteit en glorie, gelijk Paulus hem zag bij Damascus en Johannes op Pathmos. Die aanblik nu is een gansch andere dan dien de aanschouwing van het kruis van Golgotha wekt. Gemeenschap met den gekruisten Christus leidt wel tot gemeenschap óók met den

verheerlijkten Christus, maar in zichzelve is ze iets anders.

Een onderscheid, waarop Jezus zelf wijst, door het zijn jongeren zoo uitdrukkelijk, juist bij de instelling van het heilig Avondmaal, te zeggen, dat hij niet meer met hen van deze vrucht des wijnstoks drinken zou, totdat hij dien nieuw zou drinken in het Koninkrijk zijns Vaders. Dit nieuwe drinken is een drinken in den staat der heerlijkheid, en van dat nieuwe drinken in het Koninkrijk zijns Vaders wordt het drinken van den vergoten wijn aan het heilig Avondmaal juist onderscheiden.

Op dit punt mag dus geen oogenblik de minste verwarring toegelaten. Het verbroken lichaam is wel hetzelfde lichaam, dat thans verheerlijkt is; maar door de verheerlijking wierd juist de vernedering van het verbroken zijn des lichaams overwonnen en te niet gedaan. Moet hier nu het lichaam des Heeren in zijn verbroken staat genomen worden, gelijk én de symboliek én de inzettingswoorden van het heilig Avondmaal dit eischen, dan sluit deze staat der verbrokenheid den staat der verheerlijking uit; en vernietigt men omgekeerd de eigenlijke kern en het pit van het Avondmaal zoo men spreken gaat van een gespijsd worden met het verheerlijkte lichaam des Heeren. Onze Catechismus zegt het dan ook uitdrukkelijk in het Antwoord op Vr. 79 „dat gelijk als brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzoo ook zijn gekruist lichaam en zijn verboten bloed zijn de waarachtige spijs en drank, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worden." En evenzoo betuigt ons formulier voor het heilig Avondmaal: „Uit deze inzetting des heiligen Avondmaals onzes Heeren Jezus Christi zien wij, dat hij ons geloof en betrouwen op zijn volkomen oj^erande, die eenmaal aan het kruis geschied is, als op den eenigen grond onzer zaligheid wijst, daar hij onze hongerige^ en dorstige zielen tot een waarachtige spijs en drank des eeuwigen levens geworden is." En nog duidelijker: „Zoo dikwijls gij van dit brood eet en van dezen beker drinkt, zult gij daardoor, als door een gewisse gedachten isse en pand, verzekerd worden van mijn hartelijke liefde voor u, dat ik voor u mijn lichaam aan het hout des kruises in den dood geve, en mijn bloed vergiete, en uw hongerige en dorstige zielen met hetzelve mijn gekruist lichaam en verboten bloed tot het eeuwige leven spijs en laaf."

Slechts daarin gingen de voorstanders van een louter symbolische opvatting geheel mis, dat ze dit „spijzen en laven van onze zielen met zijn gekruist lichaam en vergoten bloed" gingen verwateren, als ware hier niets anders meê bedoeld, dan een opzettelijke herinnering aan wat op Golgotha geschied was; en als ware het aanzitten aan het heilig Avondmaal dus niets meer dan een ons opnieuw te binnen brengen van onze belijdenis, dat Jezus eenmaal, voor nuachtien eeuwen, voor onze zonden gestojven was. Bij zulk een opvatting toch is er geen sacrament, is er geen mysteriej is er d geen daad Christi meer, én werkt men juist een reactie in de hand, die dan weer op Roomsche of Luthersche voorstellingen uitloopt. Neen, niet in onze herinnering of heugenis, maar in hetgeen Christus aan onze zielen doet, ligt hetj^eigenlijke wezen van het sacrament, en zoo is ook bij het heilig Avondmaal dit het wezen, dat Christus zelf uit den hemel onze hongerige en dorstige zielen spijst en laaft, en dat hij dit met niets minder doet dan met zijn gekruist lichaam en zijn vergoten bloed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 januari 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Van het heilig Avondmaal.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 januari 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren