GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Dan de tien geboden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de tien geboden.

18 minuten leestijd

VI.

Uwe vrucht is uit Mij gevonden. Hosea 14 : 9.

De wet des Heeren, of de tien geboden, geestelijk verstaan, geldt als Gods geopenbaarde wil voor den mensch en dus zoowel voor niet-Christeuen als voor Christenen.

Het gij zult! van den souvereinen God, richt zich hier, als de onveranderlijke zedewet, tot den mensch als zedelijk, d. w. z. als willend wezen.

En de tien geboden zijn even zoovele zedewetten of normen, waarnaar de mensch zijn willen en daaruit opkomend handelen heeft te richten, om voor God goed te zijn.

Dit willen onderstelt echter, wijl het menschelijke zieleactie of werking is, éen menschelijke ziel die zelf goed is.

Goed is voor God.

Ook hierin toch is het woord waarachtig van den goeden boom, die goede vruchten voortbrengt.

'sMenschen wijse van bestaan moet goed wezen, zal zijn zvijze van handelen het zijn.

Nu was de naar Gods beeld geschapen mensch goed, rechtvaardig en heilig, „kunnende met zijnen wil in alles overeenkomen met den wille Gods." (Geloofsbelijdenis Art. 14).

Voor den oorspronkelijken mensch, voor Adam, was het leven naar Gods wet, wier geboden, als zoovele normen, helder in zijn bewustzijn stonden, een vanzelfsheid.

Maar door het ingeven des duivels en zijn vrijen wil van God afwijkende, is hij wel gebleven een zedelijk, d. w. z. een willend wezen, maar is, - wijl zijn natuur of al wat in hem, als zedelijk wezen, werkte, verdorven werd, haar goede hoedanigheden in haar tegendeel omsloegen, - ook zijn willen en al wat met deze ^ zieleactie samenhangt, diis verdorven, dat het vlak tegen Gods Wil en mitsdien tegen al Zijn geboden inging. En deze verdorvenheid is, als erfzonde, van Adam op al zijn nakomelingen, door voortplanting, overgegaan, en zoo geldt mitsdien van alle menschen, dat zij zich de Wet Gods niet onderwerpen en het ook niet kunnen. (Rom. 8 : 7). In dezen zin noemt de apostel Johannes dan ook de zonde ongerechtigheid, (i Joh. 3 : 4).

Maar juist omdat de mensch met zijn vrijen wil en dus in moedwillige ongehoorzaamheid zich zelve en al zijn nakomelingen dus onmachtig tot het willen overeenkomstig Gods Wil heeft gemaakt, doet de Heere geen onrecht, dat Hij Zijn Wet tegenover de menschen blijft handhaven. Hij handhaaft daarin de door Hem gestelde zedelijke wereldorde.

En nu is er ook onder de van God vervreemde menschheid nog wel religie en zedelijkheid, wijl de gemeene Genade het religieus besef voor vroom en onvroom en het zedelijk besef voor goed en slecht nog bewaarde, maar zoowel aan de zedelijkheid als aan de religie van den natuurlijken mensch ontbreekt juist wat de wet eischt, wat God van den men mensch wil: de heilige liefde, die zelf wortelt in het oprechte geloof en aan de echte religie en de ware zedelijkheid haar gehalte geeft.

Het zijn en het willen, of anders uitgedrukt, het bestaan en gedrag van den natuurlijken mensch, zoo in zijn relatie tot God als in die tot zijn medemenschen, deugt niet voor God, omdat in hem niet is het oprechte geloof, en mitsdien noch zijn bestaan noch zijn gedrag overeenkomen met Gods wil en hij altijd een ander einddoel zich stelt dan de eere Gods.

En omdat God de gehoorzaamheid uit heilige liefde van alle menschen blijft eischen, wijl de zonde Zijn souvereiniteit over den mensch niet heeft verbroken maar Hij God blijft ook over den zondigen mensch, moest bij de bespreking van het eerste gebod, dat zich als verbod met zijn: Gij stilt geen andere goden voor Mijn aangezicht^ hebben, tot het zondig willen van zondige menschen ticht, eerst de grove overtreding van, dit gebod in de zonden van godloochening en irreligieuziteit, van de valsche religie en de met haar verbonden superstitie of het bijgeloof, worden besproken.

Thans kan eerst volgen de bespreking van dit gebod in betrekking tot den Christen,

Dat de Wet des Heeren of de tien geboden ook voor den Christen geldt, is de algemeene overtuiging der geloovigen. De meening der anti-nomianen, — een woord gevormd van het Grieksche woord nomos voor „wet", — dat de zedewet voor den in Christus geloovende haar geldigheid zou hebben verloren, is dan ook telkens wanneer zij opkwam in de Kerk, als dwaling bestreden.

Onder ons Gereformeerden staat het als zeker vast, dat de Christus, zoo door zijn lijdelijke als dadelijke gehoorzaamheid, aan al wat, in het stuk der zaligheid, op de overtreding der wet is gedreigd en op haar vervulling is beloofd, voor Gods uitverkorenen volkomen'heeft voldaan, en dat zij die in Hem als hun Borg gelooven, mitsdien de Wet niet meer hebben te vervullen om de hel te ontgaan of den hemel te verdienen.

Maar evenzeer staat onder ons vast, dat ook een toegebrachte uitverkorene toch altijd als mensch tegenover zijn souvereinen God de verplichting heeft. Diens Wil, hem in de Wet geopenbaard, te gehoorzamen.

Een kind van God staat niet op zichzelf, maar ligt voor rekening van Christus.

In Hem heeft hij zijn Borg bij God. Niet om, maar door zijn geloof, dat een gave Gods is, is hij zich bewust van zijn rechtvaardiging voor God, op grond van de hem toegerekende voldoening van zijn Zaligmaker.

Maar waar dit geloof aanwezig is. komt er uit op gehoorzaamheid aan Gods Wet uit heilige liefde.

Ware nu een kind des Heeren reeds aan deze zijde van het graf ook in heel zijn zielsbestaan even volkomen, heilig of gaaf, als hij in zijn rechtsverhouding tot God volkomen is, m. a. w. was zijn heiliging even volmaakt als zijn rechtvaardiging, dekte zich zijn stand met zijn staat, dan zou ook zijn nieuwe gehoorzaamheid, zijn houden van de geboden volkomen zijn en hadden de perfectisten of' „volmaaktbaarheid-drijvers" gelijk.

Maar zoo is de reahteit, de werkelijkheid van het leven niet.

Ook een kind des Heeren heeft nog altijd wat de heilig apostel Paulus noemt: de zonde, die in mij woont" (Rom. 7 : 17).

Daarvan komt hij eerst af in zijn sterven.

En nu is het beeld Gods waartoe hij vernieuwd is, wel volmaakt in de deelen, maar nog niet in de trappen, zooals onze oude Theologen dat noemden, en v/aarmee zij dan bedoelden, dat het er even zoo mee staat als in het natuurlijke met een kind, dat, omdat het hoofd en romp en ledematen heeft, wel een volmaakt menschelijk lichaam is, maar omdat die deelen nog niet zijn uitgegroeid tot de mate van het volwassen lichaam, in dien zin nog niet volkomen is.

Vandaar dan ook, dat het perfectisme of de meening, dat een Christen de zedewet niet meer overtreedt, maar hier op aarde reeds volkomen kan houden, en metterdaad houdt en dus niet meer zondigt, een dwaling is. En dwaling waarop wij hier nu niet verder zullen ingaan, maar die ook door de bede: En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen óchul denaren, welke Jezus op de lippen der zijnen heeft gelegd, wordt weersproken.

En zoo komt het dan ook, dat al is hetChristendom de eenig ware religie, en de christelijke zedelijkheid als het voor God goed bestaan en handelen van den mensch, de eenig ware zedelijkheid, de religie van den Christen en evenzoo zijn zedelijkheid, zoolang hij hier op aarde is, nooit en nimmer aan de norm of het richtsnoer van 's Heeren heilige wet volkomen beantwoordt en mitsdien nooit of nimmer volkomen zuiver, maar altijd met zonde gemengd is.

En deze onzuivere religie en onzuivere zedelijkheid is onze zonde voor God.

Zonde, waarover een kind des Heeren telkens weer het bloed der verzoening heeft in te roepen; waarover hij zich voor zijn God heeft te verootmoedigen en waarover hij Hem vergeving heeft af te smeeken. Maar ook zonde waartegen hij heeft te strijden en „waarvan hij zichzelven heeft te reinigen, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods." (2 Korinte 7 : i^).

Blijven Gods geboden onveranderlijk dezelfde voor al wat mensch is en zijn er dus geen andere geboden voor een Christen dan voor een mensch, toch staat de Christen anders tegenover de geboden Gods dan de niet-Christen.

Het is vooral in de leer des Verbonds, waarvoor de gegevens zoo duidelijk in de Schrift liggen en die, met name in onze gereformeerde Theologie, tot eere kwam, dat deze verhouding van den Christen tegenover de Wet zoo helder uitkomt.

Het gaat niet aan, deze leer hier wederom in haar geheel te ontwikkelen ; toch mag, waar wij bij de behandeling van de tien geboden thans toegekomen zijn aan het eerste gebod in betrekking tot den Christen, van haar niet worden gezwegen.

En dan zij er eerst weer op gewezen, hoe de wet des Heeren als Zijn geopenbaarde wil voor 's menschen bestaan en gedrag, wel niet in den vorm der t; en r^eboden, maar toch naar haar wezen iiigesctiapcn was JU htt bewustzijn van Adam.

Als zoodanig-waren aan deze wet beloften noch bedreigingen gebonden.

Alleen uit het scheppingsrecht van God vloeide 's menschen verplichting voort haar te gehoorzamen, en in den heiligen mensch was dit niet anders dan een gehoorzaamheid uit liefde.

Maar eerst later kreeg de Wet voor den mensch haar bedreiging en belofte.

Dan reeds voor de grondlegging der wereld greep, in de stilte der eeuwigheid, plaats de sluiting van het Verbond der Genade tusschen den Vader en den Zoon als Middelaar van God en Zijn uitverkorenen, waarin de laatste zich vrijv^illig als Borg bij God stelt om als mensch voor alle uitverkorenen en in hun plaats de v/et te vervullen en de straf, die aan haar overtreding zou worden verbonden, te lijden, om dus het lijden Van hen op zich te laden en de belofte, die aan haar vervulling zou worden gebonden, voor hen en in hun plaats te verwerven. * •

Een verbond, waarin van Gods zijde alles Genade is en dat daarom dan ook terecht een Verbond der Ge? iade mag heeten, maar waarin aan Gods recht tegenover den mensch door het lijden en doen, door het „Werk" van den Middelaar, volkomen zou worden voldaan en dat daarom voor hèm een Verbond der Werken was.

Is er in God geen strijd tusschen genade en recht, wijl de genadige God rechtvaardig en de rechtvaardige genadig is, de zaliging van zondaren gaat juist - en dat is de diepe zin van de leer der voldoening - niet buiten het recht Gods om.

Vandaar, dat ook üe Middelaar als hij voleindigd had het werk dat de Vader hem gegeven had om te doen, kon bidden - zooals geen mensch mag bidden - Vader! Ik ZOT7, dat waar Ik ben ook die bij Mij zijn, die Gij mij gegeven hebt. (Joh. 17 : 23).

Als nu de wereld geschapen is en in die wereld de aarde en op die aarde het paradijs en in dat paradijs de mensch is geformeerd, naar zijn lichaam uit het stof der aarde, maar met zijn, naar Gods beeld geschapen ziel, aan God verwant, „van Zijn geslacht; " als nu na die schepping der wereld en des menschen, onder de heilige engelen de zonde ontstaat en een deel dier engelen tot duivelen wordt, die, pnder Satan hun hoofd, in onverzoenjijken haat tegen God, den naar Zijn beeld geschapen mensch. Zijn zoon, zooals Adam in het evangelie van Lukas 13 : 38 heet, willen verderven, — dan sluit God in diep nederbuigende goedheid, wijl Hij, de Hooge en Verhevene, zich daardoor naast den mensch stelde, met Adam een verbond tegen Satan.

Een verbond, waarbij op één bepaald punt, het z. g. proef gebod omtrent den boom der kennisse des goeds en des kwaads, Adams trouw aan zijn God moest blijken. Oppervlakkige zielen vragen nog altijd of dan dat „eten" van die verboden vrucht zoo schrikkelijk was. Alsof aan dat „eten" niet veel meer voorafging. Alsof in de handeling zelf en niet in den beweeggrond waaruit zij opkomt en het doel vvat men er zich mee stelt en haar afwijking van Gods geopenbaarden Wil de zonde zit.

Wijl het nu bij dit verbond er om ging of de mensch vrijwillig, d. i. met redelijken lust, al dan niet zijn willen naar het willen Gods zou voegen, m. a. w. Hem blijven gehoorzamen, bindt God eerst bij het sluiten van dit Verbond aan het al of niet doen van Zijn heiligen wil bedreiging en belofte. Die wil kwam allereerst uit in het straks gencerade „proefgebod". Maar dat proefgebod was niet anders dan het saamtrekken op één punt van al wat Adam wist wat hij in de verhouding tot zijn God moest zijn en willen. Van wat in zijn bewustzijn leefde als Gods geopenbaarde wil, als Zijn wet.

Vandaar, dat met de bedreiging; „ten dage als gij daarvan eet zult gij den dood sterven". Gen. 3:17 op de overtreding van het proefgebod gesteld, en de daarin opgesloten belofte van het leven te zullen leven, aan zijn opvolging verbonden, heel de wet des Heeren in dit Verbond „inkwam" als met bedreiging en belofte gestaafd.

En wijl nu door het „doen, " het „werk", m. a. w. het metterdaad gehoorzamen van Adam zijn trouw moest blijken en hij de belofte van het leven te zullen leven kon verwerven, mag dit verbond te recht heeten een Verbond der Werken.

Hoe nu dit Verbond der Werken trouweloos is verbroken door den mensch, toen hij door het ingeven des duivels en zijn vrijen wil tegen Gods gebod inging, - een trouweloosheid waarop in later eeuw vrordt gezinspeeld wanneer van Juda's vorsten en priesters bij Hosea wordt gezegd: Maarzij hebben het verbond overtreden als Adam" h. G: j - kan hier, als bekend, blijven rusten. Alleen zij er nog op gewezen hoe in de doorloopende tegenstelling van Adam en Christus, ons in Romeinen 5 : 12-21 geteekend, de hechte grond ligt van de leer om in Adam, gelijk in Christus, een plaatsbekleedend hoofd te zien.

Maar God, Wien al zijn werken van eeuwigheid bekend zijn (Hand. 15 : 18) en voor Wien, als voor den Alwetende, geen verrassingen bestaan; Hij door Wien heel de wereld in haar aanvang, midden en einde van eeuwigheid is gedacht en vóórverordineerd, — openbaarde nog in het Paradijs aan den in zonde gevallen mensch zijn evangelie van het eeuwig Verbond der Genade. In de „moederbelofte" van Gen. 3:15 lag reeds de belofte van den Middelaar en het armezondaars-geloof van Adam en Eva, waardoor zij dien Middelaar met al zijn schatten in wederbarende Genade deelachtig werden, was een der goederen van het Genadeverbond die aan in zichzelf verloren menschen geschonken werd.

Ook hun zaligmakend gelooi was een gave Gods.

Nooit mag men het dan ook zóó voorstellen, alsof het Werkverbond met Adam gesloten, eerder is dan het Genadeverbond; alsof het eerste van Gods zijde een soort proefneming zou zijn geweest, na wier mislukking eerst het Genadeverbond zou zijn besteld. Dit toch doet aan de vastheid van Gods Raad te kort. Wel komt de afkondiging of bekendmaking van het verbond der Genade eerst tot den mensch, nadat het verbond der werken van zijn zijde is verbroken, doch de oprichting er van tusschen den Vader en den Zoon als Borg der uitverkorenen, gaat aan den tijd vooraf en ligt in de eeuwigheid. In dien zin is het Genadeverbond dan ook een eeuwig verbond.

Bekend gemaakt reeds in het Paradijs als het evangelie of de blijde boodschap van zaliging, voor in zich zelf verloren zondaren, onderscheidt men in dit ééne Genadeverbond tivee'érlei bedeeling, wier grenzen gevormd worden door de komst van den Christus in het vleesch. Dan toch vervult zich het woord van den Messias uit den 403ten psalm: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om uw welbehagen te doen en uwe wet is in het midden mijns ingewands.

En deze tweeërlei bedeeling onderscheiden wij als Otid-en Niemv Verbond. Deze onderscheiding rust echter niet op een wezenlijk verschil, want de zaliging der uitverkorenen, zoowel vóór als na de komst van Christus in het vleesch, ligt als middenoorzaak altijd in den Borg van het ééne verbond der Genade, — maar op bijkomstige verschillen. Zoo zijn de godvruchtigen van den ouden dag door het geloof in den toe komenden, die van den nieuwen dag door geloof in den gekomen Zaligmaker gerechtvaardigd. Was er in de openbaring onder de oude bedeeling, met haar drie tijdperken: van Adam tot Abraham, van Abraham tot Mozes, van Mozes tot Christus, wel een trapsgewijze ontwikkeling, maar toch was die openbaring minder rijk dan na Christus komst.

Maar altijd, door alle bedeeling heen, zijn zij, met wie God in Christus het verbond der Genade gesloten heeft, niet om hiin eigen wetsvervulling, die voor , den zondigen mensch onmogelijk is, maar om het voldoen van Christus aan wat God in zijn wet eischt en op haar overtreding dreigt, gezaligd. Van daar dan ook dat de verhouding van hen, die met hun God in het verbond der Genade staan, tot 'sHeeren wet, een andere is dan die van alle andere menschen. Want wel zijn zij als menschen verbonden, deze wet als norm of richtsnoer voor hun zedelijk leven te houden, maar zij houden haar, kort uitgedrukt, niet om er den hemel mee te verdienen, hetwelk immers Christus voor hen gedaan heeft.

Het z.g. Sinaitisch verbond, dat aan de wetgeving op Sinai vooraf ging, draagt dan ook een eigenaardig karakter. God treedt hier als Jehova, als de Heere, in een veel inniger betrekking dan tot de overige natiën, met de Israëlitische, en in zoover is dit verbond een nationaal verbond. Maar gelijk een natie eerst tot een iiolk wordt, wanneer haar leven door wetten is geregeld, zoo geeft Jehova ook hier als Israel's koning, door Mozes, wetten aan zijn volk. Wetten, die de verhouding van de burgers tot hun Overheid en van de burgers onderling regelen.

En wijl nu Jehova Israel's koning was, en Israël dus een theocratie, zoowel een kerkstaat, als een staat-kerk, dragen deze wetten zoowel een burgerlijk als een religieus karakter, waarom wij ze dan ook als Israel's burgerlijke en ceremonieele wetten onderscheiden. En eindelijk, de Israëlieten waren nenschen, als alle menschen gebonden aan de eeuwige onveranderlijke zedewet, die eens ingeschreven in het menschenhart, als de „wet der natuur" nog wel leeft in het bewusJzijn ook van den zondigen mensch, maar wat haar verbijzondering betrof, wat betrof de uit haar voortvloeiende normen voor goed en slecht, met name in des menscheij relatie tot God, in het natuurlijk bewustzijn zoo al niet geheel uitgesleten, dan toch verzwakt zijn. En juist omdat ook de Israëlieten zondige menschen waren, wordt nu die zedewet met haar heilige, onveranderlijke en volmaakte normen, straks na de verbondssluiting tusschen Jehova en zijn volk, onder die schrikkelijke openbaring van Gods heilige majesteit in een voor Israël bestemden vorm van den Sinaï door Jehova zelf afgekondigd. Het Sinaitisch verbond is dus, zoo als men dat noemt, een gemengd verbond. Voor Israël in zijn geheel een nationaal verbond, waardoor het als natie van alle andere natiën wordt afgezonderd. Voor Israël als volk een volksverbond, waarin Koning en volk met rechten en plichten zich aan elkander verbinden. Voor de Israëlieten als menschen, die aan hun God zich verbinden, een verbond der Genade voor zoover zij ook Abraham's geestelijke; maar een verbond der werken voor zoover zij alleen Abraham's vleeschelijke kinderen waren. Niet. alsof God bij den Sinai een eenmaal verbroken werkverbond weer zou oprichten met den mensch, maar zoo als het stond in het bewustzijn van de niet-uitverkorenen, van de onbekeerden in Israel.

Als toch bij de verbondssluiting het volk roept: l wat de Heere gesproken heeft zullen wij doen, (Ex. 19 : 6) valt in dat roepen tweeërlei te beluisteren. Het vleeschelijk Israël meent dat alles in eigen kracht te kunnen doen, en voor hen is het een als natie en volk zich verbinden aan zijn Koning en als mensch buiten den Middelaar om, zich verbinden aan God, om in eigen kracht zijn wet te onderhouden, niet anders dan nog in de ethische afgoderijen zich de mensch verbindt aan zijn God. Maar het geestelijk Israël roept wel dezelfde woorden uit, doch in heel anderen zin. Ook als natie en volk verbindt het zich aan zijn Koning en wil trouw zijn aan zijn wetten. Maar als menschen ziet dat geestelijk Israël door de ceremonieele wetten, als door „schaduwen" heen, op de werkelijkheid van den Middelaar, en als menschen zoekt het, in het besef van zijn gebondenheid aan de zedewet, al zijn kracht om haar te vervullen in dien beloofden Middelaar.

Wat eeuwen later Jehova door den profeet Hosea tot Israël zegt: we vrucht is uit Mij gevonden, (Hosea 14 : 9) is de zielservaring van al Gods kinderen door de eeuwen heen.

Ook in de nieuwe bedeeling van het verbond der Genade, waaronder 'sHeeren volk nadat de Christus verschenen is, thans leeft, weten zij dat alleen uit het geloof, naar Gods Wet tot Zijne eere is te leven. Bevinden zij de waarheid van Jezus woord omtreot wijnstok en ranken en het zonder Mij kunt gij niets doen. (Joh. iJ : 5).

Uit de verborgen vereeniging der ziel met haren Heiland, komt bij een zondig maar begenadigd mensch weer de hartelijkste lust en liefde om naar Gods wil te leven.

Juist omdat in de Christelijke religie God zich aan den zondaar en de zondaar zich aan zijn God in den Middelaar verbindt, is ook de religie en de zedelijkheid van den Christen, .soortelijk verschillend van die der on geloovigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 februari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 februari 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken