GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„De  helm der zaligheid.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„De helm der zaligheid.”

9 minuten leestijd

En neemt den helm der zaligheid. Efeze 6 : 17a.

Een diensfs.ne.< M. des Heeren moet een krijgsknecht zijn.

Ondanks het: Vrede op aarde, dat door Gods engelenkoor over Bethlehems velden is uitgezongen, blijft het tot op de wederkomst des Heeren een strijd op aarde. »Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, " sprak Jezus tot zijn discipelen, »maar het zwaard."

Dit karakter van een strijder, dat elk kind van God dragen moet, is door Jezus' apostelen dan ook zoo ernstig opgevat, dat ze ons, zelfs breedvoerig, geheel de wapenrusting teekenen, waarin de Christen behoort op te treden, om »altoos sterken wederstand te doen" en te overwinnen ten einde toe. En als Jezus op Pathmos aan Johannes verschijnt, legt hij nogmaals op dit strijdend karakter van zijn aardsche kerk zoo vollen nadruk, dat het in zijn vermaan aan elk der zeven kerken van Klein-Azië telkens heet: »Wie overwint, hem zal ik geven, 'tzij dan te eten van den booni des levens, 'tzij om een pilaar te worden in den tempel mijns Gods." Na teekent met name de apostel Paulus ons die wapenrusting in het beeld van een Romemsch soldaat, geharnast om de borst, met het schdd in de ée'ne en het zwaard in de andere hand, en op het hoofd gedekt met een geduchten helm, waar speerstoot noch zwaardslag doorheen drong.

Dat beeld schetst de apostel ons in forsche, manlijke trekken, als van een Christenheid, die op dood en leven strijdt met den Vorst der duisternis. Een beeld dat men in al zijn kloekheid en verheven schoonheid moet bewonderd hebben, om al de lafheid in te zien van het caricatuur dat ons het Leger des heils ervan biedt.

De krijgsknecht des Heeren moet, zoodra het op de teekening aankomt, altoos beeld blijven, en wie dit in een rood of blauw pakje op tamelijk kinderachtige wijze na gaat bootsen, moge de ijdelheid prikkelen en opzien baren, maar maakt zich op heilig terrein belachelijk en verderft iets van de majesteit der Heilige Schrift.

Doch evenzeer hebt ge u te wachten voor de ontleedkunde van uw verstand, die er op uit is, om eiken afzonderlijken trek in zulk een beeld te ontleden.

De krijgsknecht dien Paulus ons teekent is en blijft een afgewerkt en afgerond beeld, dat in zijn geheel overzien moet worden, en alleen in zijn geheelheid den vollen, aangrijpenden indruk op uw hart kan maken.

Ge ziet dan als voor oogen dien Romeinschen soldaat, die geen moeite gespaard heeft om zich te oefenen; die geen kosten ontzag om zich naar den regel der vechtkunst te wapenen; en aldus uitgerust en uitgedost ziet ge hem met iets van den moed der leeuwen in het oog, de banier volgen die /-ooruit wordt gedragen, en straks, als de vijand opdaagt, tegen dien vijand het zwaard opheffen, om liever zelf te sterven, dan dat hij zijn veldheer beschamen zou.

En zoo nu moet ook de strijd des Christens op_^ aarde zijn. Niet gelijk zoo menigeen, die"" h^t beeld van dén Christenstrijder bij-de schutterij ten plattelande schijnt te zoeken, en deswege niets doet om zich te oefenen, te wapenen of te dekken, *n wel levenslang op de lijst der Christenen staat, maar zonder ooit zich in den harden strijd gewaagd te hebben, of immer het heldenvuur zich te hebben voelen gloeien in de borst. Een Christenstrijder moet niet alleen liefde., maar ook haat kennen. Liefde voor zijn hemelschen Veldheer, maar ook Jiaat tegen zonde en Satan; en wie nog nimmer iets van deze energie van den haat in zijn ziel voelde opwaken, heeft ook nog nimmer de volle spankracht der liefde genoten.

