GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Pro Kege.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Pro Kege.

18 minuten leestijd

XXII.

En hij zeide tot hen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen. Lukas lo: i8.

Treedt iemand tegen u op, die weigert aan iiet bestaan van satan sn zijn demonen te gelooven, dan kunt ge in den regel wel zeggen, dat juist zulk-een vast in de strikken van satan geklemd zit. Dit toch is hier de tegenstelling, dat de Christus geen klavier onbespeeld laat om zijn Naam te openbaren en door die openbaring te redden, terwijl omgekeerd satan zich steeds inspant, 'om zich voor u te verbergen, en u te verderven door de geheimzinnige invloeden die hij op u uitoefent. Licht en duisternis staan hier tegenover elkander. Christus is het Licht dat steeds verder zijn stralen spreidt, satan is de Duisternis die zich steeds meer in het donkere en schaduwachtige terugtrekt, om zich zelve met heel 't aardrijk in somberen nacht te verliezen. Niet te gelooven aan het bestaan van satan en zijn werkingen is deswege zoo uiterst gevaarlijk, wijl juist dit aan fatan de beste kansen op uw hart geeft, en stellig is het achteruitgang en blijk van geloofsverzwakking, dat ook in de gemeente van Christus en in' haar prediking steeds minder met de demonische macht gerekend wordt. De proef hiervan is licht te nemen. Als het Onze Vader gebeden wordt, bidt nog een ieder: Verlos ons van den Boose, Maar let er nu op, hoe bijna nooit in het vrije gebed onze God wordt aangeroepen, om ons met zijn schild tegen de giftige pijlen van satan te dekken. Het was daarom eisch, zou het koningschap van Christus ook op dit punt in ons oog zijn glorie herwinnen, duidelijk uit te spreken, dat Jezus zelf zijn levensworsteling als één machtigen strijd tegen satan verstaan heeft, en dat deze opvatting van Jezus zelf voor ons beslissend is. Zooals het voor hém stond, zoo moet het ook voor ons staan, want zoo en niet anders is het. Uit ons zelven weten we omtrent de geestenwereld niets dat zekerheid biedt. Hij daarentegen, die uit den hemel, uit het geestenrijk, tot ons nederdaalde, bezit hier het volste recht van spreken. Wat van zijn lippen tot ons kwam was openbaring, en aan die Openbaring heeft een iegelijk zich te houden, die belijdt dat de Christus ook voor hem de weg, de waarheid en het leven is. Dat zich in de overtuiging omtrent het bestaan van deze geestenwereld bijgeloof gemengd heeft en nog mengt, staat vast, en niet volhardend genoeg kan hier tegen gestreden worden; maar te zeggen, dat het geloof zelf aan het bestaan van een demonische wereld niets dan vrucht en verzinsel van bijgeloof is, komt neer op kortzichtige oppervlakkigheid. Het waren juist de diepst aangelegde geesten, die alle eeuwen door gevoeld hebben, hoe ze zelve in één machtige levensworsteling met die demonische wereld bevangen waren.

We gaan alzoo uit van de stellige gegevens der Openbaring: lo. dat er een wereld van geesten buiten ons menschelijk geslacht bestaat; 20. dat deze geesten twee heirscharen vormen, eenerzijds van engelen, anderzijds van demonen; 30, dat de heirschare der demonengeestelijk-organischonder de heerschappij van satan staat; 40. dat zoowel deze engelen als deze demonen krachten, gaven en talenten van hun Schepper ontvingen; 50. dat ze geroepen zijn om deze krachten, gaven en talenten in den dienst van hun God te besteden, en zulks niet alleen om Hem te lofprijzen, maar ook om instrumenten voor zijn Rijksbewind te zijn; 60. dat diensvolgens van deze geesten allerlei werkingen ook op onze aarde uitgaan, en dit niet enk^l op het geestelijk leven van deze aarde, maar evenzoo op het lichamelijk, zienlijk en stoffelijk gebied; 70. dat de demonen, na hun val, deze krachten en werkingen misbruikten om deze aarde en met name ons menschelijk geslacht te verderven; 80. dat deze demonische invloeden tot op Jezus komst, met uitzondering van Israels volkstaat, een heerschappij van satan over de volken en natiën hadden teweeggebracht, die satan aan hun hoofd tot Overste der wereld maakte; 9". dat toen de Christus gekomen is, om de werken van den duivel te verbreken, en zelf niet O/erste, maar Hoofd en Koning, van deze wereld te worden; lo*. dat zich hieruit de verzoeking in de woestijn en het gestadig uitiwerpen van de duivelen verklaart; 11"> . dat hierdoor de macht van den Overste der wereld vóór nu negentien eeuwen zoo principieel gebroken is, dat Jezus kon uitroepen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen; en 120. dat de Uitstorting van den Heiligen Geest, na Jezus hemelvaart, het indalen in deze wereld van een heilige geestelijke atmosfeer teweeg bracht, die bestemd was om de demonische atmosfeer, die loodzwaar op het leven der volken drukte, rusteloos terug te dringen.

De Schrift betuigt ons dan ook, dat satan p van die ure af gebonden is. In het eind der d dagen zal hij nogmaals „ontbonden" en roet J zijn volle demonische v; erking. losgelaten g worden (Openb. 20:7). Maar juist deze m gewichtige profetie stelt het vast, dat e satan in de periode, waarin wij thans leven, o niet over zijn volle werking beschikt. Niet a enkel in dien zin, dat satan nooit iets ver­ n mocht, noch vermag, dan onder Gods toe­ l lating, maar in deze nadere beteekenis, dat d het Koningschap van Christus aan het rijk p van satan steeds meer afbreuk doet, ea o dat de geestelijke atmosfeer, die door den k Heiligen Geest in de gemeente des levenden v Gods heerscht, en van haar in de wereld d uitstraalt, de werking van satans macht d beteugelt. Niet, alsof ze hierdoor reeds ver­ d nietigd en tot volkomen machteloosheid zou s gedoemd zijn. Het Onze Vader onderwijst ons l dat de worsteling van den Booze om ons te verderven steeds aanhoudt, en de apostel leert het ons nadrukkelijk, dat achter vleeschen C bloed de bange worsteling ligt met „de geestelijke boosheden" in de lucht. Maar er is na Christus komst en na de Uitstorting van den Heiligen Geest dan toch deze groote a verandering tot stand gebracht, dat er thans op aarde tweeërlei zeer onderscheiden terrein van demonischen invloed is aan te wijzen, eenerzijds het terrein der ongeloovige natiën, waar de oude macht van satan nog doorwerkt gelijk eertijds, en daarnaast eo daartegenover een heel ander terrein, dat door den Heiligen Doop gedekt wordt, en waar niet de geest van satan, maar de Hdiige Geest de beheerschende macht is.

In den Doop zelf ligt dit verzinbeeid.

De Doop vond zijn oorsprong ia het aloude denkbeeld, dat gelijk het water de onreinheid van het lichaam, van kieeding en van huisraad wegneemt, zoo ook reügieuse reiniging tot stand kwam door besprenging of indompeling. Bijna onder alle volken vindt men dan ook zulke reinigingen ia het godsdienstig gebruik opgenomen. Israël was er zich volkomen bewust van, dat zijn land en erve gewijd, heilig en rein was, vergeleken bij het land en de erve der heidenen.

Zou dan ook een heiden in Israels volksstaat worden opgenomen, dan moest hij den dusgenaamden' proselieten-doop ondergaan, d. w. z. hij moest, alvorens in Israels volksstaat te worden opgenomen, zinbeeidig gereiaigd worden van de besmetting die hem krachtens zijn heidenschen oorsprong aankleefde. En die zinbeeldige beteekenis van den proselietendoop maakte te meer indruk, eensdeels omdat de docpeling alle band en betrekking met zijn huis en zijn familie moest afbreken, maar ook anderdeels, omdat Israël de smet der zonde niet alleen in ds ziel droeg, maar ook in het lichaam en in het uitwendige. Tusschen het reine en onreine stelt de wet van Mozes een diepgaand onderscheid, en dat onreine en onheilige kleeft ook aan de dieren, aan het kranke, aan het lijk, aan het doode aas, en telkens treden wasschingen, reinigingen, besprengingen in, om wel te doen uitkomen, dat de demonische werking niet alleen de ziel en het onzienlijke, maar ook het lichaam en het zienlijke aantasi, Varsdaar dat de Doop van Johannes en de Doop van Jezus en zijn Apostelen Israels volkstrots zoo geweldig aangrepen. Deze nieuwe doop toch sloot Israël zelf bij het onreine en onheilige in, en profeteerde de komst van een nieuw Koninkrijk, van het Koninkrijk der hemelen, waar van nature zoo we! de Jood als de heiden beide buiten stonden, zoodat beide eerst door dezen nieuwen doop die hooge reiniging konden ondergaan, v/aardoor ze op het heilige terrein van het geestelijk Koninkrijk werden overgezet. In de eerste tijden van het optreden der Christelijke Kerk verbond men daarom met den H. Doop het dusgenaamde Exorcisme. De doopeling moest, eer hij zou gedoopt worden, den satan afzweren en zich van zijn dienst en werking losmaken. Voor het te doopen kind werd deze gelofte afgelegd door zijn Doops-peters. Op zichzelf was hier niets tegen, het had een rijken zin en hield de beteekenis van den Doop levendig voor het bewustzijn. Misplaatst werd dit eerst, toen de Gemeente in het tweede geslacht kwam, en ook kinderen uit Christenouders geboren ten doop werden aangeboden. Deze kinderen toch stonden met de bekeerlingen uit de Joden en Heidenen volstrekt niet op één lijn. Uit Christenouders geboren, waren deze kinderen rein en heilig. Ze waren niet geboren op het demonisch terrein, maar op het terrein waar de Heilige Geest heerscht, en uit dien hoofde had het Exorcisme bij deze kinderen geen zin. Vandaar dat onze Gereformeerde Kerken dit Exorcisme niet vernamen.

Niet genoeg daarbij echter is de vraag verwogen, of ook nist nu nog de oude ractijk toepassing behoort te vinden bij en Doop van bekeerlingen utt de Heidenen, oden en Mohamedanen. Zulke bekeerlinen toch komen niet van het heilige erf, aar van het nog onheilige erf, en gaan erst door den Doop op het heilige erf ver. Zij worden in letterlijken zin nog ltoos „overgezet uit de macht der Duisteris in het Koninkrijk van den Zoon zijner iefde" (Col. 1:13). Ons komt daarom voor, at bij ernstiger opvatting van het princiieele onderscheid tusschen het heilige en het nheilige terrein, bij den Doop van be» eerlingen, die geheel in denzelfden toestand erkeeren als de eerste gedoopten in de dagen er apostelen, een opnemen van het element er duivelafzwering raadzaam kan zijn. Bij eneerstenDoop bestond het onderscheid tuschen den Doop van Johannes en den Christeijken Doop juist daarin, dat de Christelijke Doop doopte met den Heiligen Geest. Iets waaruit tweeërlei volgt: en eerste, dat wie uit hristenouders geboren is, niet eerst op het nieuwe terrein moet worden overgezet, maar er uit opkomt, zoodat hier van geen Exorcisme sprake kan zijn; maar ook ten nderen, dat wie geboren is op het onheilige terrein en eerst door den Doop op het heilige terrein overgaat, te breken heeft met den Overste der wereld, om Christus als zijn Koning daarvoor in plaats te huldigen.

Geheel de iesr van het Genadeverbond rust op deze onderscheiding; een onderscheiding waarbij het steeds noodzakelijk is, de werking van den Heiligen Geest in haar breedste uitstraling op te vatten. Wie hierbij toch uitsluitend denkt aan de persoonlijke actie van den Heiligen Geest ter wederbaring van de ziel, ziet voorbij hc? . de Heilige Geest it het centrum des geestes naar alle zijden eel ons leven overstraalt, en in dat leven en geheel andere atmosfeer van menschelijk aanzijn schept. Geldt het reeds ten deele van satan, dat hij door zijn werkingen op de zielen zulk een demonische atmosfeer schiep n het leven der heidenvolken, veel sterker nog gaat dit door van den Heiligen Geest, die et Goddelijke almachtigheid heel het terein van het menschelijk leven doordringt, oodra Hij zich in de gemeente een eigen iddenpunt van uitstraling verkoren heeft.

Hiermee is echter allerminst gezegd, dat de scheidslijn tusschen dat gewijde terrein van & sa Heiligen Geest en het onheilige ter^ rein van den Overste der wereld, van meet af zuiver en scherp getrokken is, en steeds zuiver is gehouden. Waar in een bloeiende heidensche stad als Corinthe Christus' kerk optrad, vormde die kerk uiteraard aanvankelij k niet dan een zeer kleine o^se in de zedelijke wildernis. Niet die enkele Christenen beheerschten het stadsleven. Het stadsleven bleef aanvankelijk heidensch, en veeleer bestond het gevaar, dat uit het centrum van dit heidensche leven de demonische invloeden in Jezus kerk binnendrongen. Van daar Paulus' scherp en ernstig vermaan in zijn beide brieven aan deze kerk. Eerst van lieverlee, toen allengs meerderen zich lieten doopen, en ten slotte heel de bevolking, op enkele uitzonderingen na, zich bij de Christelijke kerk voegde, kon die kerk ook het publieke leven omvatten. En langzamer nog ging dit proces in de landen van rniddenen noord-Europa toe, toen voor de bekeering der eenlingen, de kerstening van gehèèle stammen en geheele natiën in de plaats trad. Bij zulke massale bekeeringen toch kon het niet wel anders, of het Christelijk leven was aanvankelijk niet anders dan uitwendige schijn, en onder den Christelijken naam bleef het oude heidensche leven met zijn verderfelijke demonische invloeden zich voortzetten. Die voortzetting nu van het aloude heidensche leven openbaarde zich niet alleen in het aanhouden van heidensche volksgebruiken ea ia lageren zedelij ken stand, maar ook wel terdege in den bepaalden toeleg, om door het bijgeloof de heerschappij van het demonisch wezen te bestendigen. Soms ging dit zelfs zoo ruw en driest toe, dat er een soort van satanischen eeredienst werd opgericht. Vooral Aziatische invloeden werkten hier op stuitende wijze, maar toch ook de overlevering in de Europecsche volken voedde bestendig zeker pogen en streven, om de demonische machten te zoeken, ze te verzoenen, zich in haar dienst te stellen, en soms in schandelijke orgiën haar diensten te vieren. Onder allerlei bijgeloovige vormen trad deze traditie op, en ze liet de bangste herinneringen na in de dusgenaamde heksenprocessen.

De Kerk toch, en op haar dringen de Overheid, voelde klaar en duidelijk het zeer ernstig gevaar dat de Christenheid van de zijde dezer demonische werkingen bedreigde. Thans stelt men het veelal voor, alsof ge­ eel dit bijgeloovige wezen eeniglijk opwam uit onkunde en valschen waan, en zoo oet wel oordeelen, wie voor zichzelf niet an het bestaan en aan de werking van nheilige geestelijke machten gelooft. Maar aï standpunt nam de Christelijke kerk ooit in. Ze wist uit het Evangelie, ze wist an haar Heere en Koning, dat deze demoische werkingen metterdaad maar al te erkelijk zijn, en het lijdt dan ook geen wijfel, of in de destijds zoo breedvertakte penbaring van zulke onheilige verschijnelen, is wel wezenlijk een poging van satan e zien, om het Rijk van Christus te vertoren, zijn eigen invloed staande te houen, en de vordering en uitbreiding van het eilig terrein van den Heiligen Geest te erijdelen. De toen door de Kerk en door e Overheid begane fout bestond dan ook iet daarin, dat zij wisten en voelden met en onheilige demonische macht te doen te sbben, maar dat ze deze macht, insteè an haar enkel geestelijk te bestrijden, et het zwaard en met den brandstapel e keer gingen. Hierdoor vormt de worteling van de Christelijke Kerk tegen eze demonische macht een zeer sombere n donkere bladzijde in de historie der hristelijke kerk. Het was niet maar een itwerpen van duivelen, evenals in de agen der Apostelen, door hooge geestelijke vermacht, maar een vervolging te vuur en e zwaard van wat alleen geestelijk te onderijnen en te overwinnen was. Ons Avondaalsformulier betrad den beteren weg. Erntig wordt in dit formulier het demonische waad in de hartader aangetast, en erkend ordt, dat tot zelfs in Christus' gemeente nog poren van dit kwaad merkbaar waren, aar de weerstand tegen het kwaad wordt ezocht in kerkelijke tucht, en in het niet oelaten tot het Sacrament des Avondmaals. n juist deze geestelijke bestrijding heeft oo uitnemend gewerkt, dat het bijgeloof n geen kring meer met tak en wortel werd itgeroeid, dan juist in de kringen van het Calinisme. Niet alsof daarom de O/erheid aantonds van gewelddadige onderdrukking afzag, maar de hoofdbeweging is dan toch van de kerken uitgegaan, en die werking was louter geestelijk.

De gevaarlijke zijde van de standhoudende demonische inwerking was toch hier ingelegen, dat men waande op zijn beurt door toovermiddeleti de macht van het demonisme te breken. Dit nu kwam er op neer, dat men bij satan zelf de hulpmiddelen zocht, om zijn fatale werkingen te keer te gaan. En dit nu is het bijgeloof. Het is de overtuiging, dat er geheimzinnige middelen bestaan, om de kwade gevolgen van een demonische inwerking te breken, zoowel waar die demonische inwerking ons tot zonde verleidt, als in gevallen waar een ziekte of een kwaad bij mensch of dier, of ook een vreesaanjagende verschijning het leven verontrust. Dan werd heil gezocht in een amuleet, in een talisman, in eeii tooverspreuk, of in een bezwering. Satan tooverde het kwaad, en het bijgeloof poogde hem met nog sterker toovenarij te overtroeven.

Men bestreed het demonische met demonische middelen, en bevestigde daardoor juist de heerschappij van het demonische in de harten. Dit kreeg wel een anderen schijn, als men de reddende tooverkracht toeschreef aan een reliek of aan eenig teeken, dat men aan den Christelijken eeredienst ontleende, maar in het pogen, om het demonisch kwaad niet geestelijk, door den Heiligen Geest, maar tooverend door een uitwendig geheimmiddel te verwijderen, bleef dit toch in den grond één met het oude bedoelen van alle toovenarij.

Eeuwen heeft 't dan ook geduurd, eer dit bijgeloof uit ons publieke leven in de Christenlanden is weggebroken. In het Heidensche en Mohamedaansche land grijpen nog allerlei geheimzinnige werkingen van demonischen oorsprong plaats, die onder ons niet meer voorkomen, en het bijgeloof om deze demonische werkingendoor toovenarij te bezweren, houdt nog allerwegen onder deze niet-gedoopte volken stand. Toch wane men niet, dat daarom het bijgeloof uit de Christenlanden reeds geheel is teruggedrongen. Het veldwinnend spel stijft het geloof aan een mysterieuse inwerking van de fortuin op ons leven. Kaartlegsters en toekomstvoorspellers vindt ge in alle groote steden, en tot zelfs uit de hoogste klasse der maatschappij worden ze geraadpleegd. Bijgeloovige traditiën omtrent het getal personen met wie men mag aanzitten, en den dag waarop een schip kan uitvaren, houden nog in heel Europa stand, en in hoogbeschaafde kringen, waar van de Uitstorting van den Heiligen Geest niets meer gevoeld wordt, geeft men zich over aan Spiritisme en clairvoyance, alsof door deze verschijaselen een licht boven het Licht van het Evangelie over ons ware opgegaan. Dat in deze verschijnselen waarheid schuilt, betwisten we niet; dat ze de aandacht verdienen, evenmin; maar het kwaad sluipt, in, zoodra men, het Evangelie van Christus op zij zettende, in deze verschijnselen een hoogere openbaring zoekt, dan ons in hristus gegeven is. Vergeet niet, dat de Schrift ons leert, hoe ook satan teekenen en wonderen zal doen, en hoe 't daarom steeds isch van de Christelijke conscientie blijft, m ook hier de geesten te beproeven.

Alleen de krachtiger werking die van de atmosfeer van den Heiligen Geest in het priate en publieke leven uitgaat, kan ons fdoende en duurzaam van de heerschappij van deze demonische en bijgeloovige machten verlossen. Christus als onze Koning, ezeten aan Gods rechterhand, heeft den Heiligen Geest te midden van ons leven uitgestort. Hierdoor is in de gemeente, waarvan Hij 't Hoofd is, een geestelijke macht op aarde besteld, wier werking en invloed steeds instrumenteel zijn bewind dient. Die invloeden van den Heiligen Geest hebben zich uitgestrekt ook buiten den beperkten kring van zijn levende Gemeente. Ze hebben ingewerkt op het volksleven, op de publieke opinie, op de wetgeving, op de zeden en gebruiken. En het zijn die invloeden van den Heiligen Geest, die tegen den demonischen stroom een dam hebben opgeworpen. Op die wijs zijn we, dank zij de gestadige werking van Christus, door zijn Heiligen Geest, allengs van de demonische machten in het publieke leven verlost. De bijgeloovige gedachte, om de gevolgen van den vloek door toovermiddelen te bestrijden, is van ons geweken. Onze geest is vrij geworden, en het is die vrijgemaakte geest, die in zich de kracht heeft voelen opwaken, om door ons onderzoek, door ons denken en door onze vindingrijkheid in de mysteriën der natuur in te dringen, en alzoo op den door God verordenden weg de mysterieuse machten der Natuur aan ons te onderwerpen.

Dit verstaat niet, wie in Christus niets anders eert dan den redder van de ziel der uitverkorenen, maar wordt als een epos van Christus, den Leeuw uit Juda's stam, voor wie verstaat dat aan Christus alle macht in hemel en op aarde, geestelijk en stoffelijk, is gegeven, en dat zijn Goddelijke heldenstrijd was en is en blijven zal tot den einde toe de principieele worsteling, om satan als een bliksem uit zijn hemel te doen vallen, deze wereld, die Godes is, aan zijn macht te ontrukken, en Gods heilig bestel over deze wereld, satan ten spijt, tot zijn voleinding te brengen.

Onttrooning van den Overste der wereld en daartegenover de glorierijke ontplooiing van Jezus Koningschap over deze wereld, is van de heilige historie inbegrip en leidende gedachte.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Kege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1907

De Heraut | 4 Pagina's