Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

„Zou de Richter der gansche aarde geen recht doen?”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Zou de Richter der gansche aarde geen recht doen?”

7 minuten leestijd

Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te dooden den rechtvaardige met den goddelooze; dat de rechtvaardige zij gelijk de goddelooze. Verre zij het van U! Zoude de Richter der gansche aarde geen recht doen ? Gen. 18: 25.

Te denken aan een eeuwig verderf is een zoo ontzettende en heel onze ziel terugstootende gedachte, dat men, aan die afgrijselijke werkelijkheid onder het lezen der Schrift toegekomen, er zich overheen zet en in de diepte van jammer die zich ontsluit, liefst niet met zijn verbeelding ingaat.

Men deinst er vbor terug, men schuwt elk gemeenzaam worden met zoo namelooze ellende; een ellende die nooit eindigt!

Het is dan ook zoo uitnemend te verstaan, hoe de oppervlakkige bediller zoo vaak aanstonds gewonnen spel heeft, zelfs bij wie anders nog ongeschokt in zijn geloof staat, als hij u op gevoeligen toon afvraagt: „God is Liefde, en zoudt gij u in een God die Liefde is, het verdoemen van zijn schepsel tot zulk een nooit eindigend verderf ook maar plaatsen kunnen ?

Natuurlijk, dit kunnen we niet.

Liefde, gelijk wij ons die menschelijk uitwerken, en dan in idealen zin op God overbrengen, is niet in één adem te noemen met het verwijzen van een bewust en gevoelend wezen tot zulk een ontzettenden staat van niet uit te spreken jammer.

Zelfs al denkt ge voor meer dan één het zielelijden en de lichaamspijn in het verderf als in graad en maat niet zeer diepgaande, dan nog is de gedachte dat er nooit een eind aan komt, een strik des doods die u de keel toenijpt.

Uw menschelijke liefde, wat is ze bij de liefde Gods vergeleken; en toch, reeds als mensch . kunt ge het denkbeeld zelfs van eeuwig verderf niet verdragen, en hoe dan deze op alle verlo • renen toegepaste werkelijkheid u in God te denken, zonder dat ze voor uw besef een schaduw op Gods volzaligheid moet werpen.

Daar kunnen we niet bij. Dat kunnen we ons niet ontraadselen. En ge misleidt uzelven, zoo ge er over heen glijdt.

Ons gevoel en onze rede stuiten hier.

Elke poging om dit mysterie door redebeleid onzerzijds op te lossen, moet falen.

In stille aanbidding kunnen we ons terugtrekken. We kunnen de hand op den mond leggen, en belijden dat Gods liefde te groot is, dan dat wij die liefde begrijpen zouden.

Maar tegenspreken, dat hier is, wat ons stuit en terug doet deinzen, dat kunt en dat moogt ge niet.

Wat is daarbij nu de weg des geloofs?

Te zien op Jezus en uit zijn menschelijk gevoel de lichtstraal te laten vallen op wat hier duister is.

Als ge u afvraagt, wie rijker en voller de Liefde Gods heeft bekend: Jezus of gij, dan is er voor u geen aarzeling, en dan belijdt ge in ootmoed en nederigheid, dat al uw stamelen over de Liefde Gods wegzinkt, vergeleken bij de hemelsche taal waarin uw Heiland de Liefde Gods heeft verheerlijkt.

Hier is nauwelijks vergelijking denkbaar. Vooral op het stuk der Goddelijke liefde heeft niemand den Vader gekend dan de Zoon, en hij aan wien de Zoon het wil openbaren.

Nooit heeft vóór Jezus of buiten Jezus de wereld verstaan wat het zeggen wil, dat God is Liefde.

Maar indien dit nu zoo is, en indien met terdaad Jezus zoo oneindig veel fijner dan gij weten en gevoelen kon, en geweten en gevoeld heeft, wat met de Liefde Gods al dan niet onbestaanbaar is, valt dan heel uw bedenking alsol een eeuwig verderf bij een God die de Liefde is, niet kon gedacht worden, niet geheel en volstrekt en onmiddellijk weg door het stellige en eenvoudige feit, dat uw Heiland, dat uw Jezus, dat Hij, die alleen God in Zijn wezen kende, ons juist het tegendeel geleerd heeft? Jezus aarzelt nooit.

Steeds en gedurig en zouder ophouden predikt hij ons die beide met even stellige verzekerdheid, èn het „Alzoo lief heeft God de wereld gehad", én dat de goddeloozen gaan zullen m de eeuwige pijn.

Jezus predikt niet het eerste rijk en in overdadige taal, en het tweede even ter loops en nauwelijks uitgesproken.

Neen, beide, eenerzijds de Liefde Gods, en anderzijds het Eeuwig verderf, ze vormen de twee polen, waar het Evangelie van Jezus tusschen door straalt.