Herlezing van wat onze Heidelberger over de bekeering zegt, doet zelfs ernstigen twijfel rijzen, of het in zoo slappe, matte ziel wel ooit tot deugdelijke, daadwerkelijke bekcering kwam.

Maar al ontleden en splitsen we het beeld van den Christenstrijder niet, toch is het niettemin plicht, dat we ons rekenschap geven van de apostolische combinatie. Zoo hier, dat de apostel den helm combineert met de zaligheid.

Hij doet dit twee malen. Eens in het woord dat boven deze meditatie staat, en eens in zijn brief aan de kerk van Thessalonica (i Thess. 5:8).

Die bijeenvoeging van den helm met de zaligheid is dus opzettelijk; is wel doordacht; en de Schrift wil dat we hier op merken zullen. Wat doet nu de helm?

Antwoord: De helm dekt het hoofd, en daarmee het eêlste en teederste deel van ons lichaam, waarin heel onze persoon tot uiting komt. Als er twee handgemeen zijn, trekt zich de woede waarmee ze op elkander aanvallen in het hoofd saam, tintelt in beider oog, schreeuwt uit beider mond, en ze weten het, dat zoo het hoofd geraakt wordt, de kamp voor hen uit, en de strijd verloren is. Nu nog is het bij de Turken de gewoonte, als ze uit den krijg wederkeeren, afgehouwen koppen van den vijand in triomf mee te voeren. l)e helm is" in hét tWe ege^'echt dus 'de bedekking en de beschutting van het gewichtigste onzer geheele persoonlijkheid.-Zonder helm _is de strijder in een tweekamp weg. En zoo duidt derhalve de apostel hier aan, dat tot allen strgd onbekwaam, en in den strijd aan oogenblikkelijk doodsgevaar blootgesteld is, al wie zich in den strijd met zonde en Satan vermengt, zonder gedekt te zijn door de zaligheid.

Wat is nu hier onder de zaligheid te verslaan, die voor den Christen zijn moet wat de helm is voor den strijder?

Dat zegt u i Thess. 5 : 8, waar het heet: En tot een helm de hope der zaligheid''; mits ge nu dat hope maar Schriftuurlijk opv.at, niet als een onzeker uitzicht, maar juist omgekeerd, als een vaste, onverwelkelijké en onbevlekkelijke hope, die met de zekerheid der erfenisse volkomen gelijk staat.

De helm van den Christenstrijder is dus niets anders noch minder, dan zijn ontwijfelbare en onverwrikbare geloofsverzekerdheid. Ge moet als kind van God verzekerd, ja, ten volle verzekerd zijn van uw staat, als verloste door het bloed uws Heilands.

Ge moet geen oogenblik behoeven te aarzelen, om, als er van Gods uitverkorenen gesproken wordt, met eindeloozen dank in uw hart te jubelen: »waarvan ik door Gods genade er één ben."

Niet de angstige vraag der bekommering: „Zou ik er toe behooren? '', m.aar de juichkreet die alle hemelen doorgalmt: „Wij weten, dat wij uit den dood overgegaan zijn in het leven.'' Zeker weten: Het is voor mij volbracht. Al mijn zonden zijn in de diepte der zee geworpen. Niet van de wereld meer, maar een kind van mijn God. Met een Abba, lieve Vader, dat God de Heilige Geest zelf uit het diepst onzer ziel naar de lippen drijft.

Een soldaat, die op het oogenblik dat de strijd uitbreekt, nog vragen moet: »Hoor ik wel bij die heilige banier? Ben ik wel door mijn veldheer aangeworven ? '' en zich nog afpijnt met de vraag of hij misschien een indringer is, kan geen heldenmoed in zijn spieren uitgieten, en is geslagen en overwonnen, eer nog de kamp recht aanving.

Een sbekommerde" gelijk men deze aarzelende, altoos zoekende, immer met angst bevangene zielen noemt, kan niet strijden, en doet dan ook feitelijk in den grooten strijd, die voor Jezus is aangebonden, nooit meê.

Iets wat natuurlijk niet zeggen wil, dat iemand over z^'n bekeering dan maar heen moet stappen ; het grijpen der zaligheid een lichte zaak moet achten; en gelijk men wel eens zegt, dan maar op gestolen goed vertrouwen moet. Zoo zondige luchthattigheid heeft Paulus nooit gewild. Bij hem is het altoos diepe ernst. Het moet waarheid, volle waarheid in het binnenste

zijn. Maar dit wil de apostel, dat ge in zoo halven toestand niet zult blijven hangen. Dat ge in het wiegelend ziekelijke van zulk een bekommering geen stil vermaak zult hebben. Maar dat ge uw oog geen sluimering en uw ziel geen rust zult gunnen, eer deze diepste aller vragen voor u tot volkomen zekere op­ '

lossing is gekomen. Ge moogt niet jaar in jaar uit dien helm der zaligheid op tafel voor u laten staan, om u gemoedelijk in den aanblik van dien helm te verlustigen. Die helm moet met beide handen aangegrepen. Die helm moet aangepast, moet u op het hoofd gedrukt, en op uw hoofd vastgebonden worden.

zaligheid op tafel voor u laten staan, om u gemoedelijk in den aanblik van dien helm te verlustigen.

Wie den helm op heeft ziet hem niet, en wie er nog op staart wordt er niet door gedekt.

dekt. En zoo nu is het ook hier.

En zoo nu is het ook hier. Wanneer ge u hefden Gods als Jesaia of Jeremia, Paulus of Petrus, Luther of Calvijn denkt, als van dag tot dag tobbende over de vraag of ze wel uitverkoren waren, dan voelt ge terstond dat ze geen strijders voor Gods eer hadden kunnen zijn.

Want wel hebben ook deze mannen soms bange oogenblikken van twijfelmoedigheid gekend. Denk maar aan een Jeremia toen het als een vuur in zijn beenderen werd, of aan een Paulus toen hij Romeinen VII schreef.

Maar die twijfelmoedigheid duurde bij deze helden Gods slechts een oogenblik. En dan roept Jeremia weer uit: »Ik vermoeide mij om te verdragen, maar ik kon niet. Gij, Heere, hebt vermocht", en jubelde Paulus aanstonds weer: > Ik dank God door Jezus Christus mijnen Heere."

Dan drukten zij zich den helm der zaligheid weer op het hoofd. Dan voelden ze zich door hun uitverkiezing met zijn genade gedekt en redeneerden er niet meer over.-

En dan beefde Satan voor deze onverwinlijke strijders des Hjff en, en viel Goliath door den steen uit den sfe „er getrpffen, in schande, en schaamte op het slagveld neer.

En zoo nu is het ook onder ons. Gesprek en prediking, vermaan en catechisatie, ontmoeting en onderling verkeer, het moet alles in de eerste plaats strekken, om te maken dat de helm der zaligheid niet langer als een begeerlijk goed ons tegenglinstere, maar ons stevig op het hoofd zij gedrukt.

Dan zullen de helden, en niet minder de heldinnen, ook onder ons weer opstaan. En dan zal er ook in ons midden weer een sprake uit eigen geestelijke ervaring uitgaan: »Ik vermag alle dingen door Christus die mij

kracht geeft.'' KUYPER.

Amsterdam, 27 Nov. 1891.

Nu December in het laad komt, is langer uitstel in ïa!& ü é^ Premie ov.s niet mogelijk. We moeten thans het aantal exemplaren voor den druk bepalen.

Uiterlijk met i Januari 1893 wordt met den druk aangevangen, en wie vóór medio December nog nalatig bleef in het opzenden van zijn verzoek, om één of twee exemplaren van de Premie te erlangen, zal het dus niet aan ons, maar aan zich zelven te wijten hebben, indien later blijkt, dat aan zijn verzoek niet meer kan worden voldaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 november 1891

De Heraut | 4 Pagina's

„De  helm der zaligheid.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 november 1891

De Heraut | 4 Pagina's