GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Uit de Ders.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Ders.

9 minuten leestijd

Over het voorgaan in hel gebed schreef de Overijselsche Kerkbode., schoon en waar:

Het voorgaan in het gebed is eene zeer ernsiige zaak. Het heeft zijn eischen in onderscheiding van het gebed, dat ieder in de binnenkamer of waar ook, bij zichzelven opzendt tot God.

Op één dier eischen wijzen wij. En wel deze, dat ieder die geroepen wordt in den gebede voor te gaan, deze taak ernstig opvatte, zichzelven rekenschap geve van die taak en van de wijze, waarop hij haar behoort te vervullen.

Wie voorgaat in het gebed is daarin de mond van anderen; hij bidt niet alleen voor zichzelven, maar namens anderen; hij moet de woorden geven aan het gebed van meerderen, hij moet uitspreken de beden van den kring, waarin hij voorgaat. Derhalve heeft wie voorgaat in het gebed, zichzelven ernstig rekenschap te geven, welke bepaalde nooden en behoeften op dien tijd, op die plaats, in dien kring tot bidden dringen. Anders lijdt de heiligheid en de ernst des gebeds schade. Wie in den gebede voorgaat, heeft niet zijn hart eens uit te storten, dit kan alleen op zijn plaats zijn in een gezelschap dat daartoe samenkwam; maar hij moet zich bewust zijn wat degenen, die hij voorgaat, te bidden hebben en naar Gods Woord in die oogenblikken moeten bidden.

God is een God van orde. Het is geheel iets anders of de dienaar des Woords bidt als de mond der gemeente tot God, dan of een Ouderling bidt vóór het opleiden van den dienaar des Woords of in de vergaderingen van den Kerkeraad; het is geheel iels anders of de huisvader zijn gezin voorgaat in den gebede, of iemand geroepen wordt in eenige vergadering voor te gaan; het is iets anders, of wij voorgaan in een samenzijn tot onderlinge stichting, dan of wij voorgaan in eene vergadering van Patrimonium, de kiesvereeniging of dergelijke.

Wie met dit onderscheid niet rekent, vat de zaak des gebeds* niet op met den noodigen ernst en zal oorzaak worden, dat zij, die hij voorgaat, aan het einde des gebeds geheel onbevredigd zijn, daar bepaalde behoeften, die samenbrachten, niet of nauwelijks en als terloops voor des Heeren aangezicht gebracht zijn. Wie met het genoemde onderscheid niet rekent, zal aanleiding geven dat zij wier mond hij moet zijn, beseffende dat hij het niet is, zelfs onder het bidden in wrevelige en zondige stemming geraken; iets wat te veroordeelen is, maar waartoe geene aanleiding mag gegeven.

2oo wanneer de dienaar des Woords de mond der gemeente is, heeft hij niet te gaan bidden voor eigen zielsbehoeften of voor zijn huiselijke belangen, daar is het elders de plaats voor; nu heeft hij te bidden namens de gemeente en hare nooden den Heere voor te dragen; niet als zouden deze Gode onbekend zijn, maar omdat God wil, dat zij inden gebede Hem bekend gemaakt zullen worden. Daarin zit het; God wil het; Hij deed de gemeente vergaderen, wie in den gebede voorgaat, heeft daarmede te rekenen met de plaats waar hij staat, anders is hjj buiten den weg des Heeren.

Zoo is het in alles. De Ouderling, die bidt vóór hij den Dienaar opleidt, bidt niet namens de gemeente voor de prediking, is zeer zeker buiten den weg wanneer hij den Heere allerlei nooden voordraagt, die een oogenblik later de Dienaar des Woords namens de gemeente den Heere zal hebben bekend te maken; hij heeft te bidden namens den Kerkeraad, hij die het Woord doet bedienen door den Dienaar des Woords, opdat God dezen Zijne genadige hulpe schenke, hem verlichte en ondersteune.

Zoo in de Kerkeraadsvergaderingen, in welke het gaat om de regeering der Kerk naar den Woorde Gods en wat daartoe noodig is, van God behoort te worden afgesmeekt. Zoo in iedere vergadering, behoort het gebed te zijn voor de belangen en zak«n, die samenbrachten.

Hiertegen wordt eene bedenking gemaakt.

Recht bidden is een bidden door den Heiligen Geest. Nu heeft men te bidden, zoo wordt gezegd, wat de Heilige Geest op het oogenblik in het hart geeft, al betreft het zaken, die met het doel waartoe men samen is, in geene betrekking staan. Dit is, met zachten term uitgedrukt, misverstand. Zeer zeker is het rechte bidden een bidden door den Heiligen Geest. Maar niet alles, wat op 't oogenblik in 't hart opkomt is uit den Heiligen Geest; zelfs wanneer het er om gaat om lang en mooi en indrukwekkend te bidden, is het beslist niet uit den Heiligen Geest. Er moet controle zijn van het Woord des Heeren Want alle werk des Heilige Geestes is door en naar, in overeenstemming met het Woord van God. In i Korinthe 14 waarin over de samenkomsten gehandeld wordt, ook over het bidden in die samenkomsten, wordt uitdrukkelijk gezegd, dat dit bidden behoort te geschieden wel met den geest, maar ook met het verstand (vers 15); daarna in vers 32 en 33 »en de geesten der profeten zijn den profeten onderworpen. Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de gemeenten der heiligen"; en dan nogmaals aan het einde wordt de vermaning aangedrongen. Hieruit volgt; dat één der kenmerken van het bidden door den Heiligen Geest juist is, dat dit met orde geschiede en derhalve naar de belangen, welke samenbrachten, waarin God de Heere wil gekend worden. Voorbeelden daarvan vinden wij dan ook in Gods \yoord, b.v. in Handelingen I : 24—25, Handelingen 4 : 24—30. Wie alzoo de taak van het voorgaan in het gebed ernstig opvat, zal daarin sober zijn. Het is geen bidden, wanneer men spreekt, alsof men God van alles op de hoogte moet brengen en het bidden verhalen wordt, eene soort predikatie in gebedsvorm. Bidden moet bidden zijn. Dit stemt ieder toe, maar 't moet dan ook beoefend worden. En nu is bidden niet alleen: ets vragen, het is gemeenschapsoefening met het Eeuwige Wezen; tot het bidden behoort ook lofverhefting, ook dankzegging, ook schuldbelijdenis, maar alles naar de plaats, waar men op 't oogenblik staat. Inzonderheid het gebed der gemeente op den dag des Heeren is veelomvattend en vereischt dus eenigen tijd; daar mzonderheid wil God geëerd, gedankt, geprezen worden; de nooden en behoeften zijn vele; bovendien heeft God aan Zijne Kerk in Zijn Woord de voorbede bevolen voor alle menschen. Ook daar echter zij soberheid, gelijk de eerbied voor Gods Majesteit dit eischt; de Prediker zegt: wees niet te snel met uwen mond en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht: ant God is in den hemel en gij zijt op de aarde: aarom laat uwe woorden weinig zijn". Het gebed der gemeente geschiede in eenvoud en met eerbied, er behoort besef te zijn, tot Wien men nadert.

In andere samenkomsten met een bepaald doel, kan in den regel het gebed kort zijn en zal dan van den meesten eerbied getuigen en het meest tot stichting zijn. Kort en zakelijk. Alle omhaal van woorden eer men tot de zaak komt worde vermeden; het gebeurt soms, dat men God noemt en Hem omschrijft in Zijne deugden en werken, terwijl dan ten slotte als een aanhangsel volgt, wat men den Heere heeft te vragen. Dit is niet recht. Ook dit moet gerekend worden in het bidden, waartegen Jezus zoo nadrukkelijk waarschuwt in Mattheus 6.

Hoe meer de eenvoud en de soberheid in het gebed betracht wordt, hoe meer het zal zijn tot eere van Gods naam en tot stichting van wie ons hooren.

Dit is de kracht in het bidden, de kracht van Woord en Geest.

Over Bazaars voor Christelijke lezen we in de Friesche Kerkbode.

Al meer vindt de gewoonte in ons land ingang om ten bate van noodlijdende scholen of andere Christelijke vereenigingen, wier kas niet bijster gevuld is, een bazar te houden. Oud-Nederlandsch en echt-Calvinistisch is deze gewoonte niet. Ze komt uit Engeland en verraadt haar methodistischen oorsprong. Toch ligt er^eene schoone gedachte in. Onze zusters, huismoeders en jonge dochters, die over niet veel geld, maar wel over tijd beschikken kunnen, maken een fraai handwerk of nuttig kleedingstuk, dat straks tegen niet al te lagen prijs op de Christelijke bazar verkocht wordt, en steunen zoo de school of Christelijke vereeniging, die de Uefde heeft van heur hart. En tegenover veler onverschilligheid voor alle Christelijke werkzaamheid steekt deze »ijver in goede werken" weldadig af.

Toch behoeft het niet verheeld te worden, dat deze Christelijke bazars door ernstige bezwaren gedrukt worden. De wereld, die bij eiken watersnood of nationale ramp, kermissen en danspartijen organiseert, om «lachende wel te doen" en de menschen het geld uit de beurs te kloppen, door een vriendelijk meisjesgezicht, kan ons ten baken wezen om te waarschuwen voor het gevaar, dat in zulke weldadigheid verscholen ligt. En het is zeer de vraag, of grootere uitbreiding van zulke bazars ten slotte niet zou kunnen uitloopen op een benadeelen van hen, die door handenarbeid hun brood moeten verdienen. Wie weet hoe de arbeid der kloosters in Frankrijk ten voordeele van de Kerk aan duizen-

den eerlijke arbeiders het brood uit den mond gestooten heeft, zal dit gevaar niet hcht achten. Ons schijnt het ideaal daarom hooger te staan, wanneer koopers en verkoopers zonder zulke kunstmiddelen het geld rechtstreeks storten in de Kas van School of Vereeniging.

Nu vraagt ons een belangstellende lezer, of het wenschelijk is, gesteld dat er zulk een bazar wordt gehouden, de goederen bij opbod te vetkoopen of te verloten.

Wij moesten, om onze conscientie vrij te houden, voor wij deze vraag beantwoorden, eerst ons standpunt tegenover deze Christelijke bazars uiteenzetten, ten einde de gedachte te voorkomen, alsof wij als Gereformeerde Kerkbode voor de uitbreiding dezer Christelijke bazars onverholen sympathie gevoelden.

Gesteld echter dat er een Christelijke bazar wordt gehouden, dan kan het antwoord niet moeielijk zijn. Verkoopen zonder of met opbod is een gewone handelspractijk, waartegen van Gereformeerd standpunt geen het minste bezwaar kan bestaan. Als het in den gewonen handel geoorloofd is, waarom zou het dan verkeerd zijn in een handel voor een Christelijk doel? Handel blijft handel of'hij in een Christelijke bazar of in een gewonen winkel gedreven wordt. Loterij daarentegen, hoe christelijk ook getint, is en blijft zonde tegen het eerste gebod. En hoe zou dat ooit het Christelijke doel een op zich zelf zondig middel kunnen heiligen ?

Indien het waar is, wat onze Vaderen stelden, dat het lot »immediatelick een bijzondere opzicht heeft op de voorzienigheyt ende het oordeel Godts, ende alleen in ernstige saken niet een byzonder opsicht tot Godt gebruijcht moet werden", dan zal men toch wel gevoelen, dat bij een Christelijke bazar het lot niet thuis hoort.

Stellig niet te kras uitgedrukt.

Bazaars zijn en blijven krukken op het arbeidsveld van den barmhartigen Samaritaan.

Krukken die men wel moet nemen, als men niet op eigen beenen loopen kan. Maar krukken die toch weg moeten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Ders.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's