Zoo min er licht zich teekent zonder schaduw, zoo min is de glans van de Liefde Gods in het Evangelie van Jezus zonder de steeds verzeilende schaduw van de buitenste duisternis.

En hiermee is voor het geloof de zaak beslist. Wie onzer zou ooit durven zeggen, dat hij teederder dan Jezus gevoelt, wat tegen de Liefde Gods al dan niet indruischt?

Dit ook maar te denken, ware u boven uw Heiland stellen.

En daarom rust het geloof ook hier in de aanbiddelijke hoogheid van den Christus.

Voor Christus hier geen strijd.

Dan kan de strijd, die bij u opkomt, ook niet wezenlijk zijn.

Dan komt die tegenstrijdigheid niet anders op, dan uit het onzuivere van uw kennisse Gods.

Jezus is onze maatstaf, ook voor ons innerlijk bestaan als mensch.

Reeds onder elkander merken we telkens, hoe de menschelijke maatstaf uiteenloopt. Den één hoort ge vergoelijken, ja soms aanprijzen, wat voor de conscientie van den ander stellig zonde is; en ook al gaat het verschil niet altoos zoo ver, keer op keer voelt ge toch in uw omgang en in de gesprekken, dat de een zooveel edeler denkt, fijner gevoelt en rechtvaardiger oordeelt dan de ander. Van den één voelt ge dat ge ver boven hem staat, van den ander dat hij ver staat boven u.

Maar welke verschillen ten deze ook onder menschen bestaan, dat alles valt geheel weg, vergeleken bij het verschil dat tusschen u en uw Heiland bestaat.

Voor hem buigen we ons in aanbidding neder, en als in hem het menschelijk gevoel anders spreekt dan in ons, dan oordeelt Jezus uw hart en nooit uw hart Jezus.

Op welk punt in het heilige dan ook voor het besef en gevoel van Jezus de strijd niet bleek te bestaan, die bij óns opkomt, stelt Jezus ons de wet en niet wij aan Jezus.

Er blijkt dan, dat ons menschelijk gevoel ons op het dwaalspoor leidde, en dat ons gevoel als het gevoel van Jezus moet worden, zullen we de waarheid verstaan en bezitten kunnen.

De liefde Gods en het eeuwig verderf streden niet voor Jezus; en strijden ze desniettemin voor uw gevoel met elkander, dan toont dit hoe uw gevoel zuivering moet ondergaan, en hoe steeds inniger zielsgemeenschap met Jezus de weg is, die ook u alleen tot verzoening van wat scheen te strijden, brengen kan.

En wat is nu zoo opmerkelijk ?

Dit, dat zelfs in niet geloovigfe kringen, waar uit men eerst *in naam der Liefde Gods elk denkbeeld van een hel zorgvuldig gebannen had, en dat niet eens meer fluisterend, almeer de vraag opgaat, of op die wijs de liefde niet ten slotte elk besef van recht en gerechtigheid te niet doe en of alle loochening van eeuwige straffen niet eindigen moet met reeds hier op aarde ons menschelijk leven te verlagen.

De oude vraag, die met haar centenaarsgewicht terugkeert. Liefde zal geen eeuwige straf gedoogen, maar gedoogt uw begrip van Liefde dan wel, dat hier op aarde de boosheid triomfeert en de onschuld vertreden wordt? Zulk een verhaal als pas weer uit België in de pers de ronde deed van een schapenkoopman, die jaren achtereen de herders, diï om geld voor hun schapen kwamen, naar binnen lokte, en ze meedoogenloos vermoordde; ten minste acht, misschien elf schaapherders achter elkaar. Is hier geen stem des bloeds die naar God roept ?

En nu is dit nog een zeldzame misdaad, maar van zulk onrecht in anderen vorm is de wereld, is het leven vol.

Het recht struikelt langs de straten, en onder alle volk worden de tranen der ellendigen geschreid en buigt boosheid, wat recht is, krom.

En hiervoor biedt dit leven geen verzoening. De vertredene en ellendige sterft zonder gekroond te zijn in zijn onschuld, en de booswicht sterft zonder dat 't recht zijn gruwel terugdrong.

Dit nu doet met de stem des bloeds en uit de tranen der verdrukten de vraag oprijzen : Zou ook de Rechter der gansche aarde geen recht doen?

En waar op die vraag het bittere antwoord komt in den worm die nooit sterft, en in het vuur dat niet wordt uitgebluscht, daar trilt zelfs in ons onzuiver menschelijk hart een snaar, die op de gerechtigheid van Hem die de Liefde is, een Amen, Hallelujah doet hooren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

„Zou de Richter der gansche aarde geen recht doen?”

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